Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J869.

Twintigste Jaargang.

EENE NEDERLANDSCHE STEM

voob

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

13IX "O TIlOKH

P.. CXVI: 10.

Vrijdag, 2 April.

Het geloof is uit het gehoor.

Kom. X: 17.

De uitgave van dit Blad, onder Redactie van Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Abonnementsprijs per Kwartaal ƒ1.50, franco per post ƒ1.65. De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels/l.—, elke regel meer 15 Centen. — Zegelregt 35 Centen. Bijdragen, Brieven, enz. gelieve men franco te adresseren aan den uitgever H. DE HOOGH.

De opgestane Heer.

Luk. 24: 13-32.

De bedroefde twijfelaars; de vertroostende Meester; de vreugdevolle geloovigen; zietdaar de drie punten, waarop ik uwe aandacht voor eenige oogenblikken vestig.

Cleopas, waarschijnlijk de echtgenoot van Maria's zuster, en een andere discipel, wiens naam onbekend is — stel gij u zelren in^ zijne plaats — waren op weg naar Emmaus. Zij konden niet langer in Jeruzalem blijven, want het zien der priesters en oversten, bevlekt als zij waren met het bloed van den onschuldigen Meester, was hun onverdragelijk, en het was hun, als ging er van de straten der stad een gedurige kreet om wraak ten hemel op.

Zij zeiven waren diep ter nedergeslagen en zwaar bedroefd. Br is niets zoo verschrikkelijk als te moeten twijfelen aan iemand, dien men lief heeft. De volkomene liefde kent geene vreeze. Tot dusver hadden zij Jezus zeer lief gehad en hun volkomen vertrouwen op Hem gesteld; wat moet dan wel de schok geweest zijn, toen op eenmaal al hunne hoop en verwachting teleurgesteld werd! Jezus stierf aan het kruis, tusschen twee misdadigers; Hij werd begraven, en het scheen alles ten einde te zijn. Het was een droom geweest, een zoete droom, maar dan ook des te verschrikkelijker het ontwaken in het nuchtere daglicht.

Maar ofschoon zwaar geslingerd en tot in de grondslagen door wreeden twijfel geschokt, was er toch iets in hunne harten dat nog leefde.

De liefde tot den Gestorvene was niet eene zaak van voorbijgegane dagen. Wonderbaar is de magt der liefde. Zoo gij door twijfel aangevallen wordt, zoo het werk en de persoon van Christus u duister toeschijnen, onderdrukt den opkomenden twijfel van hart en verstand niet, maar zoo gij kunt, hebt lief, o hebt lief zooveel gij kunt. Voor menigeen is de weg naar het paleis der waarheid door de poorten des twijfels. De ernstige zoeker zal vinden; de ernstige twijfelaar zal verstaan. Voor den opregte zal er

licht opgaan.

Zij spraken over de dingen van den Meester; was niet hun hart vol van Hem. Het is eene gezegende zaak over Hem te spreken; zoo wij het meer deden zouden wij meer gezegend zijn. De biechtstoel is eene uitvinding van den duivel ; aan elkander te belijden wordt ons in de Schrift aangeraden. Dikwijls gaan twee naast elkander, die grooten zegen zouden hebben, zoo zij Jakobus woorden behartigden. Menige twijfel zoude opgeklaard, menig duister punt licht worden, menige treurende troost ontvangen.

En bovenal waar twee of drie over Jezus spreken, daar komt Hij zelf in hun midden. En terwijl zij spraken kwam Jezus. Was niet dat de Man der smarten? Eerst verscheen Hij aan de weenende Magdalena; daarna kwam Hij tot den

bedroefden Petrus, nu openbaart Hij zich aan de ter neder geslagene discipelen. Vóór Zijn sterven vertroostte Hij steeds de treurenden; nadat Hij door al Zijn lijden gegaan was scheen het, dat Hij zich meer dan ooit tot de lijdenden getrokken voelde. Zoo gij diep bedroefd zijt is Jezus u nabij.

Zij kenden Hem niet, maar Hij kende hen. Hij wist alles. 0 welk een troost ligt er in die woorden: Hij kent de Zijnen.

