is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 21, 1898, no 6, 01-06-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Voor hen .... belanghebb. voorwerp.

het meest .... bijwoordel. bepaling van graad bij onmisbaar. Wisten ze altijd hoe 'tYerlêen gepoogd beeft en gestrêen enz. Zij tot wie de dichter spreekt, weten niet, hoe 'tVerleên gepoogd heeft en gestrêen. Door deze omschrijving hebben we duidelijk willen laten uitkomen, dat de lijdende voorwerpszin eene afhankelijke vraag is, d. w. z. 'tis een zin, die de afhankelijke woordschikking heeft, doch de beteekenis van eene vraag. Hieruit volgt, dat hoe een vraagwoord (bijwoord van hoedanigheid) is.

6. Wie staat in den 4en naamval als lijdend voorwerp bij doen.

VI. BREDA.

Nederlandsche Taal■

Eerste gedeelte (1^ uur)).

Uit: Vondels brief aan P. Hooft de Graef.

Wat de stuurman is op 't schip, in zeegevaar,

De herder op de heide en bij de schaapskooi, daar De wolf om spookt en huilt, dat strekken de overheden In 't wettige gebied van landen, volk en steden,

Haar wakende oog, tot heil des onderzaats, betrouwd.

Op dezen grond is 't, dat de hemel staten bouwt.

Op dezen voet zijn hun de titels aangeboden Van vadren, herderen, wetgevren, voogden, goden '),

Die. op den vorm van 'tambt der overheid gepast,

Ons melden 't heilzaam wit van zulk een zwaren last,

Nog grooter dan deze eer, waartoe zij zijn gekoren.

Aldus, zegt Plato, wordt geen mensch voor zich geboren Alleen, maar ook ten dienst van vriend en vaderland.

Hier staat de wereld bij, en zonder dezen band Moet alles wetteloos verstrooien en verwilderen,

Nog woester dan Natuur een wildernis kan schilderen, Vol breidelloos gedierte en onraad, nacht en dag.

a. Geef bovenstaande dichtregelen in goed proza weer.

b. Bespreek een van de volgende stellen zinverwante woorden en ga daarbij van doeltreffende voorbeelden uit:

1. treffen, roeren, aandoen.

2. verwijderd, afgelegen, eenzaam.

3. spaarzaamheid, zuinigheid, karigheid.

4. afkeer, wrok, haat.

Tweede gedeelte (1 uur).

Opstel over:

Een van Staring's kleinere gedichten;

of over:

De vergelijkende bijzinnen 1) Zoo noemt Vondel niet zelden vorsten en andere regeerende personen.