Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog ten tijde van Oldenbarnevelt vormen zij de meerderheid der bevolking (zie »°2 5 op blz.). Thans slechts even één

aerde.

Al is het dus zaak, in ons journalist!sch spraakgebruik het onhoudbare twee vijfden oor „ruim één derde" te vervangen, toch zweren we volstrekt niet, dat toeneming van bevolking op zichzelf een teeken is van pluk, en gaarne geven we de mogelijkheid 0e> dat een lager cijfer van onbezonnen huwelijken hierbij in het spel is.

Hier staat echter tegenover, dat i°. de andverhuizing veel minder onder de Roomschen dan onder de overige bevolking voorkomt ; en 2°. dat de vele Duitschers, die zich ten onzent vestigen, voor verreweg et grooter deel uit de" Roomsche grensstreken van het buitenland komen.

Onlangs is door schrijver dezes medegedeeld, dat hij in Tirol een Roomsche kerk Was binnengetreden, waarin zich links een altaar voor Maria en rechts een altaar voor Christus bevond, en dat nu bij het altaar voor Maria de wand letterlijk met votiefplankjes bedekt was, terwijl er bij het andere altaar niet één hing.

Naar aanleiding hiervan ontzag de Tijd *ich niet onlangs in haar redactioneel gedeelte het volgende te schrijven:

Toevallig?

Naar aanleiding van de ervaring, die Dr.

K 11 rrv, T_ * * * * 1 „ " T,' "»orrf

üij zijn reis ui xnui 'wuiAiiga

hebben opgedaan (zie ons Hoofdartikel van '!• Maandag), schrijft ons een onzer vrienden j

a.:

»Het geval van die twee altaren xs reeds vóór een jaar ongeveer in de Germania behandeld. Een pruisische predikant schreef er Pyer geheel in den trant, waarin de heer Kuyper er zijn «christelijk medelijden" over ^spreekt. Eén van beiden dus: öf de bewuste kerk in Tirol oefent een bijzondere aanfrekkingskracht uit op «christelijk-medelijdende" Predikanten, öf.... (ik durf het haast niet zeggen !) Dr. Kuyper heeft het verhaaltje van zijn Pruisischen collega eenvoudig nageschreven! . »'t Grappigste echter van de geheele historie ls nog wel het volgende: de Germania sommeerde indertijd den pruissischen predikant 0iïi de plaats, waar hij zijn ervaring zeide te hebben opgedaan, te noemen. En... tot nog toe geen antwoord ! „

»Zoudt gij die sommatie soms ook met vrucht tot den heer Kuyper kunnen richten ?..."

Dit stukje heeft onze verontwaardiging

opgewekt.

We dachten dusver, dat de redactie van de Tijd nog te veel eerbied voor zichzelve had, om haar politieke tegenstanders door zoo grove personaliteit te verguizen.

Ze dicht hier toch aan haar tegenstander niet minder toe, dan dat hij, bovenstaand verhaal in een Duitsch blad gelezen hebbende, brutaalweg met zijn naam er onder loog, dat hij zelf met eigen oogen dit feit zou geconstateerd hebben.

En nu poge de redactie zich niet te redden met de uitvlucht, dat ze dit niet zegt, en het maar vraagt; want de Tijd weet zeer goed dat het na dit stukje bij haar lezers een uitgemaakte zaak is, hoe ons zeggen op een verzinsel berustte.

En dit nu gaat te ver.

Dit mag niet.

Over en weder hebben we, om der wille van onze beginselen, toch vaak reeds scherp genoeg tegenover elkander te staan. Maar waar blijft onze journalistische eere, Wanneer, we zeggen niet een orgaan als de Maasbode, maar een redactie als van de Tijd, zich een zoo verregaande onhebbelijkheid en onkieschheid ten laste laat komen ?

Natuurlijk denken we er niet aan, om op zulk een sommatie de plaats waar deze lfM-lr staaf-, te noemen.

Als het iemand van honorabele positie

lust, om op iatsoenlijke wijze, au te vragen, zullen we hem terstond den uit vier lettersbestaanden naam van het dorp melden.

Maar onze eere is ons te lief, om door zulk een smadelijke insinuatie ons te laten dwingen.

Slechts dit voegen we er nog aan toe, dat het bedoelde dorp door de Alpinisten zeer druk bezocht is, en dat het dus niet ri** mïncto \«»rwrmderinf? kan baren, zoo

«V. AillAWUW " O . ,

ook een der vele Duïtsciie Alpinisten.

reeds vroeger dezelfde opmerking gemaakt heeft; al was ze ons onbekend.

Het is zoo in het oog loopend, zoodra mi>ri Hp Weïne kerk binnentreedt.

