is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 14, 1915, no 24, 12-06-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KATHOLIEK SOCIAAL WEEKBLAD.

en vereenigingen zullen den landbouwers geen hoogeren prijs berekenen dan f 15.60.

Ten gevolge van het uitbreken van den oorlog ondervond de invoer van thomasslakkenmeel en van superphosphaat uit het buitenland reeds dadelijk, tengevolge van het bestaande uitvoerverbod in Duitschland en België, groote moeilijkheden.

Het werd al spoedig duidelijk, dat voor de behoefte aan phosphorzuurhoudende meststoffen zoo goed als uitsluitend rekening gehouden zou moeten worden met de productie der Nederlandsche superphoisphaatf abrieken.

Uit een met medewerking van het Nederlandsche Landbouw-Comité ingesteld onderzoek bleek, dat de vermoedelijke behoefte 125.000 tons zou bedragen. De 6 in Nederland gevestigde fabrieken namen op zich de eerste 80.000 ton te leveren voor een prijs, varieerend van f 3.10 tot f 3.20; met het oog op de steeds stijgende productie kosten werd die prijs later eenigszins hooger gesteld.

Dat de productiekosten stegen was een gevolg van de groote bezwaren, waarmede de aanvoer van grondstoffen, ruw phosphaat en pyriet, maar hoofdzakelijk zwavelzuur, gepaard ging. Dit zwavelzuur wordt in gewone tijden in hoofdzaak uit België betrokken, maar de Duitsche autoriteiten legden beslag op alle voorraden en het kostte de grootste moeite eenigszins belangrijke partijen van daar te betrekken.

Gelukkig slaagden de onderhandelingen met de Duitsche Regeering om een niet onbelangrijke hoeveelheid superphosphaat uit België naar Nederland door te laten, welke vervolgens naar een door de Nederlandsche Regeering goedgekeurden maatstaf ter beschikking van den handel werd gesteld.

Aan de behoefte aan superphosphaat is nog wel niet ten volle, maar toch in een belangrijk deel voldaan.

Dank zij de medewerking der Duitsche Regeering zijn er belangrijke partijen patentkali en 20 pet. kalizout hier te lande aangevoerd. In de volle behoefte is echter nog niet voorzien.

Voortgegaan is op den weg, geschetst in de economische nota betreffende den toestand op 1 Januari, om te trachten van Regeeringswege al het mogelijke te doen, om den aanvoer van de door de nijverheid benoodigde grond- en hulpstoffen en den afvoer van producten te bevorderen.

Dat de maatregelen die te dien opzichte genomen zijn, in het algemeen met succes bekroond zijln, blijkt voldoende uit het gunstige beeld, dat van de eigenlijke nijverheid kan gegeven worden.

Ook in deze periode wordt voortgegaan met het stelsel, het wegvloeien van voorraden te voorkomen door middel van uitvoerverbod, getemperd door uitvoerconsenten.

Groote hulp werd daarbij ondervonden van de Nederlandsche Overzeetrust-Maatschappij, die haar werkkring na 1 April nog belangrijk uitbreidde, waaromtrent in een volgende nota het noodige zal worden medegedeeld.

Toen de Regeeringen van Frankrijk, Groot-B rittanie en Ierland verlangden, dat goederen, die uit Nederland aan die Rijken zouden verzonden worden, van een certificaat zouden vergezeld worden, waaruit zou moeten blijken, dat die goederen van Nederlandschen oorsprong of van Nederlandsche nijverheid afkomstig zijn, werd door mijn ambtgenoot van Financiën de volgende regeling getroffen:

Hij die een oorsprongcertificaat verlangt, wendt zich ter bekoming daarvan tot den inspecteur der invoerrechten en accijnzen, in wiens ressort zijn bedrijf uitgeoefend wordt, onder opgaaf van soort en hoeveelheid der goederen, brutogewicht en soort, getal en merken der colli's, alsmede van den naam van het zeeschip waarin de goederen zullen worden uitgevoerd, en van den datum waarop en de havenplaats vanwaar dit zeeschip zal vertrekken.

