is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 13, 1914, no 48, 28-11-1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vakvereenigingen moeten instorten gevoelens van godsdienstzin, vroomheid, liefde, vrede, gehoorzaamheid, geduld in de moeilijkheden des levens, en aan alle klassen der maatschappij moeten inprenten niet alleen hun rechten, maar ook hun plichten.

♦ *

*

Welnu, wat hebben wij in onze artikelen geschreven, dat strijdig is met den g^eest dezer voorschriften ?

Na verklaard te hebben, dat het christelijk syndicalisme, opgevat als een systeem en een complex van stellingen en zooals het algemeen bij ons in Italië bekend staat, geenszins mag verward worden met de katholieke arbeidersorganisaties, die zoo warm door de kerkelijke overheid worden aanbevolen, omdat het behalve het "begrip van vereeniging ook "in zich sluit dat van klassenstrijd, hebben wij in het kort den opzet, (le bedoelingen en de methoden van dat christelijk neo-syndicalisme uiteengezet, en aangetoond, hoezeer het afwijkt van de authentieke leer der Katholieke Kerk.

Ziehier onze voornaamste stellingen, welke de kern bevatten onzer twee artikelen :

10. dat het christelijk syndicalisme dwaalt, wanneer het beweert, dat het kapitaal een goéd is, dat ontstolen is aan den werkman, en dat de eigendom niet langer moet worden beschouwd als een absoluut recht van den eigenaar, om er gebruik van te maken, maar veeleer als een „sociale functie";

20. dat, ofschoon de weelde moet worden afgekeurld, en de rijken moeten worden herinnerd aan hun plicht om hun overvloed aan te wenden tot steun van den arme, men niet mag meegaan met de leer der syndicalisten, wanneer zij aansturen op een gelijkheid van sociale toestanden, die in werkelijkheid onmogelijk is;

30. dat de plichten der liefde niet mogen verward worden met de plichten der strikte rechtvaardigheid, en dat het syndicalisme dus dwaalt, wanneer het van die plichten, die niet tot de strikte rechtvaardigheid behooren, een object van gewelddadige inbezitneming maakt, en aldus de werken der liefde verkleint;

40. dat het discrediet veroordeelenswaardig is, waarin sommigen het werk der liefde trachten te brengen, alsof haar weldaden een vernedering zijn voor dengene die ze ontvangt;

50. dat, al hebben wij ook van nature het recht om vakvereenigingen te vormen, men toch niet zeggen kan dat het een natuurrecht is in dien zin, dat de natuur de vakvereeniging zou eischen;

60. dat men niet kan ontkennen, dat er tusschen de beoefenaars van eenzelfde vak krachtens een natuurlijken aandrang een bijzondere geneigdheid moet bestaan om elkander te steunen en te helpen in gemeenschappelijke moeielijkheden, doch dat het niet geoorloofd is daaruit af te leiden, dat op dien titel alleen dat zij eenzelfde vak uitoefenen, tusschen hen bijzondere plichten bestaan van natuurrechtelijken aard, krachtens welke zij verplicht zijn om, met voorbijzien van elk ander motief, hulp te bieden aan de eigen makkers, veeleer dan aan anderen, op straffe van een natuurwet te schenden, nl. de wet der solidariteit;

70. dat men de volle vrijheid om te werken van dien arbeider moet erkennen, ook tegenover de meerderheid der vakgenootien, want deze heeft noch krachtens de natuurwet noch krachtens de positieve wet het recht om wetten te maken;

80. dat het dwaasheid is te beweren, dat de arbeider bij zijn arbeid van niemand afhankelijk mag zijn, en dat dus

het streven naar emancipatie steunt op de valsche bewering dat het loonstelsel hem maakt tot een ellendigen slaaf, die is overgeleverd aan de willekeur der patroons;

90. dat het aanbevelenswaardig is en zelfs een werk van uitstekende naastenliefde, om met geoorloofde middelen den arbeider het noodige levensonderhoud te verzekeren, maar niet om te trachten de hebzuchtige begeerten van het menschelijk hart te bevredigen;

100. dat, ofschoon werkstakingen, speculatief gesproken, geoorloofd kunnen zijn, wanneer zij nl. ten doel hebben wettige zelfverdediging, welke, nóch in datgene wat men tracht te bereiken nóch in de middelen die worden aangewend nóch in de manier van optreden in het algemeen dfe maat te buiten gaat, het toch altijd waar blijft, dat de werkstaking gewoonlijk praktisch gevaarlijk is óf in zich óf in de concrete omstandigheden;

110. dat men de staatsbemoeiing binnen haar grenzen moet houden, en niet op duizenden wijzen de industrieele vrijheid moet beperken; en al is het niet alleen het recht maar zelfs de plicht van den staat om tusschen beide te komen wanneer het geldt den arbeider te beschermen tegen onrecht of te voorzien in publieke belangen, niettemin is het mateloos uitbreiden van sociale wetten een begunstigen van het staatssocialisme;

120. dat de Kerk zich niet kan verzoenen met het zooeven geschilderde syndicalisme, omdat zij altijd zal veroordeelen iedere schending van andermans rechten, zoowel van patroon als van arbeiders, zoowel van individuen als van de gemeenschap, ook al wordt die schending bemanteld onder de schoonste voorwendsels van medelijden met den arme en van bezorgdheid voor het algemeen welzijn.

Welnu, zoo vragen wij, waarin is de minste tegenspraak gelegen met de pauselijke documenten ? Wie ziet in deze stellingen niet veeleer een volkomen overeenstemming met de pauselijke grondideeën en bedoelingen?

Hierop antwoorden onze tegenstanders, dat zij maar niet in het vage de bewering hebben opgesteld, dat onze artikkelen in strijd zouden zijn met den geest dei éncyclieken, maar dat zij die bewering met citaten uit die pauselijke stukken hebben gestaafd.

Vooreerst zou volgens ons in het economisch leven alles uitstekend in orde zijn; de betrekkingen tusschen patroons en arbeiders zouden niet alleen rechtens maar ook feitelijk rechtvaardig geregeld zijn. Indien dat zoo is, dan zijn va'kvereenigingen overbodig. Welnu, is er wel iets, zoo vragen zij, meer in strijd met de pauselijke stukken dan zulk een wijze van denken ?

Ten tweede, wij zouden ons verklaard hebben tegen sociale wetgeving, en staatstusschenkomst zelfs bespottelijk hebben voorgesteld. Wie ziet niet, zoo vragen zij, hoezeer zulks in strijd is met Reratn Novarum, waarin Lf.O XIII zoo krachtig de staatstusschenkomst bepleit ?

Ten derde, onze artikelen zouden zeer partijdig geweest zijn ten gunste der patroons en ten nadeele der werklieden. Wie zou durven ontkennen, hoezeer dit strijdt met de pauselijke documenten, waaruit juist de teederste liefde en de grootste bezorgdheid spreken voor het lot der arbeiders en der verdrukte klassen P

(Wordt vervolgd).

BERICHTEN EN MEDEDEEL INGE N.

DE ECONOMISCHE GEVOLGEN VAN DEN OORLOG.

In een vergadering van de Vereeniging van ambtenaren in dienst, van de gemeente Rotterdam heeft prof. mr. G.