Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het auteursrecht van den Inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van a8 Juni 1881 (Staatsblad N°. 124},

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden. Bijdragen van medewerkers, Ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud van dit blad betreft, te adresseeren aan de REDACTIE. Abonnementen en Advertentlen aan den Uitgever 1. A. WORMSER; Bureau N. Z. Voorburgwal U, te Amsterdam. lniMidinpen die later dan Denderdae 's namiddags te 12 uren worden ontvangen

kunnen voor het nummer van die week niet meer in aanmerking komen

drie maanden f 1.20. Afzonderlijke

huis,

Abonnementsprijs S franco aan

nMmmprc ann Vlrf Rureel 10 Cent.

Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren enz. en aan het Bureel te Amsterdam.

Advertentlen: van 1 tot 6 regels 90 Cent; voor eiken regel meer 15 Cent Aanvrage n en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereenlglngen 10 Ct. p. regel.

$an öc jemeene gratie.

Tweede stuk.

V.

Is God een God der Joden alleen ? En is Hij het niet ook der heidenen ? Ja, ook der heidenen.

Rom. 3 : 29.

Reeds het slot van ons vorig hoofdstuk wees op de » verborgenheid," die met name door den apostel Paulus verheerlijkt werd in de roeping der volkeren. Thans dient op hetgeen de apostel dienaangaande zegt, nader te worden ingegaan. Blijkbaar toch ligt achter het spreken over deze »verborgenheid" meer dan men bij oppervlakkige lezing vermoedt. Als Paulus in zoo plechtige taal, en op zoo bezielden toon, niet ééns, maar keer op keer, gewaagt van een • verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen was, maar nu geopenbaard is, naar het bevel des eeuwigen Gods," gaat het dan aan, hierbij aan niets anders

te denken, dan aan de mogelijkheid, dat ook een heiden, die zich bekeert, zalig wnrrlcf Paulus had ganschelijk niet

van deze »verborgenheid" gerept, zou iemand,

wie dan ook, ooit gedacht hebben, dat alleen een Jood van afkomst zalig kon worden ? Of leerde dan niet zelfs de

starste particularist, onder de sekte der Farizeën, dat ook een heiden aan Israëls heilgoed deel kon erlangen? Ta, dreven ze

niet iiverif zending. en omreisden ze niet

J O O'

zee en land om uit heidenen Jodengenoo ten te gewinnen ? Het feit, dat ook een ge¬

boren heiden zalig kon worden, was alzoo voor niemand een »verborgenheid." Dat wist ieder, en stemde ieder toe. En ook daarin, dat een heiden thans zalig kan worden, zander de besnijdenis, kan de

diepe verborgenheid niet liggen. Noch Abel, noch Henoch, noch Noach, noch Sem zijn besneden geworden, en toch be¬

weert- niemand dat ze deswege verloren

zijn. En stel al, dat de zaligheid voor den heiden er metterdaad nu nog aan hing,

dat ze zich in Israël als natie lieten inlij

ven, wat zou dat er op zich zeil voor Hif»n mensch toe doen? Ingeliifd of niet

ingeliifd in de Joodsche natie, als hij

maar zalig werd. Veilig mag dan ook

gezegd, dat hii die bii het lezen van wat

Paulus over deze »verborgenheid" zegt, er

niet anders onder verstaat, dan dat ook de

geboren heidenen zalig kunnen worden, en

dat wel zonder inlijving in Israël, en dat we daarom zending moeten drijven, — het apos¬

tolisch woord niet tot zijn recht doet komen, over den diepen zin ervan heen leest, en onwillekeurig onder den indruk moet komen, dat Paulus zich soms toch zeer hoogdravend uitdrukt.

Zoo weinig wordt de strekking van het apostolisch getuigenis dan ook verstaan, dat men er niet aan denkt, om deze »verborgenheid" in de Christelijke kerk te onderwijzen. Wel onderwijst men de »verborgenheid" der vleeschwording van het Woord, ook wel de »verborgenheid" die groot is, namelijk dat het huwelijk een afschaduwing is van den band tusschen Jezus en zijn kerk, maar van deze » verborgenheid", waarop Paulus niet ééns, maar telkens wijst, wordt

ternauwernood gerept. Ze is niet in het Christelijk besef opgenomen. Ze wordt onder de mysteriën der Christelijke religie niet meegeteld. Men leest er over heen. En onder het overheen lezen, vat men Paulus' zeggen dienaangaande op in zoo matten, niets zeggenden zin, dat we, zoo opgevat, feitelijk niets zouden verloren hebben, indien Paulus ganschelijk van deze »verborgenheid" gezwegen had.