En dat te meer, omdat er op vele van

die votiefplankjes stond: Maria nat %eholfen.

Een uitdrukking die zoo onwillekeurig UfHpn in hun bid-

tuuiii, uuc —

practijk, voorbede en goddelijke hulpe door¬

eenmengen.

Rekent men nu met het feit, ^ dat de oude Tirolers door hun Bildtstöckli, waarin land bezaaid is. het toenmalige

nog zeer Christolatrisch karakter van hun

religie verrieden, dan is hier o. 1. wel zeer zeker een bewijs van feitelijken achteruitgang-

Kuyper.

Voor Kootwijk.

Ontvangen door Ds. H. W. van Loon: van de wed. M. te D. f 5; van G. v. d. V. te S. ƒ 12; Kerstgave van Mevr L. J. v. L. de F. te C. / xo; door Ds. Rudolph te Leiden van S, v, Z. ƒ 5, gevonden in de collecte; van P. v. L. te L. ƒ 5; van N. N. te A. ƒ x.

Voor de school te Kootwijk [ingekomen bij t)s. J. H. Houtzagers, van J. Oosterhuis Jongelver. te Zuidwolde ƒ 3,5°; P• O. Oberman te Dokkum f 5, voor Kootwijks armen van een dienstmeisje te Kollum ƒ 2.

Totaal ontvangsten ƒ 2102.66I/2.

Uit ïrjc |3er$.

In het Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie deelt Ds. De Gaay Fortman den voorslag mede, die in 1741 door den Gouverneur-

Generaal der Oost-Indische Compagnie bij de Kamer van XVII in zake de religie-aangelegenheden werd ingediend.

Uit dit betoog des gouverneurs generaal blijkt:

1. dat hij den staat der religie in de Oost-Ind. kolonie in zijn tijd dorst open te leggen en bekend te maken;

2. dat hij zich met kracht verzette tegen de bewering, dat de uitbreiding der zuivere religie voor de ware politiek gevaarlijk zou zijn. Het tegendeel was z. i. waar;

3 dat er niet alleen vrijheid der conscientie behoorde te zijn, maar ook vrijheid voor elke kerkel. gemeenschap, o. a. de Luthersche, mits met behoud van broedeischap;

4. dat hij verandering wachtte van de oprichting van gewone scholen te Batavia, in Bantam en overal, waar de Nederl. vlag woei; van de stichting eens tweeden seminaries te Batavia voor de Maleisch spre kenden naast dat van Colombo voor de Malabaarsch sprekender.;

5. dat hij wenschte, dat de krankbezoekers vooral op de schepen zouden wegvallen en vervangen worden door proponenten;

6. dat hij de zending gaarne zag bevorderd en uitgebrtid op het voorbeeld der zendelingen op Tranquebar;

7. dat hij de practijk der godzaligheid gaarne meer zou zien gezocht;

8. dat hij den Bijbel, in het Maleisch en Malabaarsch, gaarne zag vertaald en gedrukt in de aan die talen eigen karakter.

En meldt ons dan wat de Kamer van XVII

hierop geconsidereerd heeft:

Op de consideratiën van baron Von Imhoff nam de Kamer van XVII hare resolutiën in verschillende vergaderingen, tusschen 14 Maart en 3 April 1742 ge houden. Omtrent den godsdienst werd het volgende besloten.

De hooge regeering op het allerernstigste zal wor¬

den gerecommandeerd ten hoogste attent te wezen op 't stuk van den godsdienst alomme in Indien, en alle bekwame middelen bij de hand te nemen, die zouden kunnen dienen tot uitbreiding van Jezus' koninkrijk, of het Hem behagen mocht dezelve te zegenen onder zoovele tot nog toe blinde en van Hem vervreemde menschen; dat, om in dat godvruchtige voornemen en oogmerk te reüsseeren, de Hooge Indische regee ring zal worden gerecommandeerd, niet alleen eenmaal sectescholen te Batavia aan te leggen, in dewelke men de jeugd evenals hier te lande onderwijst, maar ook ten dienste van de verder gevorderden een semi narie op te richten, evenals te Ceylon is, tot het aanleeren der talen en leggen van de gronden van de religie, teneinde daaruit in der tijd, waarin zich daarin bekwame subjecten tot dienst van Gods kerke komen op te doen, jaarlijks twee zulke subjecten van Batavia, mitsgaders twee uit het Colomboosche seminarium over te zenden tot voltrekking hunner studiën, om, na verloop van uiterlijk drie jaren, alhier volleerd en tot proponenten geëxamineerd en geadmitteerd zijnde, jaarlijks weder een gelijk getal naar Batavia en Ceylon teruggezonden worden op een tractement van 40 gulden ter maand uitkomende en een verbetering om de vijf jaren van 10 gulden en, predikant wordende, met 70 gulden voor het eerste verband en bij verbetering om de vijl jaren met 10 gulden tot op 00 gulden

