Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook Roomschen het Evangelie te doen hooren, en zijn reeds zeer dikwijls de aanleiding geweest tot overgangen uit de Roomsche Kerk. Ook bij de begrafenis van de bovenbedoelde Protestantsche vrouw was een talrijke menigte tegenwoordig geweest, die stil en aandachtig naar de toespraak van Ds. A. had geluisterd.

Frankrijk. Het verschijnsel, dat een aantal mannen van naam en talent, zooals Renouvier, Pillon, Bouchard, Réveilland, enz. om der wille van de vrijheid uit de Roomsche Kerk tot de Protestantsche zijn overgegaan, en ook anderen Het nadruk tot dien overgang opwekken, blijft voortdurend de aandacht trekken. Van den aanvang af is die beweging door de Protestantsche bladen zeer toegejuicht, ook met name door de orthodoxe, omdat die nieuwe Protestanten, voor zoover zij het geloof der Hervormde Kerken fiiet deelden, ook volstrekt niet begeerden eenigen invloed op haar uit te oefeDen, maar alleen bescherming zochten tegen het ultramontanisme. En thans wordt van de zijde der vrije Hervormde Kerk met ernst er op aangedrongen, dat toch ook het volk in dien zelfden geest bewerkt worde. Ten behoeve van meer ontwikkelden wordt reeds door eenige der bovenbedoelde heeren een maandschrift in het licht gegeven; maar, zegt men, voor het volk is een dag- of weekblad onmisbaar, waarvoor dan wel geen betere titel zou te vinden zijn dan de naam van »De auti-clericaal," en tot welks oprichting en instandhouding zeer zeker schrijvers en geldmiddelen niet zouden behoeven te ontbreken. Natuurlijk zou een dergelijk blad vooreerst hoofdzakelijk eene negatieve strekking hebben, en positief slechts aandringen op oprechtheid en op het innemen eener zuivere positie; maar reeds dat, zoo meent rnen, zou veel nut stichten, en ten slotte van zelf aan het Evangelie ten goede komen. Misschien zal die opwekking wel den noodigen Weerklank vinden; want ieder is wel overtuigd, dat men anders moeit-lijk op de groote menigte zal kunnen werken: als men haar bereiken wil, is in Qnzen tijd een dag- of weekblad het beste en vaak het eenige middel.

Zwitserland. De vraag, of een predikant al dan niet uitsluitend recht heeft om over zijn kansel te beschikken, heeft in het kanton Geoève dezen winter wel eens aanleiding gegeven tot moeielijkheden. Daarbij werd beslist, dat dit recht inderdaad aan den predikant niet kon ontzegd worden. Maar thans heeft de Groote Kaad een wetsontwerp gereed gemaakt, waarin ain de Kerkeraden meer maent wordt toegekend. Deze zouden in het algemeen gerechtigd Worden, voor alles wat tot de openbare godsdienstoefeningen behoort, te zorgen; waarbij slechts de beperking gevoegd wordt, dat de Kerkeraad niet meer dan eenmaal per maand den dienstdoenden predikant kan doen vervangen. Over die ééne beurt zou de Kerkeraad dan telkens de volle en vrije beschikking hebben. Ten gevolge van den toestand der Staatskerk in Genève zou daardoor de macht, die de Staat over de Kerk toch reeds heeft, nog weêr toenemen, en de voörstanders van kerkelijke vrijheid hopen dus, dat het volk die wet zal verwerpen,

Spanje. Een Duitsche uitgever heeft onlangs een begin gemaakt met de uitgave van een belangrijk en nuttig werk. Onder den titel van sBouwsteenen voor de geschiedenis der GustaafAdolf-Vereeniging", zal hel in 7 of 8 deelen, die door verschillende schrijvers bewerkt worden, een uitvoerig overzicht geven van hetgeen er, niet slechts door de genoemde Vereeniging, maar ook door anderen, ten behoeve van kerken en scholen onder geloofsgenooten, die in de verdrukking zijn, gedaan is en gedaan wordt; waarbij dan bedoeld wordt, niet slechts dien arbeid te doen kennen en tot deelneming daaraan op te wekken, maar ook de lezers te stichten en in hun geloof te versterken. Het reeds verschenen eerste deel handelt over Spanje, en geeft in 9 hoofdstukken de geschiedenis van het Evangelie daar te lande, van de oudste tijden der Spaansch-Christelijke Kerk tot op den tegenwoordigen tijd. Schoon en treffend is daarin o. a. de beschrijving van de werkzaamheid der inquisitie in de 16e eeuw, en de mededeelingen omtrent het leven en den arbeid van Matamoros, Carrasco en anderen uit onze dagen. Wat den tegenwoordigen toestand betreft, blijkt Uit dit geschrift o. a., dat er thans Protestantsche kerken, en meerendeels ook scholen, zijn te Madrid (ten getale van drie), te Barcelona (ten getale van zes), te Cadix en Malaga (ten getale van twee) en voorts in Sevilla, Cordova, Jerez, Granada, Minoria, Corrunaz enlznatoraf; terwijl nog op 35 andere plaatsen zendingsposten zijn, waar geregeld het Evangelie gepredikt wordt. In Madrid is ook een Evangelische boekhandel, die van jaar tot jaar meer te doen krijgt. En voorts zal tezelfder plaatse een§ seminarie tot vorming van leeraars geopend worden, zoodra de daarvoor noodige middelen gevonden zijn.