Christus ligchaam was in eenen overgangstoestand; ook moesten zij leeren, dat de waarheid steeds de waarheid blijft, onafhankelijk van gezag en van den verkondiger, en dat Jezus, ofschoon ligchamelijk niet op aarde, evenzeer nabij de geloovigen kan zijn als vroeger.

De vreemdeling deed hun eene vraag. Hij scheen hun vertrouwen in te boezemen; zij beleden alles: hun geloof en twijfel, hun wantrouwen en vertrouwen, hunne begeerte, teleurstelling en liefde.

ü dat wij allen ons hart voor Jezus uitstortten zoo als zij.

Het kruis was hun eene ergernis, en de opstanding konden zij niet verstaan. Val hen niet hard. Zoo er iemand is, die zijn heil zoekt buiten den Gekruiste, die op den Paaschmorgen sluimert in het graf der zonde, dan is hij even schuldig, ja schuldiger dan de discipelen van Emmaus. Zij waren dwazen, niet omdat zij geweigerd hadden naar de vrouwen of de engelen te luisteren, maar omdat zij de profeten niet geloofden. Zoo gij het woord Gods niet gelooft, — en hebt gij niet meer dan zij ? want zij hadden slechts het Oude Verbond, — zullen teekenen en wonderen u niet in een geloovige herscheppen.

Dwazen zijn wij, en zoo wij dit diep gevoelen, zijn wij wijzen. Wij moeten meer en meer leeren, dat Christus overal in de Schrift is. Hij is het^ middelpunt, de ziel der Schrift. Zonder Hem is de Schrift een lijk; zonder de Schrift is Hij eene schaduw, die in elkander valt. Wanneer het licht uit den Hooge op ons valt, wanneer de Geest ons in de Schrift leidt, dan zien wij, dat het geheele Oude Testament van Genesis tot Maleachi een Christus ademend boek is.

En wij zijn traag van harte. Slechts langzaam komen wij er toe Christus aan te nemen in eenvoudig geloof, zoo als Hij ons in de Schriften geopenbaard is. Wij moeten allen meer het Woord Gods lezen en onderzoeken met het oog op den Heer des Woords.

Zoo wij het woord meer biddend lazen, zouden wij niet zoo traag zijn. Zoo gij niet eet zult gij zwak worden; verwondert het u dan, zoo uwe ziel zwak en traag is, indien gij slechts nu en dan een weinig voedsel neemt ? Christus leidde hen in de Schriften; Hij doet het ook nu door Zijnen Geest. En terwijl Hij sprak klaarde de nevel van twijfel op, en verdween de droefheid van hun gelaat. Wie is die vreemdeling ? Met de beleefdheid van het Oosten vragen zij niet

T O 0 II KINDEREN.

Faaschlied.

Doodsche stilte, heil'ge vrede

Heerschte nog bij 'sHeilands graf, De engel, die zijn legerstede Komt ontsluiten, breekt haar af.

In een sneeuwwit kleed verschenen,

Als de bliksem in 't gelaat,

Vlugt de grafwacht ijlings henen, Tot bewaking buiten staat.

't Graf is voor den Heer ontsloten!

Halleluja! Hij herleeft!

En verschijnt Zijn gunstgenooten,

Wien het weerzien blijdschap geeft.

De engel, bij het graf gebleven,

Meldt het hun, die grafwaarts gaan: «jezus is weer in het leven!" Hij is waarlijk opgestaan."

O, welk een onschatb're waarde Had zijn weerzien hier beneên,

Toen de Heer zich openbaarde Aan Maria MagdaieenI

Aan den Jonger, die zijn lijden

Door verlooch'ning had verzwaard; 'tElftal, dat Hij kwam verblijden,

Toen het zamen was vergaard.

Naauw aan hunnen Heer verbonden,

Die van twijfling hen genas,

Als zij 'tniet gelooven konden,

Dat H|j weer verrezen was.

Toen Hii toonde zijde en handen,

Waarin men 'tgetuig'nis las,

Dat Hij uit de doodsche banden Opgestaan en levend was!

