Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïratt öe

Het auteursrecht van den Inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van 38 Juni 1881 {Staatsblad N°. 124).

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden.

Bijdragen van medewerkers, Ingezonden stukken en alles wat verder den Inhoud van dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE» Abonnementen en Advertentiën aan den Uitgever I. k. WORMSER; Bureau N. Z. Voorburgwal 44, te Amsterdam.

Inzendingen die later dan Donderdag 's namiddags te 12 uren worden ontvangen kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking komen

Zondag 29 Maart 1896. N°. 953.

Abonnementsprijs: franco aan huls, per drie maanden f 1.20. Afzonderlijke

nummers aan het Bureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren enz. en aan het Bureel te Amsterdam.

Advertentiën: van 1 tot 6 regels 90 Cent; voor eiken regel meer 15 Cent. Aanvragen en vermelding vaa liefdegaven en Verslagen van Vereenlgingen 10 Ct. p. regel.

©an be gemeene $ratte.

XXVIII.

En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen die zulke dingen doen.

Rom. 2:2.

De dood, beschouwd in verband met het eten van den Boom der kennisse, kan op tweeërlei wijze worden verstaan. Of als een straf die bedreigd werd, óf wel als een gevolg dat er uit zou voortvloeien. Wordt de dood °p landverraad gezet, dan is dit een bedreigde straf, want op zichzelf sterft men er niet van als men hoogverraad pleegt. Maar als ik zeg: »Neem niet van dat Pruisisch blauw, anders zult ge den dood sterven," dan is van straf op zichzelf geen sprake, er wordt alleen uitgesproken, dat dit vergif doodelijk is, en dat wie het inneemt er aar. sterft. Zelfs kan ik, in het laatste geval, als iemand tegen mijn raad het toch innam, nog een poging wagen, om door een sterk cmeticum of braakmiddel de doodelijke gevolgen ervan af te wenden. Dan heb ik wel volkomen naar waarheid gezegd: »AIs gij daarvan neemt, zult ge den dood sterven," maar word ik deswege mijzei ven nog in het minst niet ongelijk, zoo ik daarna den roekeloozen gifnemer beproef te redden. Is dit duidelijk, dan zal men moeten toegeven, dat zoo ook de woorden: »Zoo gij van den Boom der kennisse eet, zult gij den dood sterven," ten volle tot hun recht komen, zoo ik ze versta, als hielden ze niets anders in, dan de betuiging, de waarschuwing: »Weet wel, als ge u er toe verlokken laat, om van dien boom te eten, dan zult ge zien, dat er de dood uit komt." En hadden ze deze beteekenis, dan is er niets strij0i£3 dat de dood niet aanstonds en niet n°g dienzelfden dag in Adam voleind werd, overmits diezelfde God, die hen gewaarschuwd had, na hun overtreding, terstond toeschoot, om de gevolgen van het kwaad te temperen. We neigen er daarom zeer toe, om ons de strekking dezer woorden in dezen zin voor te stellen. Het eten van den Boom der ken msse verbrak, om reden vroeger uiteengezet, den levensband tusschen God en hur ' *?.00r hct breken van dien band moesl

satenï ir1eT die ziel «3ÏÏ

Sen li r ^ n' En Waar dezc beide re? dl E tCn' m°CSt 00k debiQd scheu aan dlt aanziJ'n bead> enalzoc

7i?IJ/VVPeenS' d- te dage, d<

eeuw! a Ü ltchamelijk<> de tijdelijke en d<

SST V°0r hcn intrcden- hac

d hun aangezegd, en daarvoor had Go< ziin f.ewaarschuwd. Zoo zou het dan ooi si-nnri 1 ^eko™en' en de dood zou hen ter u-- ,Seheel en al overweldigd hebben oJ, lCU £een. gena-de tusschenbeide wan . . ™en' en 'ndien niet barmhartigheid dezi ontzettende uitkomst had afgewend.

en jaa^t mcn' °f de geestelijke, de tijdelijk» of j eeu wige dood dan geen straf is, e: zq 'a u'tsluitend als een uitvloeisel van d n e 1S te beschouwen, zoo moet deze vraag vermits hier van een ordinantie Gods sprak > beslist worden afgewezen. In Gods schep Pingsordinantie, en zoo ook in zijn Voorzien!

