Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DE

Het auteursrecht van den inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad N°. 124).

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden. _ "wagen van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE. Abonnementen en Advertenties de ADMINISTRATIE van De Heraut, Amsterdam.

Inzendingen die later dan Donderdag 's namiddags te 12 ure worden ontvangen «innen voor het nummer van die week niet meer in sanmerking nomen.

Zondag 9 November 1890. N°. 672.

Abonnementsprijs: franco aan huis, per drie maanden /1.20. Afzonderlijke nummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren eer. en aan het Bureel te Amsterdam.

Advertentiën: van 1 tot 8 regels 80 Cent; voor eiken regel meer 16 Cent. Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereenigingen 10 Ct. per regel.

fran (jet Ijcilig 2tooniïmaal.

ZOXDAGSAFDEELLYG XXVIII.

Want ook ons Pascha is ^ voor ons geslacht, namelijk Christus.

x Cor. 5: 7b._

V.

Sluit

zoo het heilig Avondmaal zich reeds ? s maaltijd en offermaal rechtstreeks aan et Joodsche Pascha aan, toch bestaat tussen beide plechtigheden een nog inniger verband. Ook al gaat men toch te ver, oor het Pascha als Sacrament met het ei% Avondmaal geheel op één lijn te e*len, toch is het onbetwistbaar, dat ook het Joodsche Pascha tot op zekere i°°gte een Sacramenteel karakter toekomt.

e verhouding tusschen beide is dan ook °ngeveer dezelfde als tusschen de Besnijenisen den heiligen Doop. Tusschen deze eide plechtigheden legde de heilige apostel aulus den band, toen hij aan de kerk van olosse (2: 11, 12) schreef: Gij zijt in ^hristus „besneden met eene besnijdenis, le fiiet met handen geschiedt in de uitrekking van het lichaam der zonden des v;.eesches, door de besnijdenis van Christus, ZlJnde met hem begraven in den Doop in Reiken gij ook met hem opgewekt zijt".

evenzoo legt. dezelfde apostel den band Usschen Pascha en Avondmaal als hij aan de ®rk van Corinthe (1 Br. 5 : 7) schrijft: «Zuiver dan den oude zuurdeesem uit, opdat gij een n;euw deeg zijn moogt; want °pk óns Pascha is voor ons geslacht, name^jk Christus"; woorden die immers geen andere uitlegging toelieten dan deze: Gehjk Israël zijn Pascha heeft, zoo hebben o°k wij ons Pascha, want ook ons Pascha ls voor ons geslacht.

Het verschil tusschen beide plechtigheden hangt dan ook alleen aan het verschil tusschen de beide bedeelingen. Onder de bedeeling des Ouden Verbonds is de Mess,as nog niet geopenbaard; moet dus alles symbolisch toegaan; en deswege wordt het symbolisch lam telkens weer feitelijk geslacht en het bloed van dit lam feitelijk vergoten; terwijl bij ons Pascha, onder de bedeeling ^es Nieuwen Testaments, de vleeschwording ^es Woords en het kruis van Golgotha achter ons liggen, zoodat het Lam Gods, ons Pascha, éénmaal geslacht zijnde, niet meer sterft, en alzoo het bloedige uit de afbeelding van voor ons gebrachte offerande wegvalt. Sprak alzoo het teeken bij Israël sterker, *n zooverre het dooden van een lam en het vergieten van zijn bloed de zinnen sterker aangrijpt, dan het breken van brood en het plengen van wijn, hier staat tegenover dat de actie, die nu bij het heilig Avondmaal van den verhoogden Heiland uitgaat, bij het Joodsche Pascha nog geen plaats kon grijpen, overmits Christus nog niet verheerlijkt was. Wil men dus beide, zoo het Joodsche Pascha als ons heilig Avondmaal een Sacrament noemen, zoo hebben We hier geen overwegende bedenking tegen, mits er dan maar bij worde gevoegd, dat het Joodsche Pascha, evenals de Besnijdenis, een Sacrament was overeenkomstig de geaardheid van de Bedeeling der schaduwen, en dus nooit met onze Sacramenten geheel op één lijn mag gesteld.

