is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 26, 1903, 01-01-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Huygens, Korenbloemen, I. 491, waar hij den drossaard van Muiden als gullen, beleefden gastheer roerat:

Muyden, ick kom; hergunt my de gunst, die 'ck lange geleden Van uwen aerdigen Heer, van uw' Heerinne genoot.

Zoo had aardig een dubbele opvatting gekregen, die van beleefd, een uitvloeisel der oorsproukelijke beteekenis, en die van kunstiq, een gevolg der verwarring, die het woord onbewust met aerte, aert, kunst in verband bracht. Die beide opvattingen liepen weldra dooreen, kleurden elkander en vermengden zich; en eerst hieruit laat zich de hedendaagsche beteekenis in al haar schakeeringen verklaren.

Aardrijk. Dit woord is in de vroegste tijden van het Germaanmaansche Christendom gevormd naar het voorbeeld van hemelrijk, dat ontleend was aan de Bijbelsche uitdrukking koninkrijk der hemelen. Aanvankelijk gebezigd in bepaalde tegenstelling van hemelrijk, was aardrijk in de eerste plaats de aarde als een koninkrijk beschouwd, het rijk der aarde. Doch al vroeg werd het in ruimeren zin opgevat; rijk verloor de oorspronkelijke kracht van koninkrijk, gebied, en nam een meer algemeene beteekenis aan, dezelfde, die zich ook in 'plantenrijk en dierenrijk vertoont. Nog in het Middelnederlandsch treedt de tegenstelling van hemelrike en erderike vrij duidelijk op den voorgrond, en werden beide — bij wijze van eigennamen zonder lidwoord gebruikt. Doch daarnevens gold reeds de ruimere beteekenis, die sedert de gewone is geworden, en waardoor aard/rijk thans in de meeste gevallen nagenoeg met aarde gelijkstaat, ofschoon dit laatste meer eigenlijk en bepaald, aardrijk altijd min of meer figuurlijk en schilderachtig is. Alleen in dichterljjken stijl wordt aardrijk nog somtijds in den ouden en echten zin genomen.

Aardsch. Dit adjectief, gevormd van aarde door middel van het achtervoegsel sch, beteekent: tot de aarde betrekking hebbende; hetzij zich op aarde bevindende, of uit de aarde voortgekomen, op aarde geschiedende, tot het leven op aarde behoorende; meestal met zinspeling op den aard of de natuur, die hiervan het gevolg is. Doorgaans drukt aardsch een tegenstelling met hemelsch uit, en daardoor verkrijgt het soms de beteekenis van vergankelijk, in tegenstelling van eeuwig • waaruit echter niet voortvloeit, dat het altijd in een ongunstigen zin zou genomen worden. De verschillende

¥