We beginnen daarom eerst met hier bijeen te voegen wat feitelijk door den heiligen

apostel dienaangaande gezegd is.

ren naar het voornemen desgenen, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens.

In de derde plaats lezen we in denzelfden

brief, kap. 3:9—II:

En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;

Opdat nu, door de gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;

Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere.

In de vierde plaats leest ge in Col. 1:26, 27:

Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen;

Aan wie God heeft willen bekend maken, welke daar zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de hope der heerlijkheid.

In de vijfde plaats schrijft Paulus aan Timotheüs, korter omdat Timotheüs het mysterie reeds kende (2 Tim. 1 :9 en 10):

Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met eene heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Jezus Christus voor de tijden der eeuwen,

Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die den dood heeft te niete gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.

En evenzoo, : 1 en 2):

nog korter, aan Titus (Tit.

Paulus, een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die

naar de Godzaligheid is,

In de hope des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tijd.

Terwijl eindelijk de heilige apostel Petrus, in bijna gelijken stijl, zij het ook minder omstandig, zich in dezer voege uitlaat (1 Petr. 1 : 20 en 21):

Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze tijden om uwentwille;

Gij die door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hope op God zijn zoude.

Reeds de eenvoudige bijeenvoeging van deze zeven opmerkelijke uitspraken toont genoegzaam, dat hier gehandeld wordt niet van een bijkomstige zaak, maar van een

• 1 .• .1 1 r\ .1 • i

zeer gewicntig stuK aer upenDaring; terwijl de uitdrukking «verborgenheid", die gedurig gebezigd wordt, alsmede de hooggestemde taal, waarin de gedachte wordt uitgedrukt, bewijst, dat er gehandeld wordt van een waarheid, die niet slechts gewichtig, maar tevens verheven is. Iets wat evenzoo uitkomt in een ander woord van Paulus, dat eenigszins een gewijzigd doel heeft, maar toch feitelijk op hetzelfde mysterie wijst, en dat ge leest in Rom. 9 : 25 en 26, waar staat:

Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: «Ik zal hetgene mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die niet bemind was, mijne beminde;

En het zal ziin, in de plaatse waar tot hen

gezegd was: «Gijlieden zijt mijn volk niet,'' aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods ge¬

naamd worden."

en ge

Ten eerste lezen we dan de kerk van Rome, in kap.

in den briet aan

16 : 25—27 dit:

Hem nu, die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelia en de prediking van Jezus Chris¬

tus, naar de openbaring der veroorgenneiu, uie van de tiiden der eeuwen verzwegen is geweest,

Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder

alle de heidenen bekend is gemaakt;

Denzelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid,

Amen.

In de tweede plaats schrijft hij in briet aan de kerk van Epheze, kap. 1:9—

zijn

•11

Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid zijns willens, naar zijn welbehagen, het¬

welk Hu vooreenomen had in zichzeiven,

Om in de bedeeling van de volheid der tijden

wederom alles tot een te vergaderen in Christus,

beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is

In hem, in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd wa-

Nu heeft intusschen de Christelijke kerk,

1 1* 1 « 1 TT. ' .

in de eeuwen 01e acnter ae riervormmg liggen, dit stuk zoo weinig tot zijn recht

doen komen, dat Calvijn nog schrijven

moest: »Wat hier onder deze verborgen¬

heid, die bedekt was, te verstaan was, staat

onder de Godgeleerden nog geenszins vast'

En dan stemt hij wel toe, dat diegenen op

het goede spoor ziin, die erkennen dat hier

op de roeping der heidenen wordt gedoeld;

maar hij voegt er toch bij, dat deze oppervlakkige oplossing hem niet bevredigt,

en dat hij niet verre is van het ver¬

moeden, dat er heel het verschil tusschen

Oud en Nieuw Verbond in schuilt. Toch is

Calvijn zelf er volstrekt niet in geslaagd

om de zaak tot klaarheid te brengen. Dat hij er mede getobd heeft, blijkt uit de breede