Er openbaart zich wel eens zekere zucht, °Ri elk onderscheid tusschen den staat en conditie van het volk van God onder het Oude en Nieuwe Testament geheel op te heffen; en tegenover de voorstelling die indertijd door Coccejus en zijn volgelingen van het sterke onderscheid tusschen beide hedeelingen werd eeeeven. is vasthouden aan

de eenheid die beider staat verbindt zeker Plicht; mits men hierin nu maar weer niet te ver ga, en de duidelijke grens die de Heilige Schrift tusschen beide bedeelingen

getrokken heeft, niet uitwissche. Er bestaat ongetwijfeld voor de geloovigen onder het Oude en de geloovigen onder het Nieuwe Verbond eenheid van grond en uitgangspunt,

en het is de eere van onze Gereformeerde kerken hierop steeds met nadruk gewezen te hebben. Die eenheid toch van grond en uitgangspunt liet in de Besluiten Gods.

Christus is aller Middelaar omdat God hem als zoodanig in zijn Besluit besteld en gesteld heeft. Hij komt niet in het Besluit als onze Middelaar voor, omdat hij feitelijk onze Middelaar geworden is, maar hij is feitelijk onze Middelaar geworden,

omdat God hem in zijn Besluit tot Middelaar gesteld had. In zooverre dus wijzen de profetieën van Vorst-Messias onder het

Oud Verbond niet op iets dat nog moet komen, maar op iets dat er in het Besluit reeds is; alleen met dit verschil, dat het onder het Oude Testament nog slechts

geopenbaard was in het Woord, terwijl het in de dagen der Nieuwe Bedeeling openbaar wierd in het vleesch. En daar nu het geloof zich altoos op het Woerd richt, en wel met name op het Woord van Gods raadsbesluit, zoo lag het geloof voor de vaderen des Ouden Verbonds even vast als het onze, en heeft ook onder hen „de rechtvaardige door het geloof geleefd." Maar hoe sterk men deze eenheid van conditie onder de geloovigen van beide bedeelingen ook vasthoude, toch mag daarom het verschil in openbaring niet uit het oog verloren. Bethlehem, Golgotha en de Olijfberg spreken ons van feiten, die allerminst als bijkomstig mogen beschouwd worden, als ware het ons genoeg, dat de Middelaar in het raadsbesluit besteld was; want immers het raadsbesluit zou geen besluit zijn geweest, indien de aldus bestelde Middelaar niet ook feitelijk gekomen ware. Dit komen van den Christus en het brengen van zijn zelfofferande, laat derhalve de zaken niet ge¬

lijk ze zijn, maar brengt er een daadwerkelijke verandering in te weeg. Wat dusver in symbolische afschaduwing als toe¬

komstig lag aangeduid, gaat na uoigotna over in de symbolische teekening, die de hetinnerin? van het gebeurde opwekt.

Israël moest op den komenden dood van

den Messias gewezen worden, wij vieren gedachtenis van den dood des Ileeren die

plaats greep.

In Pascha en Avondmaal beide is dus

de ééne groote gedachte uit Gods raadsbesluit van de verzoening der zonde door

een Lam dat geslacht wierd en welks

bloed wierd vergoten. In het bloed is

het leven, en alleen door de verbrijzeling van het zondige leven in den dood, is

verzoening van zonde voor God bestaanbaar. Dat is de principieele gedachte, die zoowel in het Pascha van Israël, als in ons Avondmaal ligt aangeduid en uit gesproken, maar hoe verschillend is niet de wijze, waarop die ééne groote Godsge¬

dachte in beide instellingen aan het woord

komt! Dit voelt ge nooit beter dan door streng vast te houden aan de historie. Als

de slachting van het Paaschlam onder Is¬

raël wordt ingesteld is er sprake van natio¬

nale ellende, van nationaal doodsgevaar en van nationale uitredding, zonder dat ervan geestelijke ellende, geestelijk doodsgevaar

of geestelijke uitredding ook maar met een woord gerept wordt. Ge hebt te doen niet met den Duivel, maar met Pharao, niet met de demonen, niet met soldaten en ruiterij en strijdwagens', ex is sprake niet van „geloo¬