Duitschland. In Erlangen heeft zich een comité gevormd, dat door middel eener stichting de namen der dezen winter overleden hoogleeraren Von Hofmann en Thomasius in dankbare gedachtenis wil houden. Het wil daartoe een kapitaal bijeenbrengen, onder den naam van Von Hofmann-Thomasius-fonds, waarvan de renten zullen in staat stellen tot het jaarlijks uitschrijven van prijsvragen voor de studenten in de godgeleerdheid te Erlangen. Zoowel om de ftamen der twee mannen naar welke het fonds heeten zou, als ook omdat er aan die hoogeBchocl tot nog tce geene middelen waren tot het uitschrijven van zulke prijsvragen, vindt die onderneming aanvankelijk reeds veel aanbeveling en steun.

Engeland. Op 22 Maart 1.1. was het juist 500 jaar geleden, dat Johannes Wycliffe, de bekende voorlooper der Hervorming, in groot gevaar was een slachtoffer te worden van de vervolging der Roomsche Kerk, maar aan het hem bedreigende gevaar nog in tijds ontrukt Werd, vooral door de gewapende tusschenkomst van de Londensche burgers. In de hoofdstad is die gedenkdag niet onopgemerkt voorbijgegaan; en er zijn zelfs een betrekkelijk groot aantal samenkomsten, lezingen en godsdienstoefeningen tot gedachtenis gehouden. Natuurlijk hadden die alle op Wycliffe; betrekking, op zijn persoon, zijn leven, zijne werkzaamheid, zijne geschriften, zijn tijd, enz. Bij eene van die samenkomsten werd ook gesproken van den snachtigen invloed dien het ritualisme, en dus de Roomsche geest, op de Anglicaans jhe Kerk thans uitoefent; en naar aanleiding daarvan werd er met nadruk op gewezen, Jat de strijd, die door Wycliffe begonnen was, thans noodzakelijk moest vernieuwd worden, opdat de Protestantsche voorrechten, waarin men zich nu verheugde, voor het nageslacht niet verloren zouden gaan.

— In Ierland komt de vraag ter sprake, of eene vereeniging van de Episcopaalsche en

Presbyteriaansche Kerken niet mogelijk en raadzaam zou wezen. In beide Kerken telt zulk eene vereeniging mannen van invloed onder hare voorstanders; en in beide Kerken is zij ook onlangs bepleit door bladen, die eenigszins als kerkelijke organen kunnen beschouwd worden. In het afgetrokkene is tr voor vereeniging zeker altijd veel te zeggen. Maar dat alles beteekent toch niets, wanneer men te doen heeft met elkanders uitsluitende beginselen. En nu schijnt in dit geval de quaestie van beginselen nog volstrekt niet behandeld te zijn, zoodat alle grondslag voor de gewenschte vereeniging eigenlijk nog ontbreekt.