Die inspecteur onderzoekt of de goederen inderdaad van Nederlandschen oorsprong of Nederlandsche fabrikaat zijin, tot welk einde hij, voor zooveel het betreft accijnsvrije goederen, tevens vooraf overleg pleegt met den inspecteur van den arbeid, in wiens district het bedrijf van den aanvrager uitgeoefend wordt. Voorts onderzoekt hij, voor zoover het betreft goederen die naar Frankrijk worden verzonden, of de goederen hier te lande in doorvoer of met tijd-c 1ijken vrijdom van invoerrecht aanwezig zijn, of wel zijn opgeslagen in een entrepot, waar zij met buitenlandsche goederen in aanraking zouden kunnen komen.

Blijken de goederen niet van Nederlandschen oorsprong of nijverheid te zijn, of bestaan ten aanzien van goederen voor Frankrijk evenbedoelde omstandigheden, dan moet het certificaat geweigerd worden.

Bovenbedoeld certificaat wordt door den inspecteur van invoerrechten en accijinzen, in wiens ressort het bedrijf van den aanvrager uitgeoefend wordt, voor zooveel noodig ingevuld (naam van het zeeschip en datum van vertrek kunnen door den ontvanger ter havenplaats worden ingevuld) voorzien van een volgnummer, en gesteld op zegel van ten minste f0.50 in hoofdsom aan den belanghebbende afgegeven. Gelijktijdig zendt de genoemde inspecteur een door hem voor deugdelijk onderteekend (ongezegeld) afschrift van het certificaat, voorzien van hetzelfde volgnummer als het origineel, aan den ontvanger der invoerrechten en accijnzen op de plaats _ waar het zeeschip wordt geladen.

De belanghebbende zal er voor hebben te zorgen dat het origineel certificaat door bemiddeling van de betrokken zeescheepvaartonderneming aan laatstbedoelden ontvanger ter verdere invulling en afteekening wordt aangeboden, terwijl evenvermelde onderneming de zorg zorg op zich moet nemen voor legalisatie of viseering door den buitenlandschen Consul.

Door de Nederlandsche Arbeidsbeurs te Oberhausen werden van 1 October 1914 tot 1 Mei 1915- 1156 Nederlandsche arbeiders geplaatst.

In bijlage IV is aangegeven uit welke gemeenten deze lieden kwamen.

Het normale aanvangsloon voor een ongeschoold arbeider is 4 mark tot 4.50 mark per dag, terwijl voor volle kost en inwoning in het nijverheidsgebied tegenwoordig 2.25 mark tot 2.75 mark per dag berekend wordt, zijnde 0.45 tot 0.65 mark meer dan vroeger.

In bijlage III wordt een overzicht gegeven van den steun, die aan de werkloozen wordt gegeven door middel van het Centraal bureau van werkloosheidverzekering, verbonden aan het Departement van Financiën.

Tot 1 April werden in 77 gemeenten tijdelijke werkloozenfondsen opgericht.

De bedragen, die aldus uitgekeerd werden en voor rekening van Rijk en gemeente gebracht werden, beliepen in Februari f 238.000 en in Maart f 235.000.

Omtrent de verdere bijizonderheden wordt verwezen naar genoemde bijlage III.

De verdere ondersteuning had plaats door de plaatselijke steuncomité's in de verschillende gemeenten.

Vaak komt het Kon. Nat Steuncomité aan deze co mite's tegemoet door een zeker percentage aan de uitgaven ter leniging der plaatselijke nooden bij te dragen.

In de laatste week in Maart werd door de centrale organisatie een bedrag van f 74.000 aan de plaatselijke comité's uitgekeerd.

Bovendien komt dit comité nog tegemoet door het geven van belangrijke bijdragen ten behoeve van kleeding, dekking enz.

Binnen korten tijd zal er door het secretariaat van dat comité een uitgaaf verspreid worden, die ook zal worden