vigen", maar van „het volk van Israël met

hun vermengden hoop ; het gevaar waaraan ze bloot staan is niet de eeuwige verdoemenis, maar de tyrannie van den aardschen heerscher in Egypteland; wat ontweken moet worden is niet de eeuwige rampzaligheid, maar de dood van hun eerstgeboren kinderkens, runderen, schapen en ezels; en de redding die wordt te weeg gebracht is dat hun eerstgeborenen niet sterven, en dat zij droogvoets door de Roode zee komen en zoo aan de tyrannie van Egypte ontsnappen. Alles dus uitwendig en nationaal, van een geestelijke en. inwendige redding is geen sprake. En het Pascha, dat als gedenkfeest ter gedachtenis van deze redding wierd ingesteld, was dus op zich zelf niets dan een nationale gedachtenisviering op de wijs als wij onze gedenkdagen vieren van de verlossing van Spanjes tyrannie en den slag bij Waterloo.

Dit kan niet. nuchter genoeg op den voorgrond worden gesteld, en altoos weer moet bij het Pascha van deze historische feiten worden uitgegaan. Zelfs de ongezuurde brooden en het staande eten van het lam zijn bijkomstige bijzonderheden, die altoos moeten afgeleid van de bijzondere omstandigheden, waarin Israël zich voor zijn tocht uit Egypteland bevond. Ge weet dan ook, hoe de Heilige Schrift telkens, als Israël tot den dienst des Heeren wordt opgeroepen, altoos weer dat historische en nationale feit op den voorgrond stelt: Gij zijt door uw God als volk uit Egypteiand, uit het diensthuis uitgeleid, en deswege moet ge Hem als uw Heere en Koning dienen. De overgang op het geestelijke ligt dus niet in het Paaschlam als zoodanig, maar alleen hierin, dat het volk van Israël, waaraan deze redding ten deel viel, door God besteld was, om in heel zijn bestaan en in al zijn lotgevallen, zinbeeldig het geestelijk bestaan en het geestelijk lot van 's Heeren uitverkoren volk af te beelden. Het is dus niet zoo dat Israël, omdat het toevallig in Egypte was geleid en zoo wonderbaar uit Egypte gered is, deswege de geestelijke redding van 's Heeren volk afschaduwt; maar omgekeerd is Israël opzettelijk naar Egypte

geleid, opzettelijk in Egypte aan zoo bittere tyrannie onderworpen, en, opzettelijk uit Egypte door zoo machtig vonder uitgeleid, opdat het deze afschaduv. ^ van 's Heeren geestelijk volk in zijn nationaal bestaan en nationale historie vertoonen zou. Pharao is er toe verwekt, opdat de Heere aan hem zijn gerechtigheid betoonen zou.Reeds aan Abraham wordt in den droom geopenbaard, dat zijn nakomelingen vier eeuwen lang vreemdelingen in Egypte zullen zijn. En daarom alleen wordt „de sterke hand en de uitgestrekte arm des Heeren" hun zoo machtig openbaar, omdat op deze verlossing uit het diensthuis heel de Mozaïsche bedeeling steunen zou.

Bij het Pascha der Joden moet ge dus tweeërlei ineenvloeiende symbolen wel onderscheiden. In de eerste plaats toch is het volk van Israël in zijn nationaal bestaan een symbool of zinbeeld van het geestelijk volk van God; en in de tweede plaats is de Paaschmaaltijd een symbolische herinnering aan hetgeen God Israël ten behoeve bij de uitredding uit Egypte gedaan had. Wat Israël onderging was een symbool, en op zijn beurt was het Paaschlam een symbolische herinnering aan wat dit symbolische volk ondergaan had. En overmits nu niet het volk zelf deze gedachtenisviering instelde, maar Gcd het Pascha verordineerde, zoo kon het wel niet anders of de Heilige Geest moest dit symbolisch