uiterlijk. _

len einde de eersten zouden dienen tot leeraren te Batavia voor Java in de Oost, mitsgaders het geheele gedeelte van Indien, alwaar de Maleische taal gangbaar is, en de laatste voor Ceylon en de West, hetzelve in dier voegen eens en train gebracht zijnde, alsdan op de schepen van de Compagnie in stede van krank bezoekers proponenten zullen worden geplaatst, zooals daarbij de voren geciteerde Ceylonsche memorie van den geeligeerden Gouverneur-generaal Von Imhoff in het breede staat^ vervat en door de hooge regeering aan de vergadering van zeventien favorabel is voorgedragen. En dewijl het lichtelijk zou kunnen gebeuren, dat, na verloop van twee drie jaren, twee zulke aankweekelmgen uit het Colomboosche seminarium overkwamen, zoo werd de presidale kamer verzocht een project te formeeren, waar en in wat voegen men die luiden bij hun overkomste zal plaatsen en verzorgen.

Dat de hooge resreerine al verder znl worden gere¬

commandeerd, zoodra de middelen daartoe voorhanden

ziin, ook buiten Batavia ten nlattelande kerken en scho

lente stienten, hier en daar leeraren te plaatsen, zonder echter de allerminste dwangmiddelen te admitteeren, zooals de kerkboeten op Ceylon, die dan ook in den aanstaande absolutelijk zullen worden afgeschaft.

Dat voorts zal worden gecontinueerd met alle de leeraren, die middelerwijle nog van hier naar Indien zullen worden gezonden, te doen aannemen en beloven,

aat zij een van aiie ae talen des lands zullen aameeren, om zich aan de ingezetenen verstaanbaar te maken.

Qualificeerende wijder de Hooge Indische regeering.

om zoo te Batavia als op Ceylon, ten meeste menage door den dienst van den inlander aldaar in loco te doen drukken de boeken, die zij voor de kerken en scholen zal oordeelen absoluut noodzakelijk te wezen, waartoe haar de hulpmiddelen, wanneer die op den eisch werden bekend gesteld, van hier zullen worden verschaft.

En dewijl, volgens het hiervoren geresolveerde, Batavia tot de hoofdstad van geheel Indiën door den koophandel zal worden gemaakt en daartoe absoluut vrijheid van religie word vereischt, zoo is goedgevonden en verstaan, om die van de Augsburgsche confessie, daartoe verzoek komende te doen, ten haren koste te permitteeren een kerk, zoo te Batavia als aan de Kaap de Goede Hoop, onder een strikte onderhouding van broederschap met de onze, waaraan de overhelden dier plaatsen zelf de hand zullen moeten leenen, be houden nochtans, dat de dienst zal moeten worden verricht en gedaan op de wijze, zooals in de provinciën alhier gebruikelijk is, mitsgaders de predikanten daartoe aan de vergadering van zeventien moeten worden gepresenteerd ter approbatie.

De Kamer van XVII nam dus de voorstellen van den gouverneur generaal Von Imhoff voor een groot deel aan; doch toen de krachtige hand van dezen ontbrak, stierf alles weêr weg.

De eens zoo bloeiende Compagnie kon zich ook op het gebied der voortplanting van de religie niet meer opheffen.

Bedenk wel, dat was nog in 1741, dus niet zoo lang voor de revolutie die Oranje hier wegjoeg.

En toch, hoe hoog wierd zelfs toen nog de waardij der religie voor onze koloniale politiek gewaardeerd.

De heer Ds. S. A. ten Bokkel Huinink heeft een overdruk in het licht gezonden van wat hij in de Bouwsteenen over de oplossing van het maatschappelijk vraagstuk vooral ten plattelande schreef: De uitgave is van Breyer te Utrecht.

Op dezen overdruk vestigen we met name de

aandacht van onze diaconieën, en leggen er aan onze diakenen deze proeve uit voor, waarin vooral het laatste practische gedeelte hen tot nadenken stemme.