Noorwegen. De Chrisielijke Kerk hier te lande heeft onlangs een groot verlies geleden door het overlijden van een man, die in zijn betrekkelijk korten levensloop ontzaglijk veel voor het. Koninkrijk Gods heeft gedaan. De ook buitenslands niet onbekende P. L. Harem stieif op 23 Maart 1.1., op den leeftijd van nog niet eens 38 jaren. Van der jeugd af vol van geloof en van liefde, heeft hij op allerlei gebied met grooten ijver en met grooten zegen voor het Evangelie gearbeid. Toen hij zijne studiën in de godgeleerdheid te Christiania voleindigd had, wijdde hij zich eerst aan de zending onder Israël. Hij doorreisde bijna het geheele land, en wist overal ijver voor die zending op te wekken; tengevolge van zijn arbeid is zij inderdaad zaak der Kerk geworden; en hij hield de belangstelling levendig door een daartoe bestemd zendingsblad, dat hij tot zijn dood is blijven redigeeren. Van de voor die opwekking ondernomen reis in de hoofdstad teruggekeerd, trok hij zich inzonderheid de jongelingschap aanstonds aan. Ondersteund door vermogende vrienden, stichtte hij een groot en fraai gebouw, waarin 30 studenten konden gehuisvest worden, nam bij voorkeur dezulken, die te midden der verzoekingen het meest alleen stonden, daarin op, en verschafte hun onder zijne eigene leiding een waarlijk Christelijk tehuis. Ook daarbuiten kwam hij gedurig noodlijdende of diepgezonken studenten te hulp, en heeft inderdaad velen mogen helpen of redden. Des Zondags gaf hij zijn namiddag aan jeugdige handwerkslieden; en uit die samenkomsten is eene Christelijke Jongelingsvereeniging voortgekomen, de eerste in geheel Noorwegen, en weldra de aanleiding tot de oprichting van een aantal andere. Hij had blijkbaar niet slechts groot genoegen in Christelijke werkzaamheid onder jongelingen, maar ook byzonderc gave om hen te trekken en voor Christus te winnen. Voor ouderen en volwassenen uit allerlei standen was hij daarom niet minder tot zegen; en hij was dat niet slechts voortdurend in de stad zijner inwoning, maar ook wederom voor het gansche land. Toen hij zag dat de zoogenaamde leekenprediking, bij al het nut dat zij stichtte, toch gevaar liep tot sectarismete leiden, kwam in 1867 vooral door zijn toedoen de Noorweegsche Lutherstichting tot stand, een genootschap voor inwendige zending, dat colporteurs uitzendt om op alle plaatsen Bijbels en Christelijke geschriften te verspreiden, en om alzoo onder vaste leiding te evangeliseeren. Harem was en bleef de ziel van die gansche werkzaamheid, en vooral door hem vond zij zoowel bij de geestelijkheid als bij de gemeenteleden groote waardeering en ondersteuning. Iatusschen was hij geenszins van oordeel, dat nu daarmede voor inwendige zending genoeg gedaan werd. Tegenover het gevaar dat zijn volk bedreigde door lezing van aan het Evangelie vijandige bladen, achtte hij Christelijke couranten onmisbaar. Reeds hadden eenige zijner vrienden in 1867 onder den naam van shet Vaderland" een Christelijk staatkundig blad opgericht; maar die onderneming ging niet voorspoedig, en dreigde weldra geheel te zullen mislukken. Harem nam haar daarop over, en onder zijne leiding werd het blad al spoedig een veel gelezen en zeer geacht orgaan van de pers. En toen later een der grootste dagbladen in onchristelijke handen dreigde te komen, vormde hij snel eene Vereeniging van aandeelhouders, kocht het blad, en nam ook nog die redactie met onvermoeiden ijver voor zijne rekening. Maar tegen zooveel werk zou ook zelfs het sterkste gestel op den duur niet zijn opgewassen. Harem zelf moest dat dezen winter erkennen, en had daarom eene beroeping naar eene kleine landgemeente aangenomen. Maar het was voor vermindering van werkzaamheid reeds te laat: na een kort maar

smartelijk lijden werd hij van al zijn arbeid door God afgeroepen tot de ware rust. Hoe men hem achtte en liefhad, bleek op 29 Maart bij zijne begrafenis. In zijn leven had hij dat gedurig ondervonden, zoowel van de zijde des Konings en van vele aanzienlijken en geleerden, als van de zijde der burgerij en der zoogenaamde volksklasse. En bij zijne begrafenis volgden duizenden uit alle standen, zoowel de bisschop en de minister, als de daglooner ende arme. Zijn naam zal in Noorwegen wel niet licht vergeten worden; en de vrucht zijner werkzaamheid blijft.

Amerika. Zoowel in New-York als in NewAlbany openbaart zich onder Roomschen een geest van verzet tegen de volstrekte overheersching van Rome. In eerstgenoemde stad wordt door een groot aantal Ieren de stichting van eene Iersche landskerk in Amerika gewenscht, en onlangs is zelfs eene talrijk bezochte samenkomst gehouden om daartoe plannen te beramen. En in New-Albany bestaat sedert verleden jaar een blad, dat veel door Roomsche priesters gelezen wordt, en dat zeer nadrukkelijk opkomt tegen de afhankelijkheid, waarin de Roomsche geestelijkheid geplaatst Is. In verband met die verschijnselen is het ook niet zonder beteekenis, dat in onderscheiden bladen de vraag behandeld wordt, of het niet noodig wordt, door de wetgeving paal en perk te stellen aan de opeenhooping van rijkdommen in de Roomsche Kerk. Wel is het bezit van goederen in de doode hand door de bestaande wetten reeds beperkt; maar de daarop betrekking hebbende bepalingen worden zeer gemakkelijk ontdoken, doordat schenkingen of erflatingen aan de Kerk eenvoudig gesteld worden op naam van een bisschop of aartsbisschop, en dan door deze aan hunne opvolgers weêr gelegateerd worden. Misschien zal daar in Amerika wel iets tegen te vinden zijn. In ieder geval gaat de Roomsche Kerk, ook met al die rijkdommen, toch niet overal vooruit. Met name New-Orleans, dat voorheen hare sterkste vesting kon genoemd worden, is dat thans volstrekt niet meer. Terwijl in die stad voor ruim 50 jaren nog geene enkele Protestantsche kerk werd gevonden, telt zij er thans 112, waarvan bijna een derde gedeelte aan de Baptisten behoort, eveneens bijna een derde aan de Methodisten, en de overige aan de Presbyterianen, de Episcopalen en de Congregationahsten. In de laatste jaren vooral is het aantal Protestanten zoo toegenomen, voor een goed gedeelte doordat zooveel negers en kleurlingen zich bij hen aansloten. R,

Uieutus.

