is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 15, 1916, no 18, 29-04-1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ducten, en waar het zijn mocht, zooals van sommige stapel-artikelen (graan, wol, aardappelen, kolen, hout) daar wordt het bijzonder snel betrokken in de algemeene prijsyerhooging.

De arbeidskracht echter profiteert, zelfs wanneer zij georganiseerd optreedt, niet bij benadering zoo snel en in die mate van de algemeene prijsstijging als alle andere goederen. De arbeidskracht als zoodanig bevindt zich dus gedurende het duurte-proces in een nadeelige positie tegenover de producenten als zoodanig. Maar niet slechts de arbeidskracht verkeert in deze ongunstige positie. Ook dat gedeelte van de bevolking, dat een vast inkomen heeft, hetzij uijt vaste bezoldiging, hetzij uit pensioen o(f als rentenier, wordt in die mate benadeeld, waarin de prijzen van alle goederen en diensten stijgen, aangezien de prijsstijging hem niets baat, doch slechts van een deel van zijn oorspronkelijke consumptie-kracht berooft. Dat de algemeene werkzaamheid en prijsstijging een teeken van bloei zou zijn, is derhalve slechts een illusie. Niet de groote massa profiteert er van, maar slechts diegenen, wier koopkracht het eerst en het krachtigst toeneemt, profiteeren ten koste van hen, ten aanzien van wie zulks het laatst en in de geringste mate het geval is. De bevolking in haar geheel gencmen, verandert er niets door. Tussehen hare afzonderlijke deelen evenwel heeft een verschuiving van de verhoudingen der inkomens en vermogens plaats, welker bedenkelijke gevolgen weldra van het sociale op het politieke terrein overgaan en hier een buitengemeen verderflijke uitwerking hebben.

De Staatsinrichting kan dus geen massa-productie van papiergeld verdragen, zelfs dan niet, wanneer dat geld niet als verderfelijk wordt beschouwd, en wanneer het zonder moeilijkheden kan worden uitgegeven en circuleeren.

Dit alles is van toepassing in tijden van vrede. Nog moeilijker is het met de zaak gesteld, — althans bij de nationaal begrensde huishouding — wanneer de Staat in een oorlog gewikkeld is. Want dan komt bij de ongewenschte feiten van ongelijke prijsstijging en antisociale vermogensverschuiving, nog bovendien het hier in 't bijzonder de aandacht vragende nadeel, dat de boven het normale uitgegeven betalingsmiddelen de reorganiseering van de vredes-huishouding in een oorlogshuishouding bemoeilijken.

De in de gedaante van ongedekte biljetten nieuw ter markt komende koopkracht, komt immers niet slechts den leveranciers van oorlogsmateriaal ten goede. Ook de andere industrieën profiteeren er van en wel in dubbelen zin. Vooreerst profiteeren zij indirect, daar de oude koopkracht voor haar behouden blijft, die eigenlijk van de private consumenten op den Staat behoorde over te gaan, en zich hier in vraag naar oorlogs-artikelen moest omzetten, die nu echter van den Staat verwijderd blijft, voor zoover deze zich door het uitgeven van nieuwe betalingsmiddelen, een bijzondere koopkracht fabriceert. En vervolgens profiteeren de industrieën direct, daar een deel van de nieuwe koonkracht langs den weg van het crediet ook op de, te

midden van den oorlog voor vredes-doeleinden produceerende industrieën overgaat. Wanneer de Staat uitsluitend putte uit de aanwezige geldreserves van het land, wanneer hij dus de koopkracht van een gedeelte van het oude geld voor zich opeischte, dan zou iedere penning, dien hij voor oorlogsdoeleinden uitgeeft, elders ontbreken, en iedere oorlogsbestelling zou het vervallen van een vredes-bestelling medebrengen. De omzetting der bedrijven en arbeidskrachten van het overbodige tot het noodzakelijke zou dan spoedig en afdoende voltrekken worden. Weliswaar zou de weg. dien de partijen bij den overgang van vredes-productie in oorlogsproductie te bewandelen hebben, voor velen van hen een lijdensweg zijn, waarop zij zouden te kampen hebben met gebrek aan arbeid, bedrijfsverlies en ontslag van arbeiders; een weg, die een sterk contrast vertoont met den uiterlijken welstand, dien het ongedekte papiergeld in het leven roept. Maar die lijdensweg is de natuurlijke en voor het nationale belang noodzakelijke.

De stijging der prijzen en loonen, waarin de nieuwe, vermeerderde koopkracht reeds in vredestijd wordt omgezet, wordt in oorlogstijd nog aanmerkelijk verscherpt, aangezien tegenover de geconcentreerde behoefte van den Staat aan oorlogsmateriaal geen overeenkomstige geconcentreerde oorlogs-industrie staat. De vredes-industrie, wier bestaansvoorwaarden men kunstmatig verbeterd heeft, is niet zonder meer genegen zich te reorganiseeren; daarvoor is noodig het lokmiddel van ongemeen hooge prijs-aanbiedingen. Bovendien is voor het bewerkstelligen van dezen overgang het ingrijpen noodig van een geheele reeks tusschenhandelaren. Deze elementen verhoogen den prijs der benoodigdheden van den Staat niet weinig, maar zij zijn onmisbaar, omdat zij in zekeren zin als agenten van den Staat dienst doen, in zoover zij de industrie door overreding en voorspiegeling van winst, vaak ten koste van veel moeite, er toe overhalen om van de gewone productie tot de productie ten bate van den Staat over te gaan.

Het resultaat is, dat de Staat vrijwel hetzelfde bedrag, dat hij zich in plaats van door leeningen en belastingen door de uitgifte van biljetten verschaft heeft, in den vorm van eene duurdere betaling van zijne reusachtige oorlogsbenoodigdheden, derhalve zonder nut voor zich zelf en voor de belastingbetalers, moet afgeven.

De verhoogde koopkracht door uitgifte van ongedekt papiergeld, brengt derhalve geen voordeel, doch loopt zelfs, bij langen duur van den oorlog, uit op • een deficit — op de eene uitgifte volgt dan meestal een tweede, een derde, en er is op het hellende vlak geen houden meer aan.

En aldus komt bij de algemeen huishoudelijke en sociale nadeelen van het stelsel nog de benadeeling van den Staat als oorlogvoerende partij. Weliswaar schijnt de Staat in 't voordeel te zijn tegenover de particuliere huishouding inzoover hij de eerste ontvanger der uitgegeven biljetten is, en hij over de koopkracht daarvan reeds vervoegen kan op een tijdstip, waarop zij hunne prijsverhoogende werking nog niet hebben uitgeoefend maar deze juist beginnen uit te oefenen. Maar dit