«tel, ligt alles door oorzakelijk verband i: eikaar geschakeld. Wie zich te buiten gas aan sterken drank, ondervindt er de droevig gevolgen van in het verlies van gezonc .eic^> goeden naam en welstand; maar : v oeit dit verlies vanzelf uit de zond vo°rt, het is er tevens een straf voor. E vreeselijke ziekte, wier besmettelijk gif doe Zo° menigeen in den weg van wellust won opgenomen, is zeer zeker een gevolg va begane kwaad, maar is ze daarom ie minder een straf, die de overtreder wel te ege als zoodanig, in zijn consiëntie onde vindt ? Omgekeerd zijn de gunstige gevolg( lc een leven van eer en deugd voor g zondheid, goeden naam en welstand o evert, niet alleen een uitvloeisel van zu eerbaar gedrag, maar tevens een goe gunstige belooning, die als een uiting van i gunste Gods in de ziel ervaren wordt. £et oorspronkelijk bestel Gods, gelijk c •"achtens de schepping bestond, was ze geen mechanische straf noch mechanisc belooning denkbaar Alles hing in organis< verband saam. D. w. z. het leven ov eenkomstig de ordinantie Gods maakte v< zelf gelukkig en leidde vanzelf tot eeuwige zaligheid. En zoo ook omgekee ftet weerstreven van de ordinantiën Gc zou vanzelf van het geluk berooven en v; zelf rampzaligheid na zich sleepen. Gevt straf uitkomst en oordeel waren uit di hoofde één. Noch de straf noch het lo kwam er uitwendig bij, maar beide vlc den vanzelf uit het geloof of uit het < geloof voort. Maar ook al was dit z< ^ "aam volstrekt het feit niet weg, . deze uitkomst van de goede ot schuld "aad tevens als loon en straf bedoc

en als gunst of oordeel ervaren werd. te

Het komt dus niet in ons op, om het or

karakter van straf hier weg te nemen, ui'

onze toeleg is alleen, om scherp en H

duidelijk te doen uitkomen, dat het *te D

dien dage zult gij den dood sterven" niet d<

te dien dage aan Adam en Eva vervuld m

is, Alsook om den weg der genade open h<

te houden, zonder dat de stellige uit- is

spraak Gods onwaarachtig wordt. »Ten dage b(

als ge daarvan eet zult ge den dood sterven" di

mag niet verzwakt, maar moet staan blijven d;

in deze zijn volle krasse beteekenis: »Op dien in

eigen dag zult gij in den geestelijken, licha- pi

melijken en eeuwigen dood wegzinken". En dit at

nu is niet alzoo geschied. d< m

Op dit punt in ons betoog aangekomen, bi '„„t zfch de vraag niet onderdrukken, waarom Si Vet nii". alzo^ geschied is. Op zich zelf toch in zal aien bij eenig nadenken moeten toe- zi str flr - 4 at er ongemeene voordeelen aan zc verbonden zouden geweest zijn, indien het di kort en goed aldus en niet anders met Adam tn en Eva ware afgeloopen. Stel u toch voor, le dat op dien eigen dag Adam en Eva R niet alleen geestelijk gedood, maar ook st lichamelijk gestorven en beiden in den p eeuwigen dood weggezonken waren, zoo is zou hun persoonlijk geen genade zijn ge- ei schied, maar zou ook, van den anderen ui kant, het getal der rampzaligen zich tot twee beperkt hebben, de vloek van de aarde zijn v weggebleven, en al die naamlooze jammer is voorkomen zijn, die nu om der zonde wil is en als gevolg der zonde door dien jammer, si eeuw na eeuw, als een stroom is uitgegoten, g Ware dan daarna een nieuw menschenpaar k op diezelfde aarde en in datzelfde paradijs g geschapen, terwijl de lijken van Adam en d | Eva er nog lagen, en had God dit nieuwe a menschenpaar. met de vreeslijke ervaring \ van Adam en Eva voor oogen, voor c dezelfde proef gesteld, dan laat het zich s althans denken, dat dit nieuwe menschen- c paar niet voor Satan bezweken ware, en f dat een leven in eeuwigen jubel deze s aarde vervuld had. Men zal toestemmen, ( dat dit denkbeeld verre van ongerijmd ( is, en dat het goed is, het ons zoo < in te denken, omdat we zoo eerst recht < verstaan, wat het inhad, dat Adam en Eva ; niet opeens verdelgd werden, maar genade ontvingen. Zeker het was genade, maar een ; bange genade, een angstige genade, een ge- : nade waarbij de ziel siddert, als ze indenkt wat oceaan van menschelijken jammer er ; tegelijk mede geopend werd.