Ia eene onlangs te Parijs gehouden voordracht over het Protestantisme, werd door Ds. Fish o. a. medegedeeld, dat in 1800 het Protestantisme nauwelijks 55 millioen aanhangers telde, terwijl de Roomsche Kerk er 130 millioen had. Thans echter zijn de Protestanten tot 117 millioen aangegroeid, en de Roomschen slechts tot 160 millioen. Denkelijk zouden er dus over niet zeer langen tijd meer Protestanten dan Roomschen zijn.

In Berlijj zijn thans 16 Zondagsvereenigingen, die bestemd zijn voor dienstmeisjes en voor jeugdige arbeidsters, aan wie in hare vrije uren een tehuis ontbreekt, en aan wie nu door de Verenigingen gezelligheid en Christelijke steun geschonken wordt. Ook in Leipzig is eene dergelijke Jongedochtersvereeniging, aan welke men thans de noodige uitbreiding zoekt te geven. En waarschijnlijk zullen ander; steden Van Duitschland dat goede voorbeeld weldra volgen. Het is te hopen, dat eene zaak, die zoo nuttig en noodig is, ook in Nederland door Christelijke vrouwen met ijver zal worden ter harte genomen.

Naar aanleiding van mededeelingen over langdurigen diensttijd van predikanten, wordt o. a. bericht, dat in Nieuw-Hampshire (Vereenigde Staten van Noord-Amerika), Ds. L. Ainsworth van 1782 tot 1858, dus gedurende 76 jaren, in werkelijken dienst is geweest. Hij bereikte den ouderdom van ruim 100 jaren.

De Evangelische zaal, die te Parijs bij het groote tentoonstellingsgebouw geplaatst wordt, zal denkelijk aan het einde dezer maand gereed zijn, en dan op 8 Mei a.s. worden ingewijd.

In Rome is de vrouw van den Engelschen Baptistenzendeling bepaaldelijk onder de bedelaars ijverig werkzaam. Eenmaal 's weeks verzamelt zij die, om hun het Evangelie te verkondigen; en bij het heengaan ontvangt ieder dan een snede brood. De toeloop is echter zoo groot, dat het werk haar te kostbaar dreigt te worden. Op soortgelijke wijze verzamelde een Evangelist der Waldenzen, op een dorp in den omtrek, zich een groot gehoor. Hij gaf namelijk aan iederen bedelaar die kwam luisteren een halven stuiver, en beloofde er nog een aan ieder die de volgende week terugkwam. De Waldenzen Kerk heeft zulk eene handelwijze afgekeurd, en aan allen die bij haar in dienst zijn verboden. Dat intusschen die toehoorders niet allen om der wille van het geld kwamen, bewees het gedrag van sommigen, die het geldstuk weigerden, terwijl zij verklaarden dat de goede woorden die zij gehoord hadden, reeds meer waard waren dan duizenden geldstukken. Van dezulken is voor de toekomst zeker iets te verwachten.

De heer Haksteen, die bezig is in Nederland voor het Belgisch Evangelisch Genootschap te collecteeren, bericht dat hij totnutoe bijna 4000 GU. hier ontvanpen heeft, meest door kleine giften bijeengebracht. Voor de zaak.. ilie het geldt, is te hopen, dat die som nog aanzienlijk vermeerderd worde.

i.>immihuuL

Leiden. Aandoenlijk en toch ook bekoorlijk was de avondgodsdienstoefening, die Zondag te Leiden gehouden werd in de Hooglandsche of Paucraskerk, met hare 'nooge gewelven en onlangs keurig gerestaureerden bouwstijl, Ds. Brouwer trad voor de eerste maal op na het overlijden van zijne 2sjarige eenige dochter, terwijl de gemeente, buitengewoon talrijk opgekomen, zong Psalm 103 vers 8 en de twee eerste regels van vers 9. In eene voorafspraak, telkens door schokken van droefheid afgebroken, schetste de bedrukte vader de laatste weken van de dierbare dochter, haar geloofsovertuiging en werkzaamheid, haar hoopvol heengaan tot haar Heiland en Heer; maar ook met innigen weemoed de hartewond, hemen den zijnen toegebracht, die tot den dood toe bleef; daarbij den troost, die hem geschonken werd, de hartelijke deelneming en belangstelling der gemeente, den steun van hare gebeden, de onderwerping, gelatenheid en eenswillendheid, aan hem verleend en verzegeld. Met het oog op zijn toestand en in verband met het doel der godsdienstoefening, dankzegging na het Avondmaal, sprak hij over het huis des Vaders en den weg daarheen, volgens Johannes 14 vers 2, telkens afgewisseld door hoog ernstige waarschuwingen, uitlokkende opwekkingen en behartigenswaardige besturingen, naar de behoeften en toestanden van zijne hoorders en hun verscheidenheid van levensopvatting, stand en weg, ervaringen en uitzichten. Aigewisseld door het zingen van Psalm 62 vers 5, Gezang 49 vers 4 en Gezang 187 vers 7, werd de godsdienstoefening besloten met het allervolmaakst gebed voor de geloovigen en den apostolischen zegen.