ïnlasschingen die hij in ziin tweede editie in¬

vlocht en het is feitelijk eerst aan het slot van de laatste inlassching, dat het licht hem even

opgmg, maar zonder dat hii het uitwerkte.

toen hij het mysterie daarin zocht, dat God

heel de wereld, heel ons geslacht, of gelijk hii het uitdrukt, »al de volken des aardrijks

zich in de gehoorzaamheid des geloofs onderwerpen wilde." Alzoo wacht ook na Calvijn dit stuk der leer op nadere uitwerking. Ook met wat Calvijn schreef kwam

het nog op verre na niet tot zijn recht

en ook na hem is het door onze Godge

leerden veel te pijnlijk veronachtzaamd.

De sleutel tot het recht verstand van heel deze reeks uitspraken ligt namelijk daarin, dat het mysterie eenerzij ds eenvoudig in de Vleeschwording des Woords schijnt gezocht te worden, en dat het anderzijds gezocht wordt in de toebrenging der volken. Die twee zijn telkens ineengestrengeld. De roeping der volken komt niet bij de Vleeschwording bij, en ook is niet genoeg gezegd, zoo ge erkent, dat ze er een uitvloeisel van is, maar dan eerst doorgrondt ge Paulus' ze ggen, als ge inziet, dat hij deze twee, eenerzij ds de Vleeschwording of de komst van Christus,

en anderzijds de roeping der heidenen, als

één en hetzelfde mysterie, als geheel aezenae verborgenheid in uw voorstelling laat optreden.

De zin hiervan nu is deze: Ge verstaat de Vleeschwording des Woords niet,

zoolang ge staan blijft bij het feit, dat

Jezus als Jood geboren is. Dit feit is wel

onloochenbaar. Hij zelf toch sprak: De zaligheid is uit de Joden, en tegenover de

kettersche gevoelens der hamaritaanaehe

vrouw moest dit stellige feit gehandhaafd worden; maar toch zonder meer verstaat

ge de Vleeschwording niet. Het Woord is

niet Jood, maar vleesch geworden. D. w. z.

gelijk de kinderkens des vleesches en des bloeds deelachtig zijn, zoo ook heeft de Zone Gods onze menschelijke natuur aangenomen. Hij heeft die menschelijke natuur aangenomen, niet uit de lucht, noch dnor nieuwe schepping. Neen, hii heelt ze

aangenomen uit het menschelijk geslacht

dat bestond; uit het wezenlijke mensche¬

lijke vleesch en bloed, dat uit Adam van

geslacht tot geslacht tot in de dagen van Bethlehems kribbe was voortgeplant. Hij

heeft dus die menschelijke natuur aange-

• 1 11 _ ' - k/v

nomen in een oepaaiaen vorm, i" ecu uc

paald volk, in een bepaalden stam, uit een

aangewezen vrouw; en als ge op ait naaer

bepaalde komt, dan is hij M vrias zoon, uit

uda s stam, de zone Davids, uit net zaaa

Abrahams (Hebr. 2 : 16 . Maar dit alles geldt

raakt slechts de nadere bepaling. Als doopt, sprenkelt ge een bepaald water

<• 1 ri 1 1 . .. _i* __ r* „

op net voornooid van aen aoopeimg. uc

kunt niet anders. Het is water uit dien of

dien stroom, uit dien of dien put, uit die bepaalde pomp of uit die aangewezen waterlei

ding. Maar al deze nadere bepaling is bijzaak

Ge kunt daar wel niet buiten, maar nochtans

blijft het bii den Doop hoofdzaak, niet dat

het water uit deze 01 die tontein, maar oat het water zij. Onverschillig is het niet, welk

water. Ge zult niet troebel, riekend, maar liefst helder en zuiver water nemen. Maar toch het water als zoodanig is en blijft bij

den Doop het eigenlijke waarom het te doen

Geen olie, geen wijn, geen bloed moet

het vocht ziin, maar water, evenals het bij

tiet Sacrament des heiligen Avondmaais geen

water, noch bloed, noen olie, maar wijn

moet ziin, en zulks wel wijn die rood is

En ook bij dien wijn gebruikt ge wel altoos

een bepaalden wun, uit dat en dat land her

komstig, geperst uit druiven van dien en dien

wijnstok, maar toch die nadere bepaling is

ook bn den wun van het Avondmaal bij

komstig. en de hoofdzaak blijft, dat het

<3' -

wijn zij.