Pascha zóó doen aanrichten, dat tevens de geestelijke strekking er in uitkwam, of er althans op verborgene wijze in sprak. En wie dan ook met eenige opmerkzaamheid nagaat, wat omtrent dat Lam bij Israël verordend was, hoe het moest geslacht en hoe het moest gegeten worden; en daarnaast legt al wat het Nieuwe Testament ons bij monde van Johannes den Dooper en de heilige Apostelen over »het Lam Gods, dat de zonde der werela wegneemt," bericht, die ziet en voelt terstond, hoe de Heilige Geest reeds vanouds in dit nationaal gedenkfeest een geestelijke beduidenis heeft gelegd; en hoe allengs de dagen voor de geloovigen ook in Israël gekomen zijn, dat bij dit Pascha de uitredding uit Egypte eigenlijk bijzaak voor hen werd, en hoofdzaak de geestelijke verlossing uit het diensthuis der zonde. Dat juist een Lam gekozen wierd; dat aan dit lam geen been mocht gebroken; dat het bloed van dit lam aan

de deurposten moest gestreken, en daarna zijn vleesch gegeten; dat het geslacht moest tusschen twee avonden; dat het genuttigd wierd met bittere kruiden; en dat alleen de besnedenen er van mochten medeëten, waren altegader bijzonderheden, die in de nationale gedachtenisviering geen genoegzame verklaring vinden, en die eerst tot haar recht komen, zoo ge tot de geestelijke zaak, die erin

afgeschaduwd wordt, doordringt.

Doch er is meer. Niet alleen toch dat het Joodsche Pascha op die wijs door dc geestelijke belofte die er in lag afgeschaduwd, in zekere symbolische betrekking met het heilig Avondmaal stond, maar ook feitelijk heeft de Christus beide met elkaar in verband gezet. Hij is zc\[ toch als het Paaschlam op het Paaschfeest gestorven, en heeft het Avondmaal ingesteld met brood en wijn, die van den Paaschdisch genomen waren. In de veel besproken vraag, hoe de dagen van het Pascha, waarop Jezus stierf, moeten gerekend worden; of Jezus vóór het Pascha, oi als 1'aaschoffer op het feest gestorven is, zullen we ons hier niet verdiepen. Deze soort vraagstukken toch zullen bij ontstentenis van de noodige gegevens wel nooit tot volkomen helderheid worden gebracht; en bovendien toont heel de openbaring aan, hoe de nauwkeurigheid Gods een geheel andere is dan de nauwkeurigheid der menschen. Zooveel is ons genoeg, dat de Christus zelf zijn eigen sterven met het toenmalig Paaschfeest in verband heeft gezet, en zelfs zijn apostelen op dat verband heeft gewezen. Door zijn eigen keuze ging de Heere zijn dood juist tegen het Paaschfeest te gemoet. Hij had ook vroeger of later naar Jeruzalem kunnen gaan, maar hij ging opzettelijk in de dagen van het groote Pascha naar de tempelstad op. Hij ging derwaarts op, zeker wetende dat zijn einde nabij was. En hij verklaarde uitdrukkelijk aan zijn jongeren, dat hij zeer begeerd had „dit Pascha met hen te eten". Ja zelfs de geheele toebereiding van dat Pascha leidde hij in met de woorden: „Gij weet dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden." En of nu al de leden van het Sanhedrin een besluit nemen; „Niet op het feest, opdat er geen oproer kome onder het volk", het is toch tijdens het Paaschfeest geschied.

Zoo verbond ook Christus dus de zaak,

waarop het heilig Avondmaal doelde, aan het Joodsche Pascha. Doelt dat Avondmaal op zijn dood, welnu die dood is door Jezus opzettelijk aan het Joodsche Paaschfeest verbonden. Maar ook de instelling zelve van het heilig Avondmaal stelde hij rechtstreeks met dat Joodsche Pascha in verband. Natuurlijk had de Heere dit zijn heilig Avondmaal ook vroeger kunnen instellen; want dagelijks zat hij met zijn jongeren aan, dagelijks at en dronk hij met hen, en dagelijks was er brood en wijn op de tafel waaraan hij met hen aanzat. En ook het breken van het brood en het laten rondgaan van den beker was niet iets, dat enkel bij het Pascha plaats greep, maar ook bij andere maaltijden gewoonte was. Zelfs

weten we zeer bepaaldelijk, dat Jezus én bij gelegenheid der zalving te Bethanië, én bij de voetwassching met zijn jongeren aanzat. En toch heeft de Christus niet bij één van deze voorafgaande maaltijden, maar zeer bepaaldelijk bij dezen Paaschmaaltijd het heilig Avondmaal ingesteld. Er is dus geen sprake van dat deze verbinding van het Avondmaal met het Pascha toevallig zou zijn. Ze is opzettelijk en moet in dit opzettelijk verband begrepen worden.