è'lUtdilUj.

töuitenlantr&cfyc BettMrig.

De Vereeniging ter bevordering van Maleisch Christelijke lectuur, te Batavia, gaf haar tweeen-twintigste verslag in het licht, waarin zij, niettegenstaande den geringen steun, die haar te beurt viel, toch van ruime stof tot danken aan den Heer kan gewagen. Duizenden traktaatjes werden verspreid. De bijbelsche almanak met een oplage van 1000 exempl. werd uitverkocht. Het debiet van Christelijke werkjes nam toe en van verschillende plaatsen in onzen O.-I. archipel kwamen aanvragen om lectuur. «000 exemplaren van het boekje »Soerat hoeroef akan mengadjar membatja" werden gedrukt. Een nieuwe uitgave van het werkje sMarihlah kapada Toehan Jesoes" ligt ter perse. 1000 exemplaren van den Heidelbergschen Catechismus zullen eerstdaags het licht zien en 200 exempl. van de door het Britsch en Buitenlandsch Bijbelgen, te drukken vertaling van Exodus nam de Vereeniging voor hare rekening. Door dit alles is het saldo der rekening, ten bedrage van ƒ2121.70, geheel verbruikt, en is er wederom groote behoefte, ook aan geldelijke ondersteuning, zal de Vereeniging onder de millioenen inwoners onzer O. I. bezittingen als een zout en licht zich kunnen blijven handhaven. Het arbeidsveld is zoo uitgestrekt, dat aller Christenen hulp wordt begeerd. Agent in Nederland is de heer I. Esser te 's Gravenhage.

De Utrechtsche Zendingsvereeniging hoopt Maandag en Dinsdag den 22sten en 23sten April haar gewone jaarfeest te vieren. In de openbare vergadering, Dinsdags des nam. te 1 ure, zullen als sprekers optreden Ds. Schuurman van Batavia, Ds. Riemens van Driebergen en de heer Van Hasselt, zendeling op N.-Guinea, die op eigen verlangen in dezen zomer weder naar zijn vroeger arbeidsveld zal terugkeeren. Het verslag van den staat en de verrichtingen der Vereeniging meldt ons goede berichten van den heer Rinnooy, die thans arbeidt te Am ah op Ceram. De heer Woelders werkt met veei /,egen te Andai. In dea loop van 1877 hoopte hij weder twee Andaiers te doopen, die daartoe reeds meer dan eens hun verlangen hadden kenbaar gemaakt. Van den resident van Ternate kreeg hij namens den Gouverneur-Generaal een vcreerend schrijven, tot een getuigenis dat men zijn moeielijken arbeid op N.-Guinea waardeerde. Daar verandering van lucht voor de gezo iheid zijner vrouw

noodzakelijk is, werd hem toegestaan voor eenigen tijd naar het Vaderland terug te keeren.

Het werk der zending op Bali blijft tot hiertoe een ploegen op rotsen. De heeren De Graaf en Van Dijken zijn weder naar hunne posten op Almaheira teruggekeerd en werken daar met zegen. De ontzettende droogte, die er in den laatsten tijd heerschte, scheen velen bewogen te hebben om zich van de toovenaars af te keeren en hun hulp te zoeken bij den eenigen waren God. Ook de heer Been merkte te Tabello dezelfde verschijnselen onder de bevolking op.

Leed de Vereeniging een groot verlies door het afsterven van den heer Van Lummel, die steeds grooten invloed oefende op de vorming der kweekelingen door zijn geheele persoonlijkheid zoowel als door het onderwijs, dat hij hun gaf, met dankbaarheid wordt gemeld hoe de heer H. W. Vethake zich vrijwillig heeft aangeboden om kosteloos zich met de lessen der kweekelingen, ter voorbereiding van hunne verdere studiën, te belasten.

Het April-nummervan iiet sEvangelisches Missions Magazin" bevat het volgende treurige bericht : In het einde van Maart is te Londen een telegram uit Aden aangekomen, volgens hetwelk de beide zendelingen luit. Smith en de heer O'Neil aan de Victoria-Nyanza ziju vermoord. Als zegsman voor dit bericht is de Arabische gouverneur van Anjanjembe genoemd. De hoop, dat het nog zal blijken onjuist te zijn, is niet groot.