Ja! voor al Zijn lievelingen

Was 't een dag van zaligheid.

'tPaaschlied mogt toen troonwaarts dringen, Hemelvreugd was hun bereid 1

Kindren! Jezus is verrezen i

't Zij voor u ook juichensstof,

Zijne liefde, aan u bewezen,

Dringe u tot dien dankb'ren lof.

Eng'len zongen Hem ter eere

In den P a, s c h a-morgenstond,

Dat uw lof hun roem vermeere,

Yloeije 'tuit uw hart en mond.

naar Zjjn naam. Wie is het, die spreekt als zij nooit iemand gehoord hadden, behalve den grooten Profeet, die helaas! in de armen des doods sluimert. Zij weten het'*[niet, zij vragen het niet, terwijl hun harte brandt.

En nu zijn ze nabij hun huis, en de vreemdeling [schijnt verder te willen gaan. »0 zoo Hij slechts binnen treden wilde." De weg was hun zoo kort geweest; zij konden het niet begrijpen, dat zij te huis waren. Blijf bij ons, vragen zij en smeeken zij, daar Hij denkende dat het slechts een vorm van beleefdheid was, in het eerste oogenblik hun 'aanbod scheen te willen weigeren. Reeds dalen de'avondschaduwen neder.

Hij gaat binnen — Lot herbergde engelen en wist het niet; zij hebben den Heer der engelen, en weten het niet. De tafel wordt gedekt, de gastheer maakt zich gereed den gast te helpen. Op eenmaal wordt hem het werk uit de hand genomen ; de vreemdeling zelf neemt het brood, zegent en breekt het — deed Hij hetjniet even als zij het Jezus hadden zien doen ? Daarop geeft Hij het hun, en terwijl Hij de hand uitstrekt, zien zij de likteekenen van onlangs genezen wonden.

Die doorboorde handen — zij kunnen slechts aan één toebehooren. Hunne oogen worden geopend; zij herkennen Hem, en terwijl zij aanbiddend nederzinken, verdwijnt Hij uit hunne oogen.

Wanneer Jezus te gast komt is Hij steeds de gastheer. Hij geeft ons veel meer dan wij Hem geven; Hij geeft ons steeds boven bidden en denken.

Zij staan op van de tafel. De mannen, die uit Jeruzalem als bedroefde twijfelaars gegaan waren, gaan van Emmaus naar Jeruzalem als vreugdevolle geloovigen en blijde belijders.

A. S.

De zevende Bazuin.

Er staat geschreven: Openb. 11 v. 15—19 En de zevende Engel heeft gebazuind, en er geschiedden groote stemmen in de hemel, zeggende: De koningrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijnen Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid.

En de vier-en-twintig ouderlingen, die voor God zitten op hunne troonen , vielen neder op hunne aangezigten en aanbaden God , zeggende: Wij danken u Heere , God almagtig, die is en die was en die komen zal! dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning hebt geheerscht.

En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen en de tijd der dooden om geoordeeld te worden, en om den loon te geven Uwen dienstknechten, den profeten en den heiligen en dengenen , die Uwen naam vreezen, den kleinen en den grooten; en om te verderven degenen, die de aarde verdorven.

En de tempel Gods in den hemel is geopend

geworden, en de arke Zijns verbonds is gezien in Zijnen tempel, en er werden bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel."

De zevende Bazuin is bijzonder gewigtig. Bij eede is daarvan door den sterken Engel , hoofdstuk 10 v. 7 betuigd: »in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijnen dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft."

De tijd der voorbereiding en ontwikkeling is voorbij, en de tijd der beslissing is gekomen; de groote ontknooping der menschelijke geschiedenis , het heerlijke doel, dat in het Oude Verbond werd afgeschaduwd, hetwelk de Heere Jezus bij Zijn verlossingswerk op het oog had, hetwelk de apostelen bezielde , waarnaar de eerste Christengemeenten jaagden, en hetwelk de Christenkerk trachtte te bereiken, dat heerlijke doel zal nu binnen de weinige jaren der 7de Bazuin verwezenlijkt worden. Het raadsbesluit Gods, zoo vele eeuwen verborgen , zal luisterrijk worden geopenbaard. Het is geen ander dan het onderwerpen van alle magt en gezag op aarde aan den Heer en Zijn Gezalfde: — Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid.

