Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze Missie op Java staan, is, dunkt ons, onbetwistbaar. Ziet men toch voor eeu oogenblik af van hetgeen onder Sadrachs initiatief plaatsgreep, en van andere zijde °Qs als in den schoot viel, dan is hetgeen als vrucht van onze actie ontkiemde, nog zóó gering, althans zoo men let op het groot aantal jaren dat dezerzijds deze Zending gedreven werd, dat men, met den moed om de werkelijkheid onder de oogen te zien, kwalijk tot een ander resultaat kan komen, dan dat we eigenlijk nog beginnen Moeten.

En nu is het toch zeer de vraag, of het goed gezien was, om, bij zoo kleine missionaire kracht, aanstonds een zoo onafzienbaar groot terrein in bewerking te nemen.

Soemba laten we nu voor een oogenblik buiten het geding. Dat is een afgelegen eiland, waarvan geen invloed hoegenaamd op onzen Archipel uitgaat. Het centrum van leven in onze Oost is op Java, en na Java op Sumatra.

En nu is onzerzijds op niets minder beslag gelegd, dan op heel Midden-Java.

Verleidelijk moedig! Doch ook wijs en paedagogisch doorgedacht ?

Doch hierover een volgend maal.

Eeredienst-

Stellig is het geen overtolligheid te achten, dat ook over onzen Eeredienst veler

gedachte ga.

Jarenlang heerschte op dit punt grenzenlooze verwarring, zoo sterk dat onregel op dit terrein de eenige nog grijpbare regel was geworden. En sinds het kerkelijk leven uit de wildernis weer op begane paden overging, is wel veler opmerkzaamheid als v anzelf' ook op allerlei liturgische vragen gevestigd geworden, en openbaart ^ zich meerder drang naar vasten »leiddraad, maar wie waande dat daarom het chaotische reeds ganschelijk achter ons lag, zou toonen van tweeën één, óf de practisch-kerkelijke ^ toestanden niet te kennen, óf wel liturgische denkbeelden te huldigen, die met het wezen zelf der Liturgie in strijd zijn.

Gunne men daarom ook aan de Heraut, in dit niet zoo onbelangrijk vraagstuk zijnerzijds meê te spreken.

In de practijk komen de liturgische vraagstukken meest als losse, op zichzelf staande vragen op, en wat zoo broodnoodig is, is juist helder inzicht in de eenheid van gedachte, die al deze losse detailpunten be-

heerschen moet.

Het denkbeeld zelf van een Liturgie was geheel teloorgegaan, en niet dan langzamerhand komt het weer op.

Dit gevoelt men het sterkst aan het Formulier van den heiligen Doop.

De tijd ligt nog zoo verre niet achter ons, dat dit Formulier door den dienstdoenden predikant óf geheel weggelaten óf derwijs verminkt, bekort, aangevuld, gewijzigd en veranderd werd, dat het wel een cacographie leek, die de prediker geroepen was, vaak op den tast af te verbeteren.

Kerken uu waarin zoo iets zelfs met het Formulier van den heiligen Doop mogelijk is, zijn blijkbaar aan alle liturgische gedachte vervreemd, zoowel voor wat aan¬

gaat den Dienaar die zich zulke vrijheden

veroorlooft, als voor wat betreft de gemeente die ze duldt.

Doch juist in zake dit Formulier kwam dan ook het keerpunt.

Vele ouders, die van Liturgie verstand

noch begrip hadden, namen er toch geen

crennetren mede. dat bii den Doop van hun

Vïnrl rle waarheid Gods uit het Formulier

tjri iot rln firedikfM" hier of

rvv<iu «v —

daar een zinsnede oversloeg, of ook de dankzegging verving door een dankgebed

van eipen formatie, deerde hen zoo niet.

maar wel schokte het hen, dat in de vragen, of in rif uiteenzetting van den heiligen Doop

veranderingen werden aangebracht, die het wezen zelf van den heiligen Doop raakten. Daarmee werd Gods waarheid gebroken, .Sammpnt geschaad, en zoo ook aan

hun kind onthouden datgene waarop hun kind, of wil men, de vader voor zijn kind

recht had.