Oe SmtgeUitgswrmiïijmgm in tteöcrknö.

IX.

De Jaarfeesten.

Hoewel de werkkring der Jongelingsvereeniging zich in de eerste plaats bepaalt tot hetgeen gewoonlijk voor het oog der wereld blijft verborgen, en hare roeping allerminst bestaat in het openlijk optreden op Kerkelijk of Staatkundig terrein, nochtans is het voor haar goed en noodig nu en dan in het openbaar eenig teeken van bestaan te geven; al wat naar een eenzijdig monnikkenleven riekt, moet onzen Protestantschen Jongelingsvereenigingen vreemd blijven. Eene uitstekende gelegenheid tot zulk een

optreden bieden haar Jaarfeesten aan. Ook buitendien worden dikwijls kleine, gezellige uitgangen of samenkomsten georganiseerd, die den leden gelegenheid schenken gezamenlijke, onschuldige uitspanningen te genieten, elkander nader te leeren kennen en den band der gemeenschap te bevorderen; maar eenmaal in het jaar noodigt de Vereeniging niet alleen hare leden, maar ook alle vrienden en begunstigers, ja zelfs afgevaardigden van andere Vereenigingen van nabij en van verre, om met haar samen te komen, te verbalen wat God voor en door haar gedaan heeft, zich voor Hem te verootmoedigen en Hem te danken; openlijk zijn naam te prijzen en zijn hulp voor een volgend jaar in te roepen. Ook deze Jaarfeesten hebben hun schaduwzijden ; ze zijn dikwijls eentonig, men heeft in sommige streken van ons vaderland de slechte gewoonte, tot in het holt van den nacht te zamen te blijven, in plaats van tijdig weder naar huis en naar bed te gaan; somtijds maken onverstandige leden van deze gelegenheid misbruik, om ellenlange opstellen voor te lezen of kreupele gedichten te vervaardigen en op te zeggen; de eigenaardige deftigheid onzer Hollandsche jongens maakt verslagen en mededeelingen somtijds vervelend; alles gaat op de jaarfeesten, ook bij oprechte vroomheid, niet aloos fiisch, vrij en vroolijk toe; er blijft dus hier nog veel te wenschen en te verbeteren over. Maar toch zijn de jaarfeesten gewoonlijk liefelijke levensteekenen der Jongelingsvereenigingen en is het gebleken, dat waar zij ophouden, die in hel openbaar te vieren, dit een bewijs is van kwijning en achteruitgang, terwijl deze juist niet zelden het middel mochten zijn, om de Vereenigingen in ledental, invloed en gunstige beoordeeling van vrienden van het Godsrijk te doen winnen.

Daar de meeste leden onzer Jongelingsvereenigingen tot den handwerks- of boerenstand behooren, en dus den ganschen dag werken in hun goddelijk beroep, wordt hun eerst des avonds de gelegenheid geschonken zulke jaarfeesten te vieren. Zij komen dan te zamen in het beste lokaal, dat voor deze gelegenheid kan worden gevonden; de wanden daarvan worden niet zelden met toepasselijke spreuken en teksten, of op andere wijze versierd. Gewoonlijk is de belangstelling in deze samenkomsten groot; en de zaal is gevuld met jongelingen, leden en geen leden, hunne ouders, vrienden en vriendinnen. Men beschouwt het steeds als een voorrecht, als een predikant de vergadering opent met gebed, bijbellezing en een korte toespraak; waar deze hulp ontbreekt wordt de meest geschikte onder de bestuurders of begunstigers daermeê belast. Secretaris, Penningmeester en Bibliothecaris brengen dan achtereenvolgens hun verslag uit. Waar eene zangvereeniging is, worden voor deze gelegenheid toepasselijke stukjes uitgevoerd,dat niet weinig bijdraagt tot het opgewekt samenzijn. Terecht heeft men eene Jongelingsvereeniging zonder zangvereeniging een bosch zonder vogelkoor genoemd. De toespraken der afgevaardigden en andere aanwezigen worden telkens afgewisseld door gezang, en nadat met dankzegging is gesloten, komt men nog meestal aan een eenvoudigen disch te zamen. Deze vriendenmalen zijn gewoonlijk even gezellig als genoeglijk; men zit niet meer officieel, men zit als broeders en vrienden naast elkander; wie wat te zeggeu of té wenschen heeft, kan het geheel ongedwongen, op zijn eigen manier te voorschijn brengen. Op deze wijze leert men elkander nader verstaan en ook de gasten, die van de Jongelingsvereenigingen niets wisten, leeren haar kennen en liefhebben. Kan men zoodoende op Christelijk terrein het genoegen des gezelligen samenzijns overbrengen, dan is dit inderdaad, hoe weinig beteekenend overigens de samenkomsten mogen schijnen, eene zaak, die even wenschelijk als noodig is voor onze jongelingen. Zij leeren ook daardoor ondervinden dat voor den jeugdigen Christen niets verboden is, dan wat door de zonde is gebrandmerkt en bedorven. v. O. B.