Wie eene proeve wil wagen tot oplossing van het maatschappelijk vraagstuk in geheel zijnen omvang of in een zijner onderdeden, die moet een hart vol liefde hebben voor die kleinen die hongerig zijn èn dorstig èn naakt èn vreemdeling èn die behoefte hebben aan voedsel, verkwikking, kleeding en mededoogen op den weg dien zij in stilte bewandelen moeten. Ieder dier kleinen heeft, omdat hij mensch is; recht van bestaan en ieder mensch moet plaats hebben en ruimte om zijne kracht ten nutte der maatschappij te besteden. De strijd om het bestaan mag niet, moet niet worden opgelost_ door vernietiging van den zwakke, opdat de positie van den sterkere des te vaster worde; integendeel moeten wegen en middelen opgezocht om de positie van den zwakke te versterken. De gegoeden (het kapitaal) moeten zich meer en meer bewust worden, meer en meer doordrongen van de dure verplichtingen waartoe de grootere voorrechten, die ze genieten, hen verbinden. Ze moeten leeren verstaan welk een schat van zegen er gelegen is in de rechte beoefening van den plicht, die is voorgeschreven in het ééne woord: Barmhartig zijn,^ in den korten, maar krachtvolïen eisch: Hebt litfl Dewijl er vanaf het uur der stichting altoos «christenen" zijn geweest in de rijke beteekenis van het woord, is er ook altoos barmhartigheid geoefend en beantwoord aan den eisch: Heit lief\ Godshuizen, diaconieën, provisoriën zijn de overtuigende bewijzen voor de waarheid, dat het voorgeslacht het barmhartigheid oefenen gekend heeft als

zijn plicht! In menige gemeente van ons vaderland teeren Godshuizen en diaconieën op de renten van kapitalen in vroegere dagen geschonken, kunnen in den nood voorzien van armen en behoeftigen, terwijl de meening leeft en voortleeft van ouder op kind, dat bij een nauwgezet beheer dier renten, de van hen ook geeischte barmhartigheid recht wordt geoefend. Het is een feit, dat menig arbeider, soms jaren lang gedrukt door de velerlei zorgen voor een groot gezin, in dagen van ziekte, van ouderdom, bij invaliditeit geene toekomst heeft en, om te kunnen leven, moet inroepen de particuliere liefdadigheid of den steun der diaconie. Verwonderen kan het ons niet dat hij, als hij tijden heeft waarin hij zich in een flink loon verheugen mag, eenige weelde zich veroorlooft en daarbij uitgaat (de goeden al weer niet te na gesproken) van de voor hem schijnbare geldige redeneering: Vooruitkomen kan ik toch niet, laat ik het er met mijn gezin dus van nemen als ik iets extra verdien. Wie veel onder den arbeidenden stand moet verkeeren en werkzaam zijn, leert niet alleen de gebreken kennen die dien stand aankleven, maar ook rekening houden met zijne een zijdige redeneeringen en een meer billijk oordeel vellen over vele gebreken en verkeerde toestanden, omdat hij de grondoorzaak daarvan kent. Hij leert menigen arbeider achten en liefhebben die in zijn kring waarlijk meer nut sticht dan de meer gegoede naar de wereld, die prat op dikwerf geërfd bezit, laatdunkend op den arbeider neerziet; doch dezen, door zijne daden en door den dikwerf lagen trap van ontwikkeling waarop hij staat, de verklaring ontlokt: Het geld geeft toch maar geen verstand. Is het middel gevonden om de oorzaken der gebreken weg te nemen, dan voorzeker bestaat voor meer dan de mogelijkheid dat ook de misstanden en ingekankerde verkeerdheden kunnen worden bestreden en verdwijnen zullen Die misstand wordt nooit weggenomen maar blijft, zoolang de arbeider geen verzekerde toekomst heeft voor zich en de zijnen, altoos, zooveel dit te bereiken staat in menschelijk vermogen.

Wel is hierin nu een e? ander waartegen we ernstige bedenking hebben. Zoo met name tegen dat prijzen van allerlei godshuizen en het opleggen van kapitalen. Maar blijkbaar is dat voor den schrijver ook slechts een middel van argumentatie; geen raad dien hij geeft. En wat hij over het beginsel zelf zegt, is uitnemend.

Te uitnemender omdat hij er dit aan toevoegt, voor de toepassing in het dorp Wilp:

In de gemeente Wilp is het sinds jaren voor Diakenen der Nederl. Herv. Gemeente eene onverbiddelijke wet (hoezeer onbeschreven), waaraan allen gaarne en vrijwillig gehoorzamen, daar ze er de goede vruchten telkens van zien: Helpt weezen en weduwen met ruime hand en met een hart dat van waarachtige liefde, van oprechte deelneming klopt, zoolang ze zich als waardige armen gedragen en verder : voorkomt armoe! Steunt, maar door_ tweede en derde hand, allen ruim die tijdelijk zich in verlegenheid bevinden en behoudt den arbeider het hem zoo onmisbaar gevoel van eer en eigenwaarde! Gevolg hiervan is dat diakenen het vertrouwen der Gemeente be¬

zitten en zich ongedacht dikwerf in de ontvangst van ruime giften verblijden kunnen, waarover zij de volle, de vrije beschikking hebben zonder de minste voorwaarde van de zijde der vaak onbekende gevers hun opgelegd. Een collecte ten behoeve van noodlijdenden, gehouden den 6 Januari jl., bracht binnen 24 uur de som op 553 gulden Er waren sommige landbouwers die verklaarden tot de collecte niet te willen geven, maar die voor een bepaalden tijd

zien veruunuen om arbeiders, uic ujucu|k zonaer werk waren, in hunnen dienst te nemen, en on Zondag I