Vooral Dr. Kohlbrügge ried dan ook aan, dat de ouders, alvorens den Doop voor hun

kindeke te zoeken, vooraf bij den Dienaar des Woords zich informeeren zouden, of hij gewoon, of althans bereid was, het volle hnrulipi' te lezen: iets wat hii zoo sterk

trok. dat ook de vermelding der vooraf¬

schaduwing van den heiligen Doop in den Zondvloed en in den doorgang van Israël door de Roode Zee niet mocht worden uit¬

gelaten.

Deze raad kwam bij Dr. Kohlbrügge, gelijk

vanzelf spreekt, voort uit liturgischen drang,

en reeds als zoodanig verder dan de drang,

die bii de ouders zeiven was opgekomen

Een langen tijd leefde men dan ook voort in dezen toestand, dat er tweeërlei oppositie tegen het eigendunkelijk omspringen met het Formulier viel waar te nemen: eenerzijds van de volgelingen van Dr. Kohlbrügge, Hi/» Hen eisch stelden, dat heel het Formu¬

lier, onverminkt en ongewijzigd, van den kansel zou worden afgelezen En anderzijds

van de volgelingen van a Brakel, die er crpen de minste caotie op maakten, dat de

dankzegging wegbleef, en een enkele zin sneê die te sterk op de wedergeboorte sloeg

verzacht werd, maar die den eisch lieten gel¬

den, dat de belijdenis der waarheid in de

toelichting en in de vragen niet zou wor¬

den aangetast.

Dat tweeledig protest tegen de liturgische willekeur in zake den heiligen Doop heeft toen allengs het goede gevolg gehad, dat de

Dienaren des Woords van hun eigendunke

lijk verhaspelen van het Doopsformulier aflieten, en zich naar den duidelijk verklaarden wensch van de geloovigen begonnen te

schikken.

In betrekkelijk korten tijd zelfs nam die»

vastheid derwijze toe, dat het volle gebruik van het Doopsformulier kenmerk werd, waaraan ge de werkelijk orthodox predikanten kondt onderscheiden.

Ook schrijver dezes heeft deze wisseling meê doorleefd.

Toen hij in 1863 als predikant optrad, wist hij nog niet beter te doen, dan vóór zijn eerste Doopsbediening, met blauw potlood in het Doopsformulier allerlei passages door te schrappen, en op allerlei punten den tekst gansch willekeurig te veranderen.

Dat deed een ieder in die dagen, en ook hij volgde den stroom.

Eerst de studie, die hij voor eenige hoofdstukken in de Kerkgeschiedenis van Moll juist over de Liturgie had te schrijven, ontdekte hem het ongeoorloofde van zulk grillig bedrijf, en bewoog hem, reeds eer hij met Dr. Kohlbrügge in aanraking kwam, het Doopsformulier voortaan voluit te lezen.

Door Dr. Kohlbrügge in zijn overtuiging gesterkt, heeft ook hij toen in allerlei kring het voluit lezen van het Doopsformulier bevorderd, eerst door in de oude Heraut, toen door in het Zondagsblad van de Standaard, en later door in de nieuwe Heraut, aldoor het onverminkt gebruik van het Doopsformulier als stelligen liturgischen eisch aan de kerken op het hart te binden.

En thans, nu deze eeuw ten einde loopt, mag met zeker gevoel van dankbaarheid geconstateerd worden, dat althans in

de opnieuw Gereformeerde kerken, aan vroegere wilkeur paal en perk is gesteld,

, . n . 1. 1 1

en ner anezen van nci genccic, uuvuüuuc en onveranderde Formulier om den heiligen Doop te bedienen, zoogoed als feitelijk alge¬

meen geldende regel is geworden.

Op deze korte historie moest in de eerste

plaats hier de aandacht gevestigd worden,

omdat metterdaad de weeropleving van

• 1. _ 1 1 j • 1 1 .

de liturgiscne geaacnte m onze Kericen

van het gebruik van het Doopsformulier is uitgegaan.

Duizenden bij duizenden die op elk ander

punt van den J&eredienst nog voor elk liturgisch gevoel stomp zijn, hebben in de

zaak van den heiligen Doop gevoeld, dat de kerk als kerk zeker recht had, waaraan de Dienaar des Woords zich niet mocht vergrijpen.