Toch is het niet moeilijk in te zien, waarom die schijnbaar eenvoudige weg niet kon worden ingeslagen, althans indien men niet hangen blijft in de weinig doordachte I voorstelling, alsof ons menschelijk geslacht als zoodanig verloren gaat, en alsof slechts enkele eenlingen uit ons geslacht behouden worden. Kleeft men nog altoos die laatste, wel ietwat oppervlakkige voorstelling aan, dan is geen renkele reden in te zien, : waarom die enkele eenlingen niet evengoed door een nieuw menschenpaar, zonder tus: schenkomende zonde, hadden kunnen geteeld ■ worden. Men let dan eenvoudig op de ; zaliging en de toebrenging der enkele per. sonen, en verzuimt te rekenen met het : werk en met de eere Gods. En op dat : standpunt was het natuurlijk voor de zali-

- ging en toebrenging dier eenlingen volstrekt l niet noodzakelijk, dat ze juist dien gevallen ï I Adam tot stamvader hadden. Een nieuwe ï I stamvader onmiddellijk na Adams bitteren r dood geschapen, juist op de wijze waarop t hij zelf geschapen was, zou aan die eenlingen i evengoed het aanzijn hebben kunnen ges ven, en alsdan zonder al den naamloozen

- jammer die thans eeuw in eeuw uit werd

- uitgegoten.

q Maar heel anders komt de zaak na-

- tuurlijk te staan, als ge van zoo eanzij>- dige beschouwing dier eenlingen afziet, en k merken gaat op het werk Gods en let op l- de handhaving van de eere Gods tegen- j e over Satan. Reeds het enkele denkbeeld n toch, om de schepping van het eerste menit schenpaar, nadat dit viel, over te doen, en fs met de schepping van een tweede mene schenpaar van voren af aan te beginnen, h wordt dan vanzelf ongerijmd. Wie onder menr- schen iets moet overdoen, blijkt reeds daar[i-1 door onvoldoend en gebrekkig werk geleverd le te hebben; iets dat anders had moeten zijn. d I Kan dit nu bij God niet, en is zijn uitspraak, Is dat hetgeen Hij geschapen had in volstrekn- ten zin tzeer goed was, onaantastbaar, dan lg is overdoen van de schepping des menschen :n een gedachte die met de volkomenheid Gods >n onvereenigbaar is. In Adam schiep God niet :i- maar een eenling, maar een man in wien de n- kiem van geheel ons menschelijk geslacht o, school. Hij was niet maar één los op at! zichzelf staand persoon, maar zijn persoon ge j en het menschelijk geslacht was in het Parad, | dijs één. Hij droeg ons, om met de Schrift