Maar deze tijd is ook die, waarin de verborgenheid der ongeregtigheid openbaar wordt en de werken der duisternis aan het licht worden gebragt. Dit erkennen de 24 oudsten in de woorden: »De volken (heidenen) waren toornig geworden". In Psalm 2 is dit reeds voorspeld. 1) De daarin bedoelde bewuste en uitgesproken opstand der menschen tegen God en Zijn Gezalfde , waarin zij met al hunne kracht tegen den Heer en Zijn werk op aarde, een strijd op leven en dood zagen, zal geschiedenis worden in den tijd der 7de bazuin. Daarin wordt de volle rijpheid der menschelijke boosheid openbaar en is ook bij God de tijd Zijns toorns gekomen. De tijd van Gods geduld, de tijd waarin Hij de volken door kastij dingen tot bekeering noodipde, is voorbij, en nu komt het oordeel der verharding, de openbaring van Gods toorn. Afgescheiden van de ontwikkeling van Gods rijk , bestaat alzoo de inhoud der 7de bazuin volgens de woorden der 24 oudsten uit twee stukken.

Het eerste omvat den toorn der volken, den opstand der natiën tegen God en Zijn werk op aarde. Het tweede handelt over den toorn Gods, het eindoordeel over de volken brengende.

Deze beide zaken zijn in de profetie duidelijk onderscheiden. De eerste wordt behandeld in de geschiedenis van het beest uit de zee, en de tweede in de 7 fiolen van Gods toorn. Ook in den vorm der voorstelling zijn ze onderscheiden.

Immers de geschiedenis van het beest uit de zee bevat weinig beeldspraak, terwijl die der fiolen geheel in beeldspraak is beschreven. Deze verdeeling der profetie in twee onderscheidene

1) De Psalmen van hunne profetische zijde beschouwd worden door mij behandeld m het blad: Maran-atha.

Looft Hem, ware volgelingen

Van den weer verrezen Heer! Dan zult ge eeuwig 't loflied zingen In den hemel Hem ter eer!

Heeft iemand in zijn vroege jeugd

De dienst van God verkoren,

Het is een dienst, die 'thart verheugt, Komt haastig kindren! smaakt die vreugd, Ze is u van God beschoren.

Gij jongheid! die zoo tobt en klaagt,

En worstelt zonder krachten,

Terwijl de duivel u belaagt,

En 'tongeloof uw vaart vertraagt:

Voort! Jezus staat te wachten.

Voort, jonge hemelzoekers, voort!

Laat al het eigen vallen,

En dringt door de enge hemelpoort,

Daar wordt de bangste, op Jezus woord, De vrolijkste van allen.

Op! eer de leeftijd u ontschiet,

W\j allen moeten blaken!

De laauwheid voegt de jongheid niet: Die 't eerst op Jezus liefde ziet,

Zal 't eerst aan 't gloeijen raken.

Betoon, o God, uwe oppermagt, Geen jongheid zet U perken, Och mogt men Uw genadekracht, Aan 'tjonggeboren Godsgeslacht Eens luisterrijk bemerken 1

Die God niet kent, is dwaas bij al zijn weten. Zijn beste werk mag boosheid heeteuc Hoe hoog hij ook Zijn pogen schat ;

Maar hij, wien God Zijn wil doet weten, Die mag de ware wijze heeten,

Hij treedt op 't zalig hemelpad.

Mijn Herder houdt getrouw de wacht,

Hij zorgt voor Zijne schapen, Men zag Hem daarvoor dag of nacht,

Nooit sluimeren of slapen;

Wat is die Opperherder goed!

Hij kocht Zijn kudde met Zijn bloed, En stelt voor haar Zijn leven;

Terwijl de huurling trouwloos vliedt, Wil Hij Zijn dierbre schaapskooi niet Verlaten of begeven.

Sluiten