is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 22, 1899, no 2, 01-02-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIJDSCHRIFTEN.

De Gids, November.

Het boek, dat bij zijn verschijnen zoo veel van zich deed spreken, al was het nu juist niet om zijne deugden, Vincent Haman door Mr. W. A. Paap, wordt in de Letterkundige Kronie1; behandeld. Het vrij uitvoerig gemotiveerde oordeel luidt ongunstig en wij kunnen onzen lezers geen juister indruk daarvan geven dan door een kort, doch kenschetsend fragment aan te halen: „Een jaai of tien geleden zou het werk misschien, behalve een succes de scandale, een klein succes als roman hebben kunnen genieten, omdat er een type in geschetst werd, het type van een einde-eeuwschen jongen Nederlander, zooals wij dien in verschillende variaties meer dan eens hebben kunnen waarnemen. Maar sedert hebben Couperus, Coenen Robbers en anderen dat type met zooveel liefde, zooveel ernst en zooveel kunst voor ons doen leven dat er een even groote oorspronkelijkheid en diepte van opvatting, een even frissche kijk op dedingen, een even groot schrijvers-talent, als waarover deze auteurs te beschikken hebben, noodig ware geweest om voor Vincent Haman groote belangstelling te wekken. Het is niet aangenaam voor een schrijver om zoo achteraan te komen en zijn voedsel te moeten zoeken op een afgemaaid veld."

He Bibliographie wijdt eenige zeer waardeerende regelen aan de nieuwe (derde) uitgave van Het Land van Rembrand, het standaardwerk van Busken Huet. Yooral het feit dat het ditmaal geïllustreerd — onder toezicht van den bekenden Rotterdamschen archivaris J. H. W. Unger — het licht zag, geeft reden tot blijdschap. „En zoo komt dit boek, waarin de veelzijdigheid en de diepte vanHuet's eruditie uitblinken, in deze nieuwe uitgaaf, onder het teeken van den grooten kunstenaar, die door de onvergelijkelijke tentoonstelling zijner werken zooveel nader tot ons gebracht is, op den rechten tijd ons herinneren waar wij de adelbrieven van ons geslacht hebben te zoeken, hoe — naar Huet verklaart te willen aantoonen — „ons volk meer dan eens met zijn geheele ziel aan iets goeds en edels zich overgegeven, voor een hooger doel geleefd, voor het veroveren van ware beschaving zich offers getroost heeft."

Be aankondiging van het bundeltje Van Dichterleven door R ichard de Cneudt geschiedt op eenigszins spottend-hoffelijken