3oittiagssd)ool.

Uit de Scürift.

PASCHEN.

De Boodschap der Engelen.

Lukas 24 = 1—12.

De opstanding des Heeren is, in verband met zijnen dood, de hoofdzaak van het Evangelie en van onze Christelijke belijdenis. Als Christus niet is opgestaan, zegt Paulus, is uw geloof ijdel. De leer van de opstan¬

ding des lichaams is op dit feit gegrond. Zonder dit feit is het nieuwe leven des Christens, is het bestaan der Christelijke Kerk, is de Christelijke samenleving een onverklaarbaar raadsel. En nu heeft men wel gezegd : niet het feit, maar de qualificeering, de opvatting heeft die wonderbare verandering tot stand gebracht. Doch hoe zijn de menschen aan die opvatting gekomen ? Geloofden Jezus' jongeren dan werkelijk aan de opstanding van den Meester, en beidden ze met stille geloofsrust de ure zijner verschijning? Ging Maria met de vrouwen naar het graf, in de stellige"verwachting van dea levenden Heer te ontmoeten? Zoo niet, vanwaar dan die groote omkeering in hun gemoedsleven? Vanwaar de hemelsche vreugde, en hoe kwamen ze er toe om elkander toe te roepen: de Heere is waarlijk opgestaan ?

Er moet dus wat gebeurd zijn.

Wat er gebeurd is, verhalen ons de Evangelisten. Zij verhalen het, zooals het geheele leven des Heeren, elk van zijn standpunt, datgeen het meest in 't licht stellende wat op hen den meesten indruk maakte, of wat in de bronnen, waaruit zij hun verhaal geput hebben, aanwezig was. Vandaar geen letterlijke overeenstemming. Dit verschijnsel heeft menigen rechtzinnige er toe gebracht om het ongerijmde te willen bewijzen en letterlijke overeenstemming te leeren, waar zij toch waarlijk niet bestaat. En aan den anderen kant hebben moderne critici zich er op beroepen, om de opstanding des Heeren zelve als ongeloofwaardig te verwerpen. Was er letterlijke overeenstemming, ze hadden dan op grond van dat letterlijke de verhaalde zaak als bedrog verworpen. Nu er geen letterlijke overeenstemming is, doen ze het op dezen grond. De oorzaak dier verwerping ligt dan kennelijk ook niet in het ongeloofwaardige van het verhaal, uit een letterkundig en historisch-critisch oogpunt beschouwd, maar in de wijsgeerige onderstelling, dat God nooit wonderen gedaan heeft. Door hunne naturalistische wijsgebegeerte komen ze er toe, om de historie te kortwieken. Zij behandelen de Evangelische geschiedenis als een advocaat, die voor een slechte zaak pleit en al de verklaringen der getuigen, die niet letterlijk hetzelfde zeggen, een voor een ontleedt; ze dan tegenover elkaar plaatst; het niet letterlijke omwerkt tot tegenstrijdige verklaringen, en op dezen grond den beklaagde poogt vrij te pleiten. Maar de eerlijke, onpartijdige rechter, die op de hoofdzaak let en door geen drogredenen zich laat verleiden, die hoofdzaak uit het oog te verliezen, voegt al die getuigènissen te zamen. De eene getuige heeft dit gezien; de andere dat, en terwijl zij in de hoofdzaak, het feit dat in quaestie is, saamstemmen, voegt de rechter al die getuigenissen samen,

en verkiijgt alzoo een vasten grond, waarop zijne uitI spraak rust.

Passen wij dit toe op de berichten aangaande 's Heeren opstanding, dan behoeven wij ons, ender alle menschen, ons Christelijk geloof waarlijk niet te schamen.

De berichten der Evangelisten samenvoegende, krijgen wij van de volgende zaken volkomen zekerheid.

Vroeg in den morgen van den eersten dag der week gingen minstens een viertal vrouwen naar het graf om dat te bezien en het lijk te zalven. Toen zij het graf naderden begon het reeds te lichten. Zij vonden het graf geopend en waren bevreesd. Die vrees vermeerderde toen twee mannen in wite kleeding door haar gezien werden en een der twee haar zeide, dat zij niet bevreesd moesten zijn, want dat Jezus opgestaan was van de dooden. Een engel toch was nedergedaald, door wiens verschijning de bewakers van het graf als met doodschrik bevangen werden, had den steen afgewenteld, waarna het lichaam des Heeren, weder met zijnen geest vereenigd, het graf had verlaten. De vrouwen waren ten hoogste ontsteld en verlieten in aller ijl het graf. Maria Magdalena ging terstond naar de Apostelen en keerde met Johannes en Petrus naar het graf terug. De beide Apostelen bevonden het, gelijk gezegd was en keerden, zonder Jezus gezien te hebben, weder stadwaarts. Maria echter bleef in den hof weenend rondloopen en genoot het voorrecht om weldra haar naam te hooren uit den mond des Verrezenen en aan zijne voeten aanbiddend en dankend neêr te zinken. De dag eindigde niet, voor óók de andere vrouwen, Petras, de Emmaüsgangers en de andere Apostelen, behalve Thomas, volkomen zekerheid hadden dat de Heer waarlijk was opgestaan.

