is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 13, 1914, no 31, 01-08-1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen wij de gevaarlijket endenzen van het christelijk syndicalisme veroordeelden, hebben wij openlijk verklaard, dat daarmede niets gemeen hebben de vakvereenigingen, de arbeidersvereenigirtgen, die gewild worden door den H. Stoel en die hoogelijk dienen geprezen en aangemoedigd te wordan.

De vergissing van hen, die ons beschuldigd hebben de katholieke vakvereenigin'gen in discrediet te hebben gebracht, steunt hierop, dat zij veronderstellen, dat wij over het syndicalisme zouden gesproken hebben, als over een abstract begrip, dat in denzelfden zin toepasselijk is op de verschillende syndicaten, zooals een genus op de verschillende species. Maar dat is onwaar.

Het syndicalisme is, zooals wij meermalen opmerkten, een systeem, een richting, een complex van ideeën, betrek* king hebbende op vakorganisatie en doortrokken van klassenstrijd; terwijl de syndicaten niet zijn een theorie, maar vakvereenigingen. Welnu, deze zijn volstrekt niet altijd besmet met de theorie van het syndicalisme. En het geeft niets, dat het woord syndicalisme is afgeleid van syndicaat. Want ook het woord Americanisme is afgeleid van Ameri kaan, en socialisme van sociaal; en toch het zou wel een vreemdeling moeten zijn in de godsdienstige en sociale wetenschappen, die meenen zou dat iedere Amerikaansche instelling besmet is met Amerikanisme, en iedere sociale instelling met socialisme.

Hebben wij niet uitdrukkelijk verklaard, dat wij volstrekt niet bedoelden te spreken over particuliere syndicaten? Hebben wij onze lezers niet vermaand om daarover te oordeelen, overeenkomstig de Encycliek „Singulari quadam? En hoe zouden wij alle syndicaten hebben kunnen smaden, terwijl wij toch wisten, hoe er katholieke vakvereenigingen bestaan die den hoogsten lof verdienen niet alleen in Frankrijk, België, Duitschland, Spanje, maar ook in Italië; syndicaten die bestuurd worden door mannen, die de hoogste verdiensten hebben voor de Kerk en voor de belangen des volks, en een verschuldigde afhankelijkheid erkennen ten opzichte der normen van de kerkelijke over-i heid, die geprezen en aanbevolen zijn door de Bisschoppen ?

Het is een ernstige onrechtvaardigheid, dat men ons heeft verdacht als zouden wij, ons aanstellende als rechters over al die instellingen, de vermetelheid hebben gehad ze te veroordeel en of althans te critiseeren. In waarheid, wij hadden zulk een onrecht niet verwacht. Gewoon als wij zijn om onze woorden goed te wegen, hadden wij verwacht, dat degenen, die ons lazen, zouden begrepen hebben, dat wij niet zonder reden verklaarden te spreken over het syndicalisme als van een systeem, en geen oordeel te willen uitspreken over particuliere syndicaten, maar juist te beoogen een verdediging van de Unione economico-sociate. Bij het zien van de onbillijkheid, waarmede eenige dag-, bladen onze artikelen aanvielen, toen zij ternauwernood verschenen waren, als hadden wij alle syndicaten veroordeeld, en erger nog bij het zien van de ongeloofelijke hal-, ■starrigheid, waarmede zij voortgingen tegen ons op te ótreden ondanks onze verklaringen, hebben velen zich afgevraagd, of al dat rumoer misschien niet in het leven werd geroepen met geheel andere bedoelingen dan de verdediging der waarheid. Mogen onpartijdige menschen daarover oordeelen.

Wat verder betreft de citaten van buitenlandsche schrijvers, begrijpen we elkander goed. Want al hebben wij gesproken over het christelijk syndicalisme in de beteekenis die dit woord heeft in Italië, de dwaalbegrippen en de gevaarlijke tendenzen, die wij er in vonden en bestreden, zijn geen uitsluitend eigendom van Italië, maar gemeen aan

geplaatst, maar om aan te geven, dat onze studie de strekking had, om te onderzoeken of het begrip syndicalisme bij ons vereenigbaar is met christelijke beginselen. Wij begrijpen dan ook niet, hoe ernstige en ontwikkelde menschen daarin hebben kunnen zien aanvallen op. •de katholieke vakvereenigingen.