De beweegreden hiertoe nu voelt men terstond, zoo men let op wat de Christus bij het Avondmaal sprak van het Nieuwe Verbond. Hiervan had hij vroeger nooit gesproken. Hij was geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, en was alzoo hoogepriesteriijk voor ons in de oude Bedeeling der schaduwen en in het Oude Verbond ingegaan. Als staande onder dit Oude Verbond was hij besneden op den achtsten dag; als zijnde onder dat Verbond was hij als eengeborene van Maria gelost; als levende onder dat Oude Verbond was hij op de groote feesten mee opgegaan naar Jeruzalem, en had den tempel op Sion als de woonstede Gods geëerd. Maar nu was het einde van dezen toestand gekomen. Gelijk dit Oude Verbond van God met het volk der schaduwen eens bij Horeb zijn aanvang had genomen, zoo moest het even stellig in een bepaald feit zijn einde vinden; en dit feit zou zijn het brengen van het waarachtig zoenoffer, waarop alle cfferande onder Israël gedoeld had. Daarom zou straks terwijl hij op Golgotha stierf, het voorhangsel des tempels scheuren van boven tot beneden, en

daarom moest het thans voor zijn jongeren uitgesproken, dat het einde van het Oude Verbond nabij was. Straks opgestaan van den disch zou hij met zijn jongeren naar Gethsémané, en van Gethsémané alleen naar Golgotha gaan, om zijn bloedige offerande te volbrengen. Zooals hij daar met zijn jongeren aanzat was het dan ook voor het Oud Verbond de laatste ure. Het einde was er, en door Golgotha zelf zou aan het Pascha voor altoos, gelijk het dusver in zijn symbolischen vorm bestaan had, een einde worde gemaakt. Daarom sprak hij tot zijn jongeren, na eerst met hen het bloed van het Paaschlam vergoten te hebben (dat nog het bloed des Ouden Testaments was): hetgeen, waar we nu met dezen beker aan toekomen, is het bloed niet meer des Oude maar des Nieuwen Testaments. Het spreekt toch vanzelf, dat toen Jezus met zijn jongeren Pascha ging vieren, ook door zijn jongeren een lam gekocht en bij den tempel geslacht was, en na uitgieting van het bloed, naar de Paaschzaal was heengetogen, om daar door Jezus met zijn jongeren gegeten te worden.

Welnu, dat was nog het bloed des Ouden Testaments geweest; en het is kennelijk in tegenstelling met dat bloed des Ouden Testaments, dat de Christus bij de opneming van den beker tot zijn jongeren van een ander bloed, van het bloed des Nieuwen Testaments spreekt, en dat bloed qualificeert als een bloed, „dat voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden." Men stelle zich dus de zaak niet voor, alsof Jezus alleen brood en wijn had gebruikt. Hij had zeer begeerd dit Pascha met zijn jongeren te eten, en het Pascha eten was zeer bepaaldelijk het eten van het geslachte lam.

Eerst heeft Jezus dus het gewone Pascha geregeld laten afloopen. Hij leefde zoolang hij op Golgotha nog niet was gestorven, nog altoos onder de wet van het Oude Verbond, en moest die wet dus houden tot het laatste oogenblik toe. En eerst toen die eigenlijke Paaschmaaltijd geëindigd was, en het toe was gekomen aan de ceremoniën, die bij de latere Joden op den eigenlijken Paaschmaaltijd volgden, toen eerst heeft Jezus het brood en den wijn genomen en het heilig Avondmaal ingesteld. De gang van zulk een Paaschviering toch was in de dagen van Jezus ongeveer de volgende. Men ging op naar