En zoo nu ook staat net nier. titi

Woord wordt vleesch. De Zone Gods neemt onze menschelijke natuur aan. Dit nu kan

I .. - 1 1 1 .1 _

hij met doen aan aoor geDoren ie wuiucu

t 11 Tl ". * „

in een oepaata vot/e, uit een ad.ugcwcz.cu

stam, uit een met name genoemd gesiacni,

uit één daartoe verordineerde vrouw, die hem in haar schoot draagt en hem haar vleesch en bloed meedeelt, en dan natuur-

ijk is dat volk Israël, en die stam Juda,

en dat geslacht David en die vrouw Maria. Maar toch ook hier is al die nadere bepaling bijkomstig; middel, niet doel; en hoofdzaak en doel blijven, dat hij aannam de

menschelijke natuur, het vleesch en bloed

van Adam, de natuur van ons mensclietijk

geslacht, datgene wat over heel de wereld

den mensch als mensch, van alle overige creaturen onderscheidt. Steeds heeft dan ook de

Christelijke kerk beleden, en belijden ook onze Gereformeerde kerken nog, dat onze zaligheid in beginsel daaraan hangt, dat hij

de waarachtige mensctietijke natuur heelt aangenomen, ook al kon hij naar Gods bestel die niet anders aannemen dan uit Maria.

Of om het kort te zeggen: op zich zelf,

het afgetrokkene, zou de geboorte van

zal men ook kunnen begrijpen, hoe dit feit nu rechtstreeks saamhangt met de behoude¬

nis niet van Israël, maar van de wereld, van ons geslacht, van den mensch als mensch. Ware toch het geboren zijn als Jood de

hoofdzaak of het eigenlijke, en had de Zone

Gods wel de joodsche nutuur, maar niet

de menschelijke natuur aangenomen, aan natuurlijk zou hij wel de Zaligmaker der

oden, maar niet de Zaligmaker der men-

schen als zoodanig zijn, en zou hij wel de

zonde der Joden, maar niet de menschelijke zonde verzoend hebben. Staat daarentegen de zaak zóó, dat hij niet het specifiek

oodsche, maar de algemeen menschelijke

natuur aannam, dte natuur die onzer auer is, waarin al wat mensch heet, leeft en be¬

staat, zoodat het Joodsche slechts net aan-

vattingspunt was, om het wezen onzer aigemeene menschelijke natuur aan te nemen, dan volgt hier ook uit, dat hij niet de Zaligmaker der Joden, maar de Zaligmaker en Heiland der wereld is, en dat niet enkel der Toden zonde, maar de menschelijke zonde,

de zonde onzer menscheliike natuur door

hem verzoend is. Iets wat dus neerkomt

juist op hetgeen Paulus ons als de diepe

verborgenheid verheerliikt, t.w. dat er dij oe

komst van den Christus geen sprake is van

een uitsluitend Joodsch heil, maar integendeel van een genade Gods, die zich uit¬

strekt naar al wat mensch heet, naar alle

de volken. »Alzoo lief heeft God, niet de

Toden, maar de wereld gehad, dat Hij zijnen

eeniggeboren Zoon gegeven heelt, opdat een

iegelijk (d. 1. een iegelijk die mensen isl die

. . ■_ t J

tn npm peiooit. niet veruei vc, uicuu juci

eeuwige leven hebbe."

in

Jezus uit een andere maagd denkbaar zijn

geweest, maar het zou niet denkbaar zijn

geweest, dat hij een andere dan de mensche¬

lijke natuur had aangenomen. Dan toch ware hij niet onze Heiland, en kon hij onze

zonden niet verzoend hebben.