diis één. Hii droeg ons, om met de Schrift

t * T. i

te spreken allen m zijci lendenen, ja,

om het scherp, maar toniet te gewaagd bl< uit te drukken, de kiem waaruit straks ge Henoch en Noach, Abraham en Jacob, be David en Jesaia, ja, alle uitverkorenen zou- bl den geboren worden, zou er niet bijkomen, vr maar was organisch in de schepping van lig het eerste menschenpaar gegeven. Niets is hier los noch staat op zichzelf. Alles bestaat in organischen samenhang. En juist ge daarom was het ondenkbaar en onmogelijk w< dat diezelfde uitverkorenen, wier kiem reeds Ni in Adam gegeven was, door nieuwe schep- H pingsdaad nu tot afstammelingen van een oj ander menschenpaar zouden gemaakt wor- Ei den. Zoo kan wel denken hij, die elk di mensch als een op zichzelf staand wezen wi beschouwt, maar niet wie met de Heilige V Schrift belijdt, dat de nakomelingen reeds to in de lendenen van den stamvader besloten lij zijn (Hand. 2 : 30; Hebr. 7 : 5, en even- si; zoo Gen. 35 : 11 en x Kon. : 3:9). Op b< dit Schriftuurlijk standpunt zijn er niet allerlei si mëifschelijke geslachten, die God naar wil- lo lekeur scheppen zal, maar fis er, naar zijn w Raad, slechts één menschelijk geslacht be- m staanbaar, datgene, dat Hij feitelijk gescha- ri pen heeft. Dat ééne menschelijk geslacht m is een begrip dat uit twee stukken bestaat, E en niet zooals de oppervlakkige waant, slechts sl uit één stuk. d

De oppervlakkige toch stelt het zich V voor, alsof ons menschelijk geslacht niets d is, dan de optelsom der individuen. Dit nu G is ten eenemale valsch. Ons geslacht be- h staat uit twee dingen: i°. uit de groeps- v gewijs geordende individuën waarin het uit- a komt; en 2°. in datgene wat aan deze u groep van individuën gemeen, hun als schat h des levens geschonken is, en wat hun band I als geslacht uitmaakt. Een leger bestaat r volstrekt niet alleen uit > .enkele recruten, < die er bij ingelijfd zijn; maar die enkele s soldaten worden eerst tot een leger verbonden door het aan allen gemeenschappelijke uniform, door het ééne vaandel waaraan ze trouw 1 zwoeren, door de oefening die ze bezitten, door i de tucht waaronder ze gehouden worden, en 1 door de leiding die ze van hun hoofden ont- ; vangen. En zoo nu ook is er bij elk geslacht, | en zoo ook bij ons menschelijk geslacht, eenerzijdste letten op de enkele personen in hun verband van gezinnen en familiën, maar ook anderzijds op al datgene wat het gemeen- schappelijk bezit van de gezamenlijke menschheid aan allerlei uitwendig en inwendig goed, dat tot ons geluk dient, uitmaakt. Neem b.v. de dichtkunst, en de macht van het lied en de bekoring van het harpgetokkel en 1 orgelspel, en ge begrijpt terstond, dat dit volstrekt niet aan alle menschen hoofd voor hoofd eigen is; en ook begrijpt ge, dat : deze macht van het lied niet een particui lier iets van en voor een David en Asaf, Bilderdijk en Da Costa is, maar dat de schat van den zang aan allen saam, aan • ons geslacht, toebehoort. En zoo nu is het met elke kunst, met elke gave, met alle uitnemendheid. Niet een ieder bezit ze, ze is het deel van enkelen, maar l die enkelen bezitten die uitnemendheid i niet voor zich, noch danken ze aan zich

- zeiven, maar ze is een deel van den t menschelijken schat die in hen uitkomt, t en dien zij door hun talent ten behoeve

- van ons geslacht verrijken. Wilt ge nog t een ander voorbeeld, zie dan op de 1 taal. Ook de menschelijke taal toch is ï volstrekt niet maar een optelsom van 1 klanken, die individu bij individu uitstoo:> ten, maar die menschelijke taal is een 1 schat van het volk en van heel ons mensche-

- lijk geslacht, die buiten de individuën be1 staat, als allen slapen en zwijgen niet weg i is, die van eeuw op eeuw overgaat, en daarom

hoort tot het menschelijke, dat niet door een l- eenling voor zich mag worden geroofd, maar

- aller gemeenschappelijk erfdeel is.