Jeruzalem en zocht dan bij vrienden en

magen, of ook door huur een zaal of localiteit meester te worden, waar men het Pascha vieren zou. Dan kocht men een lam van de vele herders die daartoe naar Jeruzalem waren opgegaan. Met dit lam ging men naar den voorhof des tempels, waar het geslacht wierd in bijzijn der Levieten, die met gouden schalen gereed stonden, om het bloed van de geslachte lammeren op te vangen, en dit van hand tot hand over te geven, tot het uit kon gegoten bij het altaar. Na afloop dezer plechtigheid wierd het lam dan huiswaarts gedragen en gebraden, zoodat het gereed was op de ure waarop de maaltijd begon. Was men nu aangezeten, dan ving men aan met eerst een beker te vullen, en dien te laten rondgaan; waarbij dan een dankzegging tot God wierd gedaan. Na afloop van deze eerste plechtigheid wierden dan bittere kruiden opgezet

met een schotel moes, waarin die kruiden gedoopt, en daarna genuttigd wierden. En eerst dan kwam het lam zelf op den disch, verzeld van de ongezuurde brooden en de Cherözeth en de Chagïga. Was dit alles opgezet; dan ging weer de beker rond; wierd de uittocht uit Egypte door den huisvader verhaald; zong men lof; en ging dan eindelijk tot het eten van het Lam en de ongezuurde brooden of Mazzóth over. Daarop zat men een tijdlang rustig bijeen, sprak met elkander, en at dan wat van het lam nog over was, drenk nogmaals een beker, zong lof en dankte, en besloot den disch met het zingen van Psalm 115 — 118, en straks van Psalm 120—137, telkens met het rondgaan van een beker afgewisseld. En overmits we nu weten, dat Jezus met zijn discipelen den lofzang 71a de instelling van het Avondmaal gezongen heefc, en het eten van het Paaschlam moet zijn voorafgegaan, ligt het vermoeden voor de hand, dat de instelling van het Avondmaal heeft plaats gehad onder het rustig aanzitten tusschen het eerste en het tweede eten van het lam.

Ge ziet dus feitelijk aan den Paaschdisch het Oude Verbond in het Nieuwe overgaan. De schaduwen wijken terug en de volle werkelijkheid der verzoening komt. Het lam, dat voor het Pascha geslacht was, verliest zijn beduidenis, en Jezus wijst op zichzelf als het ware, wezenlijke Paaschlam, waarvan zoo straks het bloed staat vergoten te worden. En het Avondmaal wordt reeds nu, en niet pas na zijn opstanding ingesteld, omdat deze instelling voor zijn jongeren nogmaals een plechtige profetie moest zijn van hetgeen op Golgotha te gebeuren stond. Al is dus het hoofdkarakter van het heilig Avondmaal de maaltijd, en wel zeer bepaaldelijk een offerm'aal in de heilige plaatse, toch heeft het door zijn ontleening aan het Joodsche Pascha een nóg bepaald er, een nóg nader omschreven beteekenis ontvangen. Juist hierdoor is het een offermaal geworden, waaraan de gedachtenis kleeft van de verlossing uit het diensthuis door het bloed dat vergoten wierd; verlossing nu van onderden geestelijken Pharao, dewelke is Satan, door het bloed van het heilig Go .Islam, dat de zonde der wereld wegneemt.

Kuyper.

33

„Socf udert als gij in Christus geöoopt $t."

Want zoo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Gal. 3 : 27.

Ook gij zijt gedoopt. Gedoopt in den naam van Vader, Zoon en Heiligen Geest. En door dien Doop ook zichtbaar onder de hoede van het Genadeverbond gesteld.

Daar wist ge, toen het Doopwater u op het voorhoofd wierd gesprenkeld, wel niets van af. Het ging geheel buiten u om. Gij waart er geheel lijdelijk onder. Ge kondt er niets tegen, er niets voor doen. Maar met dat al is uw Doop aan u voltrokken en rekent in uw leven mee.

Had men u, als weerloos wicht van weinig weken, in stede van naar den heiligen Doop naar der Joden besnijdenis gebracht, of waart ge dieflijk ontstolen en naar een Turksch of Heidensch land gevoerd, ge zoudt er evenmin iets aan hebben kunnen do -n. Gij waart willoos en een ander kon met u doen naar zijn wil. En zoo ook is uw Doop in uw eerste levensdagen u door den wil eens anderen toegekomen.

Zult ge nu daarom zeggen: »De mij toegediende Doop gaat mij niet aan. Deswege mogen zij toezien, die mij lieten docpen!" Maar immers dat zou een pure illusie zijn, want ook uw ontvangnis en geboorte hing niet van u af, en gaat dan daarom uw geboorte, uw ontvangen

Sluiten