En al is hiermee het liturgisch pleit nog

volstrekt niet gewonnen, er is hier dan toch

een uitgangspunt gegeven, van waaruit de

weeroptrekking van het liturgisch gebouw

kan ondernomen worden.

Juist toch in dat nog onontwikkelde, maar

toch diepe besef der ouders, dat bij den Doop van hun kind de Dienaar geen vrij

man was, om te doen wat hem geviel,

maar dat hij bij dat Sacrament het recht

van hun kind te eerbiedigen had, ligt het

. ... 1 • i -i .11 . 1 :i___ : _

eenig juiste oeginsei, waaruit aue liturgie opkomt.

Alle Liturgie toch gaat uit van de grond¬

gedachte, dat de kerk over den Dienaar en

niet de Dienaar over de kerk heelt te be¬

schikken, voor wat aangaat de wijze, waarop het heilige in de vergadering der geloovigen

zal bediend worden.

Een spreker, een redenaar, een meeting

houder huurt een zaal, en richt zijn spreken, zijn redevoering, zijn meeting in gelijk

hem goed dunkt, en wie onder zijn gehoor

komt is gehouden zich naar hem te voegen

Immers wien dit niet gevalt, kan wegblijven,

of heengaan.

Een dokter, die spreekuur geelt, kan

zijn wijze van uoen, en van onaerzoeKen, en van behandelen, en van recepteeren, ge¬

heel naar eigen goedvinden inrichten. Zijn

huis is zijns, en wie niet bij hem aankloppen wil, gaat elders.

Zoo ook doet een advocaat, een notaris,

een schoolhouder, een winkelier, een kan¬

toorhouder en zooveel meer, overmits deze

allen zelf hun zaak, hun bedrijf, hun kantoor regelen, en niemand gehouden of verplicht is, bij hen juist aan te kloppen.

Maar zoo staat het in de Gereformeerde

kerken niet, en men kan er bijvoegen,

evenmin in de meeste andere formatiën van

Christus' kerk.

Alleen in Amerika, en in sommige vrije

kerkjes ten onzent, springt men op soortgelijke wijze met de kerk om.

In Amerika is het, vooral 111 de grootere

steden, iets gansch gewoons, dat een predikant op eigen gelegenheid een kerk

opent, lokt wie tot hem wil komen, en uit

de giften die inkomen, zijn kerk in stand

houdt.

Zulk een kerk is dan letterlijk een pre-

dikantsbedrijf, zonder eenige confessie, zonder band aan andere kerken. Niets dan een kring die zich om een talentvol spreker verzameld heeft. Juist zooals men het hier en daar ten onzent op kleine schaal kan waarnemen, dat een oefenaar of be¬

moeilijkt predikant, geheel op eigen gele¬

genheid een zaal huurde, of een huis kocht

en tot een kerk verbouwde, en daar gere¬

geld des Zondags in voorging.

En natuurlijk in zulke »kerkjes is de

prediker het een en al. De kerk is zijn

zaak, zijn bedrijf. Het gaat alles van hem

uit, hij regelt het alles naar eigen goed¬

dunken. En in zulke kerkjes heeft alzoo

niemand aanmerking te maken. Wie er niet

meer zijn wil, blijft er weg.

Maar heel anders staat het natuurlijk in

een wezenlijke kerk geschapen, d. i. in de vergadering der geloovigen, die opkwam uit een historisch verleden, dat tot op den grooten Pinksterdag te Jeruzalem teruggaat.

Daar toch heeft men met een kerk te doeOy die haar wortel in een verleden van achttien eeuwen uitslaat, en waarin de tijdelijke Dienaar slechts voor zeker aantal

jaren verschijnt ten einde zijn heiligen Dienst te verrichten, om straks dienzelfden Dienst onder de bediening van zijn opvolger te

laten voortgaan.

Dan is niet hij het, die de kerk schept

of schiep, maar de kerk was er lang voor hem, hij is in de kerk geboren, hij trad er in op, en heeft alzoo in te gaan in de

levensvormen, die zich in die kerk, door den loop der eeuwen, ontwikkeld hadden.

Dan is die kerk er niet om hem, maar hij is er om die kerk, en gelijk hij, naar uitwijzen van het Woord zijn rechten desnoods tegenover die kerk kan doen gelden, zoo heeft en behoudt ook die kerk rechten tegenover hem.