n Eerst als men op die wijze niet op den p waterspiegel in zijn huikje blijft dobberen, 1- maar den moed bezit, om in de diepte te d duiken, en tot den grond der dingen 1- af te dalen, gaat men ten volle vern staan, wat het voor God was, de in 1- Adam en Eva gevallen menschheid los te 1, laten en ze op staanden voet te doen wega- zinken in volstrekte rampzaligheid en r- dood. Had dit alzoo plaats gegrepen, d dan zou ons gansche menschelijk geslacht, 0. met al dien verborgen schat van uitnek, mendheden, dien God de Heere in Adam k- besloten had, plotseling verdwenen zijnin Nooit en nimmer zou al de verborgen ;n heerlijkheid, die God in ons menscheis lijk geslacht besteld en naar de kiem et erin gelegd had, uit zijn gekomen. Gelijk le soms in de lente één koude nachtvorst ht al de uitgeloopen vruchtbloesems ver>p sterven doet, zoodat er in den zomer :m niets kan gedijen en in den herfst geen enkele a- vrucht te plukken valt, en de boomgaardeift nier, beschaamd staat, zoo ook zou de ééne

zonde van Eva en Adam plotseling al de is, bloesems van heerlijkheid, die God ons ei geslacht toebedeeld had, voor altoos heb- te ben doen versterven, dat er nooit één v£ bloem ontloken was, en nimmer één enkele is vrucht van ons geslacht tot prijs zijns hei- zc ligen Naams ware te plukken geweest. d;

d<

God de Heere had bij zich zeiven voor- ei genomen zijn Goddelijke deugden in een zi wereld, die Hij scheppen ging, te weerkaatsen, zc Niet om onzentwil schiep Hij deze wereld, h; Hij schiep alle ding [om Zichzelfs wil, S; opdat de majesteit der heerlijkheid van zijn vi Eeuwig Wezen zich tot prijs zijns Naams w daarin zou afspiegelen. Die schepping, hoe- sl wel organisch één, klom op in geledingen, v; Van het lage creatuur in het delfstoffenrijk H tot het hoogste creatuur in het mensche- P lijk geslacht. Eerst in dat menschelijk ge- r< slacht zou de kroonlijst van dezen heerlijken v bouw schitteren. Maar dat menschelijk ge- b slacht zou zich eerst van lieverlede, in den d loop der eeuwen, uit een kleine kiem ont- zi wikkelen. De heerlijkheid van het firmament, van het plantenrijk en van het dierenrijk was terstond openbaar en zichtbaar, d maar niet alzoo van ons menschelijk geslacht, n De heerlijkheid van ons geslacht was be- r sloten als de parel in de schelp, als de halm in d de are die zal uitschieten in de graankorrel, d Wat te zien en openbaar was beantwoordde p dus allerminst aan het bestel van het plan \ Gods. Eerst als ons geslacht ontloken, als g het opgebloeid, als het gerijpt zou zijn, en in t volle vrucht zou staan, dan zou hemel en 1 aarde God kunnen verheerlijken om de 1 I uitnemendheid van dit zijn werk. God zag in c I het Paradijs dat het »zeer goed" was, omdat i Hij in de graankorrel de are doorschouwde, j 1 I maar het creatuur zag nog niets dan Adam : I en Eva, heerlijke gestalten, majestueuse ver- : i schijningen, ongetwyreiü, iud.d.1 üu. toufc nog- . niets vertoonden dan den gesloten bloemknop en het eerste uitbotsel, die nog van verre niet gissen lieten, wat schatten er door God in ons menschelijk geslacht besloten waren. Ware dus met hen de zaak afgedaan geweest, zoo ware het doen Gods ongerechtvaardigd gebleven, zijn Goddelijk bestel en plan verijdeld, en niet alleen de schepping van ons geslacht maar de schepping van heel de wereld, die eerst in ons geslacht haar kracht vond, als één reusachtige mislukking in het openbaar ten toon gesteld, en zulks wel als ; I betoon van de macht van Satan.