Is het hieruit nu duidelijk geworden, dat de hoofdzaak van de »Verborgenheid der Godzaligheid" daarin ligt, dat het Woord vleesch werd, en dat de Zone Gods onze

menschelijke natuur heeft aangenomen, dan

Wie nu, na deze korte uitlegging en toe

lichting, de straks aangehaalde uitspraken der Heilige Schrift herleest, zal zien, dat hiermeê aanstonds de eerst .schijnbare verwarring verdwijnt, en dat het volkomen klopt, als de ééne maal de verborgenheid gezocht wordt in de vleeschwording, en de andere maal in de roeping der volken. Beide toch drukken geheel hetzelfde uit. Vleeschwording wil zeggen: de menschelijke natuur, en niet enkel de Joodsche natuur aannemen. En dat de volken geroepen zijn, beduidt precies evenzoo, dat de Zone Gods komt, niet enkel om de Joden, maar om de wereld te zaligen. En heeft men dat eenmaal helder ingezien, dan blijkt het ook van achteren, dat niet alleen in de aangehaalde plaatsen, maar ook elders geheel diezellde verborgenheid geleerd wordt. Als er b. v. in 1 Tim. 3:16 sprake is van groote verborgenheid, dan wordt ook daar deze verborgenheid eenerzijds gezocht in het feit dat God geopenbaard is in het vleesch, en anderzijds daarin dat Hij gepredikt is, niet onder de Joden, maar onder de heidenen, en dat Hij geloofd is, niet in Israël, maar bi de wereld. Alzoo toch lezen we daar:

En buiten allen twijfel, de verborgenheid

der Godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in

de wereld, is opgenomen tn Heerujkneia. Ta, dan blijkt veel meer nog, dat deze zelfde

verborgenheid volstrekt niet alleen door Paulus geleerd wordt, maar dat de heilige

apostel Johannes, ons geheel dezelfde waar¬

heid verkondigt, waar hij, van de geboorte

van Tezus uit Maria nauwelijks gewagende, ja,

Maria als de moeder van Jezus zelfs min of meer in de schaduw stellende, al den nadruk daarop legt, dat het Woord vleesch

is geworden, en dat de Christus als zoo

danig de wereld behoudt.

En nu mochten die broeders, die nog

altoos in dezen rijkdom des Iwangelies

niet kunnen indringen, toch gebeden zijn,

om hierbij elk vermoeden te bannen, als

bedoelden we hiermede óf een zaliging

van alle personen óf van een algemeene verzoening te bepleiten. Heel deze dwaalleer heeft met het stuk van waarheid,

dat we verdedigen en toelichten en aan

de kerke Gods op het harte binden,

niets hoegenaamd te maken, en die dat

waande, wijte dit niet aan ons, maar be

schuldige hierin zijn eigen onverstand van de Heilige Schrift. Het is toch zoo klaar en zoo duidelijk, als iets maar klaar en duide-

liik ziin kan. dat de Heilige Schrift een

J J *-* . 1

bijzondere, geen algemeene verzoening leert,

en niet de zaliging van alle personen, maar uitsluitend van de uitverkorenen leert; en dat nochtans diezelfde Schrift zoo stellig en

beslist mogelijk ons onderwijst, dat de wereld

behouden wordt en dat de Zone Gods onze menscheliike natuur heeft aangenomen. Het

staat er toch immers, en gij moogt hier

niet over heen lezen, dat de Zone Gods

niet den Tood, maar »den menschen" is ge

lijk geworden (Phil. 2 : 7), dat hij in gedaante

geworden is als een mensch (2:8), en dat de Middelaar Gods en der menschen, is de mensch

Christus Jezus (1 Tim. 2: 5); en niet dat de Jood Christus Jezus is de Middelaar Gods en der Joden. En zoo ook staat er even stellig, dat Christus is *de Zaligmaker der

wereld (Joh. 4:42), dat hij >der wereld

het leven geeft" (6: 33), en dat hij »zijn leven geven zal voor het leven der wereld"

(6: Si). Hii zegt niet: »lk ben het licht aer

joden", maar: »Ik ben het licht der wereld"