Het is die kerk die in de vergadering der geloovigen saamkomt, het is haar eeredienst die dan bediend moet worden, en zij is het ook die er de predikatie des Woords en de bediening van het Sacrament komt zoeken.

Het is in beginsel hetzelfde onderscheid als tusschen een vrijbuiter en een officier bij de geregelde troepen.

De vrijbuiter te land of ter zee treedt op voor eigen risico, gaat waarheen hij wil, vuurt als hij vuren, en kampeert als hij kampeeren wil. Hij is aan niemand rekenschap schuldig. Hij is zich zelf ten wet.

De officier bij de geregelde troepen daarentegen komt in een bestaand kader in. Hij vindt een leger, dat leeft onder ordinantiën, die golden eer zijn naam nog genoemd werd. En uit dien hoofde is stellige eisch van zijn optreden, dat hij zich conformeere aan wat als orde van dienst bij het leger geldt.

En dit nu heeft de eenvoudige geloovige niet aanstonds in de andere stukken van den Dienst, maar wel bij het Sacrament van den heiligen Doop gevoeld.

Hij zou het nog niet zoo gevoeld hebben bij den Doop van bejaarden; maar hij voelde het wel sterk en diep nu het den Doop der kleine kinderen gold.

Die kinderkens waren nog onbewust van wat er met hen gebeurde.

Aan die kinderkens mocht in niets worden te kort gedaan.

En daarom het volle Formulier, dat voor den kinderdoop was ingesteld, behoorde elk Bedienaar van het Sacrament bij eiken doop die bediend stond te worden, onverkort en onverminkt te lezen.

Immers de Doop was niet iets tusschen

hun kind en den Dienaar, maar tusschen het

kind en hun Heere.

Verblijdend.

Onlangs wezen we er op, hoe in de Reform. Monatschrift tegen het leerstuk van de Volharding der heiligen werd in¬

gegaan.

Thans merken we uit de Grensbode, dat er een keer in de zienswijze der redactie

kwam.

We lezen daar toch dit r

Aangaande den afval der heiligen leverde die lief. Monatschrift in haar laatste nummer een kort artikel, waarvan het ons een genoegen is

met de hoofdzaken te kunnen overeenstemmen.

Voor korten tijd was het nog gansch anders.

Toen liet zij zich over hetzelfde punt op een

wijze uit, dat niemand minder dan Dr. Kuyper.

haar het recht ontzeide zich nog Gereformeerd te noemen. Zij had namelijk geschreven, dat

nok werkeliik bekeerden nog konden afvallen.

In dit artikel geeft zij intusschen als uitdrukking van hare meerling het volgende citaat uit de

Bremer Geloofsbelijdenis:

1 Alhoewel de geloovigen somtijds ook zon-

idigen, zoo is er toch een groot onderscheid »tusschen dc zonden der uitverkorenen en der jgoddeloozen. — Want genen zondigen uit zwak»heid en komen weer tot bekeering; dezen uit »volle aandrift des gemoeds en blijven zonder

■. -i • TT 1 i _ i.* i"u

aDeKeermsr. iieei aeze quaesue mei uci-

s derder en duidelijker gemaakt worden, dan wan-

sneer men de gelijkenis van ouders en kinderen

»steeds voor oogen houdt. Want de geloovigen »ziin Gods uitverkoren kinderen en God is in

»Christus eeniglnk hun Vader, zoo zondigen zij

»dan ook als kinderen, niet als vijanden, en het

> vergaat hun ook met God hunnen Vader als

> kinderen, wanneer zij dien door ongehoorzaam-

»heid vertoornen, uewoonliik zondigen Kinderen

sin kinderlijke onnoozelheid (maar nooit uit haat »en nijd tegen den Vader,) maar de kinderlijke ïliefde blijft in hen, hoewel het oogenschijnlijk

anders is. — Alzoo vallen de heuigen in hun

ïvallen nimmer ganscheliik van God at.

Wij moeten er van af blijven, hoe in eenzellde

blad, onder eenzelfde redactie, korten tijd na elkander, twee zoo principieel verschillende over¬

tuigingen onvereenigd naast elkander optreden

kunnen.