Februari ontvingen diakenen de ruime gift van 50 gulden van een onbekende. Door de commissie, die

zich had gevormd, werden weezen, weduwen en

krankeny zoovelen ze, als tijdelijk noodlijdenden bekend

waren, ot zien als zoodanig aanmeldden, ruim geholpen, maar, hoofden van gezinnen hebben door wérk van wege de commissie verschaft voor zich en de hunnen

het onderhoud verdiend. De diaconie heeft aan hare bestemming beantwoord en alleen te zorgen gehad

voor hare geahmenteerden. Met dank voor de gele genheid tot verdienen hun verschaft, hebben de arbei

ders van de commissie afscheid genomen toen ze

weer hun gewone werk konden aanvatten, terwijl voor'

zeker het feit ODmerkeliik is en sprekend dat een

arbeider, die zich naar hij meende in besloten kring

beklaagde over de geringe verdienste, in plaats van bil

de anderen instemming te vinder., ten antwoord kreeg:

Indien het werk u niet aanstaat, blijf tehuis. Waarheid

is het, dat wie met den arbeider meeleeft, hem lief krijgt en op middelen peinst hem een betere toekomst

te verzekeren, um aat aoei te bereiken moet er ge oefend worden ■philanthropie Eerste voorwaarde daar toe is: zich niet mis grijpen in dp wiiVf» van helpen.

Wie helpen wil moet als leidende gedachte overnemen,

zooara ni] ue nanu aau uen ploeg slaat, het oog op de toekomst en naar boven gericht, het uitgangspunt

van den grooimoeaigeu menschenvriend, wipen w. G. Heldring, die met betrekkelijk weinige en kleine middelen zooveel goeds en groots heeft tot stand gebracht, den onverbiddelijken eisch die geldt voor ieder mensch: »In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten", want, «Ledigheid is des duivels oorkussen" en »Wie zich zelf tracht te helpen dien helpt God, altoos mildelijk, door den dienst van menschen".

Kuyper.

Ter behartiging.

We eindden het nu voorbijgegaan jaar met een artikelenreeks, waarvan tot slotsom als met cijfers werd bevestigd, hoe ook voor de zending het Woord des Heeren waarheid is, dat Hij het onedele en verachte heeft uitverkoren, en den armen het Evangelie wordt verkondigd, opdat alzoo alle roem zii niet bii het vleesch,

€)fficiccle bcricljten uit fre kerken.

bekendmaking.

In de Voorloopige Synode van Nederduitsche Gereformeerde kerken, gehouden te 's-Gravenhage in de maand September 1891 werden de broeders G. H. Thomassen è. Thuessink van der Hoop te Doornspijk, H. Dane te Rotterdam en C. Thomassen Corneliszoon te Velp gecontinueerd als deputaten in zake emeriti, predikantsweduwen en weezen.

Genoemde deputaten herinneren daarom den Ned. Gereformeerden kerken in ons vaderland aan het advies over deze aangelegenheid uitgebracht, overeenkomstig art. XIII der Dordtsche Kerkenordening, der Voorloopige Synode, gehouden te Leeuwarden in de maand Juni des jaars 1890.

Dit advies luidt als volgt:

»De kerken moeten gewezen worden op de verplichting, die zij op zich genomen hebben met het aanvaarden der Kerkenordening, om art. XIII na te komen.

Dit laatste kan plaats vinden, door in de plaatselijke kerk collecten te houden, met het doel, om daarvan een plaatselijk fonds te vormen, onder beheer van den raad der kerk, die het door het bestuur van de Kerkelijke Kas zal doen beleggen, hetzij door inschrijving op het Grootboek der Nationale Schuld, hetzij op de Rijkspostspaarbank, of wel door het nemen van ie hypotheek. Komt eene kerk voor het geval te staan dat art. XIII van de Dordtsche Kerkenordening toegepast moet worden, en is zij daartoe niet in staat, dan wendt zij zich tot de classis om ondersteuning.

Kan ook de laatste niet helpen, dan zoekt de noodlijdende kerk hulp bij de Deputaten Synodi.

De laatste brengen het geval ter kennis van alle Gereformeerde kerken in Nederland."

De Deputaten-Synodi, C. H. Th. k Th. van der Hoop. H. Dani.

C. Thomassen.

Rotterdam, 26 December 1891.