(8 : 12). En het zijn met de Joden, maar net is de wereld die God alzoo liefheeft gehad, dat Hij ons zijn Zoon schonk (3 : 16). Iets wat zoo sterk is, en zoo ernstig door Johannes bedoeld wordt, dat hij, gelijk we nader breeder uiteenzetten, het Eeuwige Woord niet

eerst in de roeping van Abraham, maar in de daad der Schepping laat uitkomen, en het ons niet eerst als de bron der openbaring aan Israël, maar reeds als het licht en het leven der wereld teekent. En nu zegge men niet, dat dit alzoo wel bij Johannes, maar niet in de andere Evangeliën voorkomt; want vooreerst verstaan we die tegenwerping niet, alsof hetgeen de apostelen Paulus, Petrus en Johannes ons zeggen, minder de waarheid zou zijn, dan hetgeen de apostel Mattheüs ons bericht, of Lucas, de medicijnmeester. Maar ook het feit wordt aldus onjuist voorgesteld. Niet toch bij Johannes of Paulus, maar bij Lucas lezen we, dat de engelen in de velden van Efrata zongen, niet van een «welbehagen in Joden", maar van een »welbehagen Gods in menschen", en van vrede niet in Palestina, maar van wrede op aarde." De vraag is niet, wat een Jood, maar wat een mensch zal geven voor de lossing zijner ziel. De discipelen krijgen de belofte, niet dat ze Joden, maar dat ze menschen zullen vangen. Bovenal de Christus is zeer zeker de Zone Davids en uit Abrahams zaad, maar nochtans

noemt hij zich zeiven doorgaande en bijna

vastelijk niet Zone Davids, noch Zone Abrahams, maar Zoon des menschen. Tot

acht en tachtig malen toe komt deze naam, Zoon des menschen, in de Evangeliën voor, tegenover den naam van Zone Davids slechts een zeer enkele maal, en dan nog nooit als eigenlijke naam, waarmeê hij zich zeiven noemde.

Zoo is het dan ontwijfelbaar, dat de

komst van den Christus tot deze wereld van¬

zelf inhoudt, dat hij tot heel de mensch-

heid, tot al wat mensch heet, niet tot

Israël maar tot de volken gekomen is, en dat dit alzoo geschied is doordat hij onze

menschelijke natuur en ons menschelijk

vleesch heeft aangenomen. En als Paulus

dit nu noemt de groote verborgenheid, het eigenlijke mysterie des Evangelies, dan blijkt hieruit, dat wie opkomt voor het univer¬

salisme des Evangelies, en het particularisme hetzij in zijn Dooperschen hetzij in zijn Chiliastischen vorm bestrijdt, waarlijk niet tegen windmolens strijdt, of knoopen in biezen

zoekt, maar de wacht betrekt bij de hoofdpoort van de veste des Evangelies, en alzoo laf zou zijn, en verraad aan de zake van zijnen Heere zou plegen, indien hij door wien ook zich hiervan liet afhouden. Dat nu Paulus dit een j> verborgenheid" noemt, »die lange eeuwen niet gekend was", verklaart

zich daaruit, dat metterdaad van Abrahams roeping af, d. i. gedurende een tijdsverloop van bijna twee duizend jaren, de Goddelijke openbaring zich uit den breeden universalistischen, heel de wereld besproeienden stroom in de nauwe, zeer enge, streng particularistiche bedding van Israël had teruggetrokken. Maar wijl dit nu natuurlijkerwijze den in¬

druk had gemaakt, alsof dit zich terugtrek¬

ken van de Openbaring in deze nauwe

enge bedding van het Joodsche volk een prijsgeven, een opgeven, een aan haar lot overlaten van de wereld en de menschheid en de volken ware geweest, is dit nu het heerlijke, dat nu van achteren blijkt, hoe

deze concentratie van de Openbaring in Israël, wel verre van de prijsgeving der wereld te zijn geweest, naar Gods bestel

plan juist ten doel had, om straks die

wereld terug te vinden, en aldus die wereld

te behouden.

„€n te tarfjt3ijner ojjj^tanümg.'

Opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijnslijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende.

Phil. 3:10.

Niet eerst bij uw sterven komt ge met den dood in aanraking, de adem des doods is van uw eerste levensdagen af over u en uw levensexistentie uitgegaan. En zelfs na uw toebrenging ten eeuwigen leven, hebt ge het, met al Gods volk, bij eiken toegang tot het heilig] Avondmaal immers beleden: *dat wij middenin den dood liggen:'

Ons ongeluk is maar, dat we, vooral bij zoo diepe en ernstige vraagstukken, gedurig schijn en wezen verwarren.

Zondag 18 October 1896. N°. 982.

Sluiten