Waarom niet de vorige verkeerde uiteenzetting

duidelijk teruggewezen of herroepen r

Waarom de volharding der heiligen als een

open prijsvraag daargesteld, die het toch in de Gereformeerde belijdenis niet is? Waarom het boven aangehaalde citaat uit de Bremer-Confessie

meer >tn het algemeen toegestemd r

Ook wn weten, dat één zwaluw geen zomer

maakt, maar toch willen wij onze vreugde niet verbergen, daarvoor dat de waarheid van de volharding der heiligen ook van deze zijde eens

bekend wordt.

Ook ons verblijdt dit.

De Gereformeerde belijdenis begint, Gode

zij dank, ook in Duitschland op te waken.

«-"—«er ■

Drie preeken van Calvijn.

Gaarne vestigen ook wij de aandacht op

de Drie preeken van Calvijn over de offerande van Abraham, die Ds. C. van Proosdij,

te Leiden bij D. Donner, uitgaf.

Ds. Van Proosdij bedoelt zelf allerminst in

dit drietal drie modellen voor huidige predi¬

katie aan zijn ambtgenooten aan te bieden.

Met helderen blik doorziet hij, dat zulke predikatiën thans geen gehoor meer zouden

vinden.

Hij zegt er dit van:

Het grootste gedeelte van Calvijn's preeken behandelde geene sDeciale onderwerpen, zooals

onze tegenwoordige preeken, maar diende meer, om aan de hoorders eene practische en stichte-

lnke verklaring te geven van verscniuenoe ge¬

deelten der Heilige Schrift. Onderscheidene series hebben betrekking op geheele boeken,

welke achtervolgens behandeld zijn.

Ge vindt bij deze preeken geene kunstige

voorafspraken, geene precise afgeronde thema s,

geene nauwkeurige, logische verdeelingen, geene

stelselmatig opgezette en uitgewerkte toepassing. Dit alles mist ge, en toch zijn die preeken met leering en stichting door velen gehoord en behoeven wij ons niet te hoog te achten om ze te

lezen. Want wij vinden hier een eenvoud van taal, welke past bij het onderwerp; een eenvoud van gedachten, welke de uitgebreide kennis en het diepe inzicht van Calvijn openbaren; en een eenvoud van toepassingen, welke in opmerkingen, vermaningen en vertroostingen duidelijk toont,

dat een man van rijke en rijpe bevinding spreekt

en uit den schat zijner ervaring het woord toepast naar de groote behoeften van zijnen tijd en van 's menschen hart. Zijn hamer slaat vonken uit de steenen; in dezen vuurhaard spat de gloed

overal henen. Ook in dezen mag hij voor de Gereformeerde predikers de meester zijn, wien

zij niet slaafs mogen navolgen, maar wel nauwkeurig mogen nagaan; mogen zijne preeken voor

ons geene modellen zijn, van welke wij afgietsels

leveren, maar wel voorbeelden, welke grondig bestudeerd mogen worden.

Geen goede preek — js dij velen thans de

voorstelling — zonder uiterlijke welsprekendheid,

welke treft, boeit, medesleept. Geen goede preek, zoo leert Calvijn ons door zijn voorbeeld, zonder

10 rechte kennis van het woord aat men behan¬

delt; 20 rechte kennis van de behoeften, maar ook de listen van het menschelijk hart. Zulk een preek heeft waarde niet alleen voor de oogenblikken, in welke de stem van den prediker klinkt, dreunt, galmt in het oor; maar ook als wij zijne stem niet meer hooren; zij laat meer na dan de herinnering van het oogenblik. Bij

zulk eene prediking kan men niet luisteren met den Bijbel dicht, maar alleen met den geopenden

Bijbel; dan leeft de hoorder met den prediker, volgt hem van woord tot woord, van vers tot vers.

Daarin ligt dan ook de onvergankelijke

verdienste van Calvijn, ook in zijn predi¬

katiën. Calvijn heeft niet aan zijn eigen genie,

maar aan Gods Woord geloofd, en gestaan in de overtuiging, dat hij zijn gemeente te

meer tot zegen zou strekken, hoe degelijker

hij ze met het Woord voedde. j ^, .. * ■% • . 1 • 1__i.

