is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 26, 1903, 01-01-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaaldheid van begrippen, die een eerste yereischte is voor een beschaafde taal.

Het denkbeeld, dat men door aanwandelen wil uitdrukken, zal men meestal door bevangen, bekruipen, overvallen, of wel door aanJcomen, eigen worden, enz. kunnen wedergeven. Doch al ontbrak ons een enkele maal het eigenaardige woord, dit zou nog geen reden zijn om een uitdrukking goed te keuren, die bij ons evenmin te verdedigen is, als in het Hoogduitsch anspazieren zou wezen.

Aanwezen. Dit zelfstandige naamwoord is niet te verklaren als de onbepaalde wijs van een samengesteld werkwoord aanwezen dat nooit bestaan heeft, evenmin als aanzijn. Ten onrechte vindt men bij Weiland en anderen aanwezen en aanzijn ook als werkwoorden vermeld. In alle uitdrukkingen, waarin aan met het werkwoord wezen of zijn verbonden voorkomt, is aan een bijwoord van toestand, een elliptische uitdrukking, zijn is daar niets anders dan het koppelwoord, dat de gedachte, door aan aangeduid, met het onderwerp verbindt. De rok is aan, de schuit is aan, de bal is aan, de lamp is aan, de kerk is aan, enz. wijzen evenmin op een werkwoord aanwezen of aanzijn, als b.v. het geld is op, de bui is over, de school is uit, enz. samengestelde werkwoorden als opzijn, overzijn, uitzijn, enz. onderstellen, of het zeggen : de boom is qroot, de man is rijk recht geeft tot het aannemen van werkwoorden als qrootzijn of rijlszijn. Men behoort derhalve, in twee woorden, te schrijven: wanneer zal de schuit aan zijn ? toen de kerk aan was; ik ben gisteren even bij u aan geweest, enz.; en volstrekt geen navolging verdient Hooft, als hij, Nederl. Historiën 1196, spreekt van: de aangeweeste ridderschappe voor: die ter vergadering tegenwoordig geweest was. Maar in de zelfstandige naamwoorden aanwezen en aanzijn zijn de uitdrukkingen aan wezen en aan zijn, door koppeling der beide deelen, tot een geheel vereenigd, en daardoor tot zelfstandige woorden met eigenaardige beteekenis geworden. Op gelijke wijze zijn ook aanwezend en aanwezig door afleiding onmiddellijk uit aan en wezen gevormd, evenals b.v. hoogdravend, uithuizig, enz. van de uitdrukkingen hoog draven, uit huis, enz. zijn afgeleid, niet van een samengesteld hoogdragen, uithuis of dergelijke.

Aanivezig. Synoniemen aanwezend, tegenwoordig, voorhanden.

De genoemde woorden geven alle het zijn of zich bevinden binnen een grootere of kleinere ruimte te kennen, en verschillen onderling hoofdzakelijk door hun toepassing.