Aan alle zusterkerken in Nederland en verdere belanghebbenden wordt door dezen kennis gegeven, dat als scriba van den Kerkeraad der Ned. Geref. Gem. te Oosthem c. a. is benoemd Hezze P. Wesselius, en dat mitsdien alle stukken haar betreffende aan het adres van den scriba behooren te worden gezonden.

H. P. Wesselius.

Oosthem, 26 Dec. 1891.

maar Hem, die hetgeen niets is tot iets maakt.

Kort daarop ontvingen we uit Amerika een blad, dat juist over hetzelfde onderwerp handelt. Daarin lezen we o. a. dit:

»Werkelijk heeft de zending van hare groot¬

ste overwinningen te gewagen onder zulke vol¬

ken, die door helden der-wetenschap als onge-

—U.'l.i. . i_ 1 -1 ,

5CH1K.U voor Descnaving en nooger geesteiijn. leven aangeduid worden. Onder de Paria's en N.- Zeelanders, onder de Madagaskers en Roode

Indianen heeft het Evangelie dezelfde werking

gedaan als onder iranschen en .bngelschen,

en zich juist daardoor als de levende band,

de ware ziel der menschheid doen kennen.

Door geen wetenschap wordt de theorie van Vogt c. s. zoo krachtig wederlegd, als juist door de zending; door haar is bewezen, dat ook in de harten der diepst gezonken natuurmenschen een «hemelvuur'' brandt, waarvan men ook bij de schranderste en edelste dieren geen vonkje kan ontdekken. Dit vuur nu, dat bij ontelbare heidenen nog slechts in de asch gloort, verheft zich weldra tot een heldere vlam, als de adem van het Evangelie er in blaast, en dan en zoo en alleen dan en zoo, worden de onmenschen tot menschen.

Dat inderdaad zij die het verst verwijderd zijn, nabij kunnen komen is bewezen. Dit getuigt wat Stanley, die jaar en dag slechts met negers leefde, van hun vatbaarheid voor ontwikkeling zegt. Evenzoo de berichten over de werking des Evangelies in Zuid-Afrika, Australië en Indië. Darwin, de grondvester der »ontwikkelingsleer", schreef reeds in 1835, dus in een tijd dat de evangelisatie van Polynesiën begon. »Over het geheel heb ik den indruk, dat de zedelijkheid en godsdienstigheid

der inboorlingen werkelijk den hoogsten lof

verdienen. ü<n iaat men nu den tegenwoordigen toestand met dien, waarin zich b.v. Tahite voor twintig jaren bevond; ja, met dien, van het hedendaagsch Europa vergeleken en men zal, al is er ook geen volkomenheid, verbaasd staan.

»Zooveel de toestand des volks beneden die grootste hoogte blijft," zegt Darwin „zooveel moeten de zendelingen hebben misdreven, in

plaats dat men hun dankbaar is voor hetgeen zij tot stand gebracht hebben. De berispers vergeten of willen vergeten, dat menschenoffers, de macht eener afgodische priesterschap, weergalooze wellust, kindermoord, enz. dat dit alles ter zijde gesteld en afgeschaft is, en dat wetteloosheid, onmatigheid en ruwheid door de invoering van het Christendom onbetwistbaar verminderd zijn.

Mocht het hun lot zijn op een onbekende kust schipbreuk te lijden, zij zouden een vurig gebed ten hemel zenden, dat toch de leer der zendelingen tot hare bevolking mocht doordringen.

Dat de eene volkstam meer en spoediger voor het Evangelie ontvankelijk is dan de andere, ligt voor de hand. Dat is echter ten allen tijde zoo geweest, was ook zoo bij verschillende personen in de oude Christenheid; ja vindt men onder kinderen van dezelfde ouders.

Uit getuigenissen als deze, geheel irjr overeenstemming met wat we schreven, volden twee dingen.

Vooreerst — we zeiden het reeds vroeger — -

dat voorgoed dient gebroken met wat men noemen kan de »blinde heidenen"-theorie. Het gaat eenvoudig volstrekt niet aan, allen over één kam te scheren. Een Chineesche Boeddhist is geen Papoea, en een Bramaan geen Dajakker, al zijn allen heidenen. Nog veel sterker dient gelet op het onderscheid tusschen Mahomedaansche en heidensche bevolkingen die vaak gemengd dooreen wonen.

Hieruit wederom nu volgt dat, zal de zending ooit vruchten dragen, reeds van den beginne af d. w. z. bij de opleiding dergenen die als predikers zullen uitgaan, beslist dient gerekend met deze toestanden; de vorming dient geregeld naar het arbeidsveld, dat dus vooruit dient bepaald en zulks, althans ten onzent in vele gevallen, ook wordt.