Wat er aan hing was dus niets minder

1 dan Gods eere. Gods eere niet op één

: enkel punt, maar in het majestueus geheel

■ van zijn scheppingswerk. Die eere toch kon t niet uitkomen, of wat Hij in de kiem van

■ ons geslacht verordineerd en besloten had, , moest voor aller oog openbaar kunnen : worden; en dit had niet kunnen geschieden, 1 dit ware voor altoos uitgesloten en afgesneden 3 geweest, indien het aan Adam en Eva vert vuld was, dat ze op dien eigen dag in den t geestelijken, tijdelijken en eeuwigen dood zour den wegzinken. In dat te dien dage ligt 1 dus eenerzijds de kracht, om ons met de r huivering van ons hart te doen doorle1 ven, wat breuke voor de eere Gods en , wat verijdeling van zijn scheppingsbestel 3 het zou geweest zijn, indien het alzoo gel schied ware; maar ook anderzijds, wat hooge ï I beteekenis voor de eere Gods, voor heel de s Theodicee, en voor de gansche historie der a wereld het heeft, dat wondere genade, zoo - particuliere als gemeene, dezen ontzettenden ti I afloop voorkomen heeft.

:- Neen, het is niet alzoo geschied. Adam :- en Eva zijn op dien dag niet den dood geg storven. Zeker de kille adem des doods is n over hun ziel gegaan, is tusschen hun ziel en n hun God getogen, en heeft den'geestelijken ir dood over hun inwendig leven gebracht. En ook, diezelfde adem des doods is tusschen hun n ziel' en lichaam ingedrongen, heeft hun oor1, spronkelijke levenskracht ondermijnd, hen aan :e ziekte en ongeval blootgesteld, en is oorzaak :n geworden, dat eeuwen later hun lichaam r- en hun ziel in den tijdelijken dood uiteen is in gescheurd. Ja zelfs de eeuwige dood is inte getreden, en heeft ten slotte, niet hen perr- soonlijk, maar dan toch velen uit hun na■n komelingen als prooi en buit weggesleurd n, in eeuwig verderf. De dood is wel waarlijk it, gekomen. Maar hij is niet op dien eigen dag e- in voleinding gegaan. Hij is niet als eeuwige m dood een macht geworden die Adam en Eva n- feitelijk voor eeuwig overmeesterde. Hij heeft ;n als koning der verschrikking geheerscht en e- heerscht nog, maar hij heeft niet geheel m ons menschelijk geslacht het uitkomen, het jk zich ontwikkelen, het ontluiken, en net •st openbaren van zijn verborgen schat belet, ïr- Veeleer juichen de gezaligden, en met hen er al wie gelooft, den dood in het aangezicht: :1e »Dood, waar is uw prikkel, en graf waar is [p- uw overwinning ?" — Staat dit nu vast, dat wel

is, om die plotselinge en onmiddellijke voleinding teweeg te brengen, die lag opgesloten in de woorden : » Ten dage als ge daarvan eet, dan zult ge den dood stervenzoo is het duidelijk : 1°. dat terstond na den val in zonde de openbaring der genade intreedt: 2°. dat het deze genade is, die de macht en de overwinning van den dood gestuit heeft, en 30. dat deze stuiting van de anders noodzakelijke en onafwendbare gevolgen der zonde, in de eerste plaats ten doel had de handhaving van de eere Gods tegenover Satan, in de tweede plaats de handhaving van het bestel Gods in heel zijn scheppingswerk, en met name in ons menschelijk geslacht, en in de derde plaats de volvoering van het raadsbesluit zijner eeuwige verkiezing. Het eerste geldt de Theodicee, d. i. wat Paulus aldus uitdrukt: Tot betooning zijner rechtvaardigheid, opdat God blijken zou rechtvaardig te zijn." Het tweede ontsluit het breede terrein der gemeene gratie. Het derde bereikt door de particuliere genade zijn verwezenlijking.