PUNTEN.

Waarom moeten wij in gedachtenis houden dat Jezus Christus van de dooden is opgewekt ? Christus is opgewekt tot onze rechtvaardigmakicg. Hij is opgewekt door den Vader, opgestaan door zichzelven. Door den dood van Jezus is het eeuwige leven voor zondaren verworven; door zijne opstanding wordt het hun wedergegeven. Wij moeten onze lichamen beschouwen niet als een onreine woonplaats van onze ziel, maar als tempelen van den Heiligen Geest, bestemd om eeuwig te leven; daarom mogen wij het niet verminken uit valsche vroomheid, noch het verwoesten door de zonde. Menschen, die niet aan de opstanding van Christus gelooven, laten hunne dooden balsemen of verbranden, al naar de mode het wil; Christenen zien hunne dooden het liefst begraven, wijl Christus het graf voor hen geheiligd heeft. Nu Christus is opgestaan, behoeven wij aan de zalige opstanding van allen die in Hem gelooven, niet te twijfelen.

G.

Eene eere van Christus. 1)

Het is geen eer voor de Christelijke ge¬

meente, dat zoo velen, die op haar zien, het Christendom verouderd en machteloos achten.

Indien gij onder wie aldus op het Christendom neêrzien, alleen de ruwe egoïstische naturen hadt te tellen, zou dit ongunstige oordeel niet veel beteekenen. Maar onder hen zijn ook menschen, die een oog hebben vo.or al de ellende om hen heen, en die het met weemoed aanzien, dat er eene klove gaapt tusschen den treurigen toestand waarin de maatschappij en het huisgezin verkeert, en den veel beteren toestand dien zij wenschelijk en mogelijk achten. Dat dezulken omzien naar een ander middel om redding aan te brengen, dan in het Christendom gegeven is, getuigt mede tegen de Christelijke gemeente. Dezulken toch moesten het in de belijdende Christenen kunnen zien, welk een versterkende, opbeurende, bezielende macht schuilt in het geloof in Christus.

Ook al schreven de tegenstanders het toe aan omgang met den Booze, zij konden niet loochenen dat Jezus Christus teekenen en wonderen deed. Dat viel nu eenmaal te duidelijk in het oog, dan dat het kon worden geloochend.

De gemeente, die vasthoudt aan het geloof, heeft zich dan wel te verootmoedigen als zij zooveel smaad ziet geworpen op het Christendom. Zij veroordeele niet uit de hoogte, als kon zij in dezen hare handen wasschen in onschuld: maar zij buige beschaamd het hoofd onder den tegenstand, als onder een oordeel dat over haar gaat, en zij behartige hare roeping om voortaan in allerlei richting meer kracht, in haar uit 's Heeren kracht gevloten, te ontplooien!

Paulus spreekt van mannen, die »eene eere van Christus" zijn, (II Cor. 8: 23) gelijk de geloovigen te Philippi van hem zeiven »de blijdschap en de kroon" waren (Phil. 4: 1). De Heer zelf verlangt, dat de geloovigen hun 1 licht alzoo laten schijnen, dat de menschen hunne goede werken mogen zien, en den Vader in de hemelen deswege verheerlijken." In de oudste Apologieën van het Christendom wordt vaak met vrijmoedigheid een beroep gedaan op den levenswandel der Christenen, als getuigenis voor het Christendom. Als Plinius de jonge, proconsul in Bithynië, aan keizer Trajanus schrijft over het verontrustend toenemen der Christenen, noemt hij hen eene zeer zonderlinge secte, oproerig tegen de goden, maar hij is gedrongen een gunstig getuigenis af te leggen omtrent hun levenswandel. Het is aandoenlijk in den Brief — door onze voorvaderen, »die begeeren te leven volgens de ware hervorming van het Evangelie van onzen Heer Jezus Christus", geschreven aan Koning Philips II, bij de aanbieding der Geloofsbelijdenis in 1561 — te lezen hoe zij zich durven verdedigen met het oog op hun levensgedrag,

Menigmalen vernemen wij van een ongeloo-

l) In »Niet uit den aardschen bodem" IV, vond ik kol. I, regel 22 v. b. een staatsgodsdienst: lees: geen staatsgodsdienst. — Kol. 2 regel 63 hoojdpartij, lees: /«/partij, — Regel 19 v. 0. wederkomt, lees «fderkomt.

Sluiten