Hierbij nouae men ïniusscncn m nei uog, dat, toen Calvijn optrad, de Heilige Schrift als het ware nieuw ontdekt was, en daarom

volledige uitlegging en toelichting voor oud

en jong behoefde.

Men verstond de bchrilt nog niet, maar

moest ze eerst leeren verstaan, m eerst toen die eerste periode achter den rug was, kon men de gewonnen gedachten verzamelen, concentreeren, cn daarna op bepaald gekozen dogmata richten.

Vooral voor predikers houden we deze

drie predikatiën dan ook leerrijk. Niet, gelijk Ds. Van Proosdij terecht opmerkt, om den volgenden Zondag ook zoo te gaan prediken, maar om er de soliditeit, de dege¬

lijkheid, de volle Schriftuurlijkheid van in

te drinken, en zelf onder den maruk te komen, dat niet wij de Schrift te verrijken hebben, maar dat de Heilige Schrift ons, als we prediken moeten, rijk maakt.

In een breede inleiding geeft Ds. Van

Proosdij een herinnering aan de voltooiing

van de jongste uitgave van Calvijns complete werken, een korte toelichting over Calvijns predikatiën in het gemeen, en de

bijzonderheden van de uitgave van deze

j

drie predikatiën.

loch bliiven de predikatiën zelve hier

hoofdzaak.

En de vertaling van deze drie predikatiën

is uitnemend.

Ze lezen vlot en stichtelijk.

Historisch dicht.

Onze historische nationale zangen zijn

door den heer J. A. Wormser weer met

een keurigen, forschen zang op den Zeeslag

bij Kijkduin verrijkt.

üp onze scholen althans kent men dien

zeeslag van Augustus 1673, die ten twee¬

den male onze vrije nationaliteit redde, als

een der gewichtige gebeurtenissen in onze

vaderlandsche historie.

Hadden De Ruiter en Tromp dien grooten

slag verloren, de historie van ons vader¬

land, ja van Europa zou een geheel andere

geworden zijn.

Naast den slag te land bij INieuwpoort,

blijft daarom de zeeslag bij Kijkduin den

eersten rang innemen in onze roemrijke

krijgshistorie.

En al is nu de talentvolle navolger niet

aan den meester gelijk, en al mag deswege niemand hier den maatstaf van Da Costa's onovertroffen meesterstukken aanleggen, toch stemt het tot dank, dat Da Costa's fiere

geest nog zoo kloek en manlijk nawerkt in wie hem op hun afstand pogen te volgen

in het door hem geteekend spoor.

En er zijn, ook wat de versificatie aan¬

gaat, uitnemend geslaagde stukken in dezen

zang. Zoo b.v. deze teekening van den ver¬

woeden strijd:

Thans zich ordlijk gepaard

En ter weerszij geschaard

Dan opnieuw aan den dans!

De beslissing genaakt,

Maar die 't wint, koopt het duur!

Heel de zee staat in vuur;

Heel de lucht is geblaakt;

Uit den damp van het kruit

Schieten bliksemen voort.

'tls geen strijd meer, de moord

Grijnst de schietgaten uit!

Met ontzettend gekraak

En geknars legt het schroot

Boeg en zijwanden bloot.

Elke kogel is raak.

Boven 'tknettrend geknal

Klimt het rochlend geluid

Van de stervenden uit;

En de daavrende val

Der gekwetsten, vermengd

Met hun angstkreet van smart,

Jaagt een woede in elks hart,

Die al 'tbeetre verzengt.

Heel de zee is bezaaid

Met gedooden

"iJDoch gevoele men zelf den gloed en de

bezieling die uit heel dezen zang u tegen

ademt.

Dn?? vaderlandsche letterkunde is er door

verrijkt.

België.

Uit België ontvingen we een schrijven, de vraag opwerpende, of onze Vrienden der Waarheid, nu ze voor hun Evangelisten hier te lande den arbeid zien afloopen, hun terrein van werkzaamheid niet ia België zouden kunnen kiezen.

Het schrijven luidt aldus:

Antwerpen, 18 Mei 1S97.

Den WelEerw. Zeer Gel. Heer Dr. A. Kuyper.

Mijnheer de Redacteur!