Intusschen al worden op zulk een wijze deze drie onderscheiden, ze mogen daarom niet uit hun onderling verband worden gerukt. De particuliere genade eischt en onderstelt de gemeene gratie, omdat zonder die gemeene gratie het Sion Gods geen plek zou hebben gehad voor het hol van haar voet. Omgekeerd zou de heerlijkheid der gemeene gratie nooit in haar lente geschitterd hebben, indien niet de particuliere genade haar tot volkomen ontluiking had gebracht. En ook het gelijk van God tegenover Satan zou nooit met bindende klem in hemel en aarde, ja door Satan zelf gevoeld zijn, indien niet én het besluit der schepping én het besluit der uitverkiezing beide tot uitvoering waren gekomen,

tu ia vüc Cvw gwclltviariligd

hadden. Zij het dus al, dat wij in deze artikelenreeks uitsluitend het middelste terrein, dat der Gemeene gratie, hebben te overzien, en alzoo van de particuliere genade slechts van ter zijde kunnen reppen, toch vergete niemand bij de lezing van wat volgt, dat de particuliere genade steeds het hoogste blijft, de kern en het middelpunt is, waarom ook de gemeene gratie zich beweegt, en dat het in de toebrenging van de verkorenen tot de : zaligheid is, dat de diadeem van Gods vriji machtig bestel het zuiverst schittert.

Dat voor zulk vergeten gevaar bestaat, werd reeds openbaar. Nauwlijks was er op • gewezen, dat God de Heere niet de schepping l van ons menschelijk geslacht prijs geeft, om l hoogstens enkele steenen uit den omgevallen 1 muur van zijn heiligen tempel te redden, maar i dat Hij ons geslacht, zijn schepping, met al , den schat, dien Hij er in besloot, eens in 1 heerlijkheid uitbrengt, of misverstand enop, pervlakkige zin leidde er toe, de vraag op 1 te werpen, of dit niet riekte naar de alge-

- me ene verzoening. Die vraag was volkomen 1 begrijpelijk voor wie zich bij het hooren van

- »ons menschelijk geslacht" nooit iets anders t dacht dan de optelsom der individuën; maar e heeft zin noch oirbaarheid, zoodra men ver-

- staat, dat in de arke ons menschelijk geti slacht gered Werd, ook al vielen de tien1 duizenden af, om slechts acht zielen over :- te houden; dat het geslacht van David e behouden werd, ook al werd vorst na vorst £ uit zijn huis afgesneden, en al schoot er ten r slotte niet anders op dan een rijsken uit een 0 afgehouwen stam; ja, dat het de regel van [i Gods doen is, slechts een tiende deel te

doen wederkeeren, dat tiende deel nogmaals

n te laten afweiden, en dan nochtans, gelijk in

:- den eik en in den haageik, na de afwerping

is der bladeren, een steunsel daarin over

n te laten, dat, als het heilige zaad, het leven

n van gansch den stam, van heel de plant, van

n heel den boom behoudt. Een gedachte, die

n in dit verband tevens zinrijke duiding geeft

r- aan wat Jezus in zijn gelijkenis ons teekende,

n dat de boozen worden afgescheiden uit het

k midden der rechtvaardigen. Al wat bederft,

n verwelkt, verdort en verkleurt, het valt van

is den stam af; alleen wat óf gezond bleef óf

a- door de genade Gods, in gaafheid hersteld

r- werd, blijft aan den stam kleven.

k „Zii ftnü^igömi iytm "

■s

>e En toen zij kwamen op de

ra plaats, genaamd Hoofdschedel-

:lt plaats, kruisigden zij hem al-

;n daar. Luk. 23:33*2.

el

ct In het achtste regeeringsjaar van keizer Tibeet rius, tien jaren vóór Golgotha, was- er een

Senaatsconsult uitgevaardigd, bepalende, dat ^' allerwegen in het Romeinsche rijk al wie veroor'n deeld was tot den dood, nog tien dagen levens

zou hebben, eer de doodstraf aan hem voltrok1S ken werd.

el Doch er was bij bepaald, dat de rechter desen vereischt ook de onmiddellijke executie kon

»Dood, waar is uw prikkel, en graf waar is

de dood gekomen is, maar niet gekomen

Sluiten