is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 1, 01-01-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter het deftige paar, nog even buiten den toegang tot de fuik, zien we een paartje, dat op het punt is binnen te treden ; ze loopen niet gearmd, zoodat de „vrijster" met de linkerhand ter sluiks een' brief kan aannemen, dien een jongentje haar van achteren toesteekt. Wij hooren van haar dat in haar teere jaren — toen de gulle jeugd zich het eerst openbaarde — een hupsch gezel, dien zij dikwijls sprak, een vreemd gevoel om hare jonge ziel bracht. Hij scheen evenwel niet tot een besluit te kunnen komen, zoodat zij niet wist, of liij enkel om een praatje of pour le bon motif „om de daet" kwam. Zij werd ondertusschen een daagje ouder en er deed zich iemand op, die „wat harder aanbeet." Zij liet dus naar zijn aanzoek hare zinnen gaan. Nu zij echter op weg is ten huwelijk, doet zij den gang schoorvoetend. Haar hart zweeft omtrent haar eersten vriend. De juist ontvangen brief schijnt den doorslag te geven :

Den kans, by ons bedacht, die moet ick heden wagen,

Al sou ick 't naderhandt veel duysent mael beklagen.

Ick sie wat my betaemt, en waer ick heden ben,

Noch doe ick evenwel, dat ick voor ondeucht ken.

Welke kans dat is, vernemen we niet; uit den laatsten regel kunnen wij evenwel eenigszins opmaken, wat het lot van haar metgezel wezen zal. Hier schijnt Cats , wien we zoo vaak zouden willen toeroepen : „Glissez , mortel(s) , n'appuyez pas" ons toe te fluisteren : „A bon entendeur, demi-mot suffit".

Ter zijde van de fuik zien we hoe een jonkman een aardige deern wil meetroonen , niet naar de fuik, maar daarbuiten. De flinke meid zegt hem, dat zij de rechte baan wil houden ; op een ongebaand pad struikelt men al te gemakkelijk. Wie eens verdwaald is , slaat licht aan het hollen; daar is geen houden aan :

Voor my, ick ben gesint, een beter wegh te treden,

Een wegh van eerbaer-root en ook van goede zeden.

Ghy weet dat ick voor al geen buyten-wegen ken,

En soo ghy 't anders meent, soo laet my daer ick ben.

Zoo had ook moeten spreken , toen het nog tijd was, een keurig uitgedost meisje, dat niet veel verder gezeten is mot een gebroken maagdekrans op haar schoot. Zij had zich op weg naar de fuik ter zijde laten leiden; de maagdekrans is haar van het hoofd gevallen en nu zit zij ten spot van al het volk. Haar eveneens

3*