Met alle waardeering van wat b.v. op Java door de Zending geschied is en nog geschiedt zal toch niemand de dusver verkregen uitkomsten schitterend noemen. En dit treft te meer bij vergelijking met Britsch-Indië, ja met andere deelen van onze Oost, b.v. Celebes en Sumatra. Het was dan ook een goede gedachte van de Gereformeerde Zending een inspectiereis te laten ondernemen, opdat men, na met de uitkomsten van deze bekend te zijn, zich kunne afvragen, hoe verder te handelen.

Dat het op Java anders gaat dan b. v. op Sumatra, ligt aan het heerschend Mahomedanisme. De Rijnsche zendelingen in de Tobalanden van Sumatra .hadden daarmee niet te kampen en de vruchten van hun arbeid zijn bijzonder groot en talrijk. Op Java wint ge den Chinees nog wel, den Mahomedaanschen inlander veel moeilijker.

Daarom — zij 't bij den aanvang des jaars en van dezen arbeid nog eens uitgesproken gelijk ook het Zendingscongres, voor 2 jaar alhier gehouden, er op wees — is de opleiding der zendelingen, de toe- en uitrusting der strijders, van zoo hoog gewicht. Vooraf dient vast te staan, wat van hen zal geëischt worden, wat hun taak zal zijn. Het begrip »heiden" is te vaag en bovendien stelt de strijd tegen een anti-Christelijk monotheïsme geheel afzonderlijke eischen. Zien alle Zendingsvrienden, zien allen die zich tot den arbeid aangorden, het in? Toch moet de kerk van Christus een Zendingskerk zijn, maar dan ook met wijsheid en vroed beleid.

Voorts zij het feit, waarop we hierboven wezen, tot bemoediging, — een vermaning tegen verslappen. Omdat de onedelen en verachten het eerst en best zijn te winnen, mogen we de anderen niet vergeten. Doch we weten dan ook dat een vaak hopeloos schijnende arbeid — en er zijn die moedeloos worden naast vele tragen en onverschilligen — toch op zijn tijd vruchten kan en zal dragen. Veeleer moet in onze Indiën de betrekkelijke voorspoed onder de volslagen heidenen door den arbeid der Zending verkregen, jaloerschheid verwekken en tot krachtigen, maar dan ook weloverlegden doeltreffenden arbeid aansporen onder degenen die meer dan deze heidenen »vijanden des Kruises" zijn. Ook den Grieken was het kruis een dwaasheid. Toch predikte Paulus hun het Woord en hij is niet beschaamd geworden.

Hoogenbirk. —

Engeland. Een nieuw tijdschrift beoogende vereeniging van alle kerken. Drie part ij en in de Episcopale kerk.

Een nieuw tijdschrift is in Engeland verschenen. Dat is voor Albion, waar dagelijks honderde bladen verschijnen, niets bijzonders. Maar wel is het eigenaardig dat het nieuw opgerichte blad niets minder dan de vereeniging van alle christelijke kerken beoogt. Het is getiteld: >Review of the Churches" en verschijnt bij James Clarce en Co., te Londen Onder de redacteurs telt men de aartsdeken

Farrar, een bekend geestelijke van de Episcopaalsche kerk; Dr. Donald Fraser, leeraar bij

eene i resbyteriaansche gemeente ; Dr. A. Makennal, predikant bij de Congregationalisten of Independenten; Dr. John Clifford,een Baptistisch leeraar en de heer Bunting, een

Methodist.

Van lieverlede is men. zonder het te weten.

medegesleept door den stroom van het onge¬

loof en nu is men zoover gekomen, dat de geloofsverschillen geen wezenlijkheid meer voor

velen hebben. Het verschil over het al dan niet doopen van de kinderen der gemeente, het verschil omtrent algemeene of bijzondere verzoening, vinden velen in onze dagen van geen beteekenis meer: men zegt alle Protes-

tantsche kerken zijn het toch hierin eens, dat God liefde is en dat het heil in Christus is en dat de menschen als broeders moeten verkeeren, en daarom betaamt het ook om naar vereeniging te zoeken! Men ziet uit al deze uitdrukkingen hoe men van het fundament van Gods onfeilbaar woord is afgedreven.

Iets is er toch wat dit jagen naar vereeniging eenigszins rechtvaardigen kan. Er zijn geheele menschenmassa's die van God en zijn gebod niets willen weten, die ook door de kerken niet worden bereikt. Als men de handen in een sloeg, zou men beter kunnen arbeiden onder de duizenden en millioenen die nu door de kerken verwaarloosd worden. Doch om te kunnen arbeiden moet men een vasten grond onder de voeten hebben. Worden echter de fundamenten, waarop de kerken rusten, ondergraven, dan wordt weldra elke arbeid onmogelijk. De schrijvers van de nieuwe tRevieiu'1 meenen dat de kerken tot meerdere eenvoudigheid zouden geraken door de wetenschap, en zij leeren dat de weg tot vereeniging is eene wederkeerige wetenschap, want als men

elkander beter leert kennen, zal men ook meer elkander gaan liefhebben. Met andere woorden : door de wetenschap moeten de scherpe punten der verschillende leerstukken afgevijld worden, dan komt men wel nader bij elkander; wij voegen er aan toe: en wordt men meer der wereld gelijkvormig.