meerdere naties; ja zelfs zij zijn hoofdzakelijk tot ons gekomen van uit Duitschland en Frankrijk. Het is aan ieder bekend, dat, al is Italië rijk aan edele geesten en kostbare werken, toch de verhandelingen over sociale quaesties en vooral over den toestand der arbeiders, veel talrijker zijn te vinden bij andere naties. De syndicalisten van Italië weten dan iook niet beter te doen om hun denkbeelden te verspreiden, dan zich te wenden tot de geschriften van buitenlanders, vooral /Franschen, en hun autoriteit in het midden te b.rengen. Bovendien weet eenieder, dat de ideeën en tendenzen van het christelijk syndicalisme niet altijd zulke tastbare en duidelijke dwalingen zijn, en zich voor onzen blik op het eerste gezicht niet als zoo gevaarlijk aandienen, dat ieder ze onmiddellijk met gemak kan herkennen; he tzijn voor een groot deel subtiele dwalingen, die zich hullen in een schijn van waarheid en nuttigheid, zoodat vele, zelfs ontwikkelde katholieken, er door meegesleept worden. Toen wij dus eenige dier dwalingen moesten citeeren, was het niet noodig aan te. halen Labriola of andere revolutionaire syndicalisten uit ons eigen vaderland of van buiten, maar cverdiende het juist aanbeveling, acht te slaan op eenige voorname Fransche sociologen, wier gezag van groote beteekenis is voor vele Italiaansche katholieken. Daarom citeerden wij La Tour-du-Pin, Pastoret, Bazire, Boissard.

Niemand kan ,ons met een schijn van reden beschuldigen, dat wij die schrijvers verkeerd behandelden bij het weerleggen van enkele hunner beweringen. Men leze onze artikelen nog eens over, en zegge ons dan waar wij hebben overdreven.

Hierbij dient nog een bemerking te worden gemaakt.

Het is duidelijk, dat in de sociale wetenschap even goed als in andere wetenschappen quaesties bestaan, waarover zelfs onder goede schrijvers wordt getwist; en het zou een ondragelijke aanmatiging zijn te beweren, dat allen dezelfde meening er op na moeten houden tot zelfs in de geringste zaken, en dat men nooit zou mogen afwijken. Laten wij aan sommige fariseeën van het liberalisme het nemen van ergernis bij ieder meeningsverschil, dat men zou vinden ,of meenen te vinden in de pauselijke gelederen. Het zijn dezelfden, die de Kerk onverdraagzaam noemen, omdat zij de eenheid van geesten en harten verlangt in geloofszaken, en die haar nu beschuldigen van tyrannie.

Maar, al is het waar, dat er meeningsverschillen bestaan zelfs onder goede schrijvers, daaruit volgt niet, dat iedere meening recht van bestaan heeft. Van twee contradictorische stellingen is de een noodzakelijk waar, maar de ander noodzakelijk valsch; en zelfs gebeurt het dikwijls, dat een stelling niet alleen valsch is, maar ook logisch voert tot ernstige dwalingen, somtijds tot kettersche. En wanneer zelfs één stelling zulke treurige practische gevolgen hebben kan, hoeveel te meer dan met zoovele valsche ideeën in de sociale quaesties.

Als dat *zoo is, wat is dan de plicht van hein die d(e waarheid en het geloof moet verdedigen ? Zal hij zwijgen ? Neen, hij moet spreken te gelegener tijd en plaats, om de zaken uit te leggen, zooals zij werkelijk zijn en zooals het algemeen belan'g der geloovigen eischt, al behaagt dit ook niet aan de verdedigers der tegenovergestelde meeningen. En wanneer dit alles nu gebeurt op gepaste, wijze en met de noodige gematigdheid van taal, dan kan niemand zich daardoor beleedigd achten.

Welnu, dat alleen hebben wij willen doen. Wij hebben eerlijk aangehaald de woorden der schrijvers, van wie wij in meening verschilden; wij hebben die woorden niet verdraaid of bedorven of verminkt. Wij hebben niet ontkend, dat die uitstekende schrijvers 'zich zeer verdienstelijk hebben gemaakt in vele opzichten voor de sociale studiën en voor de zaak der arbeiders, of dat in andere omstandigheden, in andere geschriften, ja zelfs op andere plaatsen in het-i zelfde geschrift hun uitdrukkingen meer correct waren.