De Anglicaansche bisschop van Liverpool heeft dezer dagen een brief geschreven aan de geestelijkheid zijner diocese, waarin hij o. a. spreekt over den neteligen toestand waarin tegenwoordig de Anglicaansche kerk zich bevindt. Behalve de aanvallen der dissenters, die zich van haar afscheidden, heeft de Episcopale kerk veel te lijden van verdeeldheid in eigen boezem. De dingen kunnen niet langer zoo blijven, zegt de Engelsche bisschop. Er is te veel verschil over de leer en over de uitwendige plechtigheden in de kerken, om op den duur eendrachtig saam te werken. Drie huisgezinnen in één huis gaat goed, wanneer zij in slaap zijn, maar de vrede kan op den duur niet bewaard, wanneer zij beginnen te ontwaken. En er is krachtig leven ontstaan onder de drie partijen die elkander het terrein betwisten. Men heeft rationalisten, wier kamp onlangs nog versterkt werd door de schrijvers van het werk >Lux Mundi\" er zijn hoog-kerkelijken, die er niet niet tegen opzien om een Mariabeeld in de prachtige St. Paulskerk te plaatsen, die aan de werkelijke tegenwoordigheid van Christus' lichaam en bloed bij het Avondmaal gelooven, en die met gejuich de wederinvoering van de biecht zouden begroeten, dingen die in de confessie van Westminster, het formulier van eenigheid der Episcopale kerk, als dwaze en godslasterlijke fabelen worden gebrandmerkt; en er zijn laagkerkdijken, die de Episcopale kerk, in den toestand waarin zij voor 60 jaren was, zouden willen herstellen. Wat moet er van zulk een verdeeld huisgezin worden?

o! Dat in Engeland hoog- en laag-kerkelijken nog eens tot het besef kwamen, dat zij bezig zijn de heerlijke schatten die de reformatie der kerk terug gaf, te verkwisten en dat daarom deels wegzinking in het ongeloof of deels terugkeer tot Rome het eind zal zijn van een strijd, die thans in haren boezem gevoerd wordt. Mocht de Heere God genadiglijk verhoeden, dat het werk der reformatie in Engeland vernietigd werd.

Zwitserland. Strijd in de Vrije kerk van Waadland.

De Vrije kerk van het canton Waadland in Zwitserland is dezer dagen het tooneel van een pijnlijken strijd. In 1843 werd de Gereformeerde kerk van Waadland gesplist in eene Vrije en eene Staatskerk. In de Staatskerk heerscht het kerkelijk liberalisme, maar ook in de Vrije kerk heeft het zich eene plaats weten te veroveren. Althans heeft de hoogleeraar Astié in bond met zijn ambtgenoot, den hoogleeraar Dandiran, de driestheid gehad, om schoon te Lausanne de Vrije kerk dienend', het voorbestaan van Christus te loochenen, betoogende dat de schriftuurplaatsen die schijnen te wijzen op een persoon, enkel een mkbeeld aanduiden, en slechts te kennen geven, dat het voornemen van verzoening bestond vóór de grondlegging der wereld, een deel uitmakende van het Scheppingsplan. Het voorbestaan van Christus ontkennende, leeren de twee genoemde hoogleeraren, dat alleen 's Heeren hooge persoonlijke reinheid, Hem den naam verwierf van den eenigen welbeminden Zoon des Vaders.

Men ziet hieruit, dat wij eenige jaren geleden,. zij het ook tot ergernis van enkelen, den hoogleeraar Astié, naar aanleiding van zijn opstel over Alexandre Vinet, niet geheel ten onrechte bij de moderne theologen indeelden. De heer Astié doet thans zeker niet anders dan de oude dwalingen der Socinianen vernieuwen.

Het is ons eene vreugde te kunnen mededeelen dat de hoogleeraar Godet van Neufchatel de pen tegen de professoren van Lausanne heeft opgevat, om in dit stuk de rechtzinnige leer te verdedigen. Ook moet het ons tot blijdschap stemmen, dat het comité van het seminarium der Vrije kerk reeds tegen den heer Astié is opgetreden.

Immers was den heer Astié opgedragen om de openingsrede voor de lessen van het seminarium der Vrije kerk te houden. Doch men

Sluiten