Het artikel >Trouwe broeders" in het laatste nummer van de Heraut trok zeer mijne aandacht, en wel bijzonder het feit, dat, alhoewel deze broeders nog wel arbeiden tot uitbreiding der Gereformeerde waarheid, toch hun werk voor een groot deel gedaan was, toen in vele dorpen de Gereformeerde kerk geïnstitueerd werd.

Onwillekeurig kwam de gedachte bij mij op: »Ware het niet wenschelijk, dat de Vereeniging van de Vrienden der Waarheid eens aan ons geestelijk en kerkelijk arm België dacht en b.v. een of meer dezer broeders uitzond, om de

zuivere Ueretormeerde waarheid weer in onze gewesten te komen verbreiden, alwaar ze eenmaal, ten tijde der Hervorming in de XVI

eeuw, zoo heerlijk blonk en waaraan NoordNederland zooveel te danken heeft ?"

Was toch de stad mijner inwoning niet de

plaats, waar de eerste martelaren hunne belijdenis met hun bloed bezegelden ? Is Noord-Ne'

derland niet gehouden, om Vlaamsch-België (met

het oog op de Zending") voor een deel van

Heeren wijngaard te beschouwen ?

Ik zou niet genoeg het schrijven van mijn

vriend Mulder in het jongste nummer der Zui-

der Kerkbode aan de lezers van uw geëerd blad

kunnen aanbevelen, en wel naar aanleiding van het stukje getiteld: iKerk op Zee". Wat is hier in onze stad niet veel te arbeiden, niet

alleen onder de schippers, maar tevens onder de

talrijke verwaarloosde Protestantsche bevolking !

Wel is waar, er is reeds veel gedaan, niet alleen door de Classe Klundert, maar door vele broeders predikanten van elders, maar op dit oogenblik is er schreiende behoefte aan een geschikt

lokaal, om ons begonnen werk voort te zetten,

niet alleen voor de godsdienstoefening, maar ook voor Zondagsschool en Catechisatie, welke wegens

slechte lokaliteit niet vooruit kunnen gaan. h.n

wijl we nu hier nog zoo klein in getal zijn en ons

de stoffelijke middelen ontbreken (niet vele edelen en rijken past ook ons), zoo wenschte ik, dat door U hierover eens in de Heraut ge¬

schreven werd, ten einde den belangstellenden

lezer een weinig op de hoogte te brengen van

onzen toestand en met minder om ons te willen gedenken in den gebede; de beurs kan dan

ook niet gesloten blijven, meen ik.

Onze geachte en zeer ijverige consulent,

Ds. Feringa van Klundert, zal wel bereid zijn,

om alle verdere informaties betreffende ons werk alhier te verschaffen.

Ik zou U, Zeer Eerwaarde heer, hiervoor zeer

dankbaar zijn en verder des Heeren zegen op uw werk verwachtende, noem ik mij

met Heilbede en Hoogachting Uw dw. Dienaar

W. Rooze.

Er is veel in dit denkbeeld dat we gaarne

ondersteunen. Metterdaad vertoeft veel van

ons volk gedurig in Antwerpen, en ook,

langs de binnenwateren aangekomen, in

Gent en Brugge, en het denkbeeld is vol¬

strekt niet te verwerpen, dat hier een degelijk arbeidsveld voor meer dan één Evangelist schuilen kan.

Maar dat is alleen denkbaar, zoo de

broederen in den lande beginnen met de

Vrienden der Waarheid krachtdadig gelde-

delijk te steunen.

Immers het spreekt vanzelf, dat zulk

een missie veel, veel geld zou kosten, ook al plaatste men haar, wat wenschelijk en naar eisch zou zijn, onder de leiding van

den kerkeraad van Antwerpen.

Hit &e Pcrg.

Na op de algemeene verwarring in de poli¬

tiek van gansch Europa te hebben gewezen, merkt Ds. Gispen in de Bazuin op, dat deze geest der verwarring vaak iets aanstekelijks heeft ook voor de belijders van den Christus.

Dat ook de geloovigen in zulke tijden min of

meer m de war zijn, is met onverKiaarDaar. wet is een ure der verzoeking, en de vraag: wat is roeping, wat is plicht, wat wil de Heere, dat wij doen zullen, — wordt dan ook met groote verscheidenheid, en op vaak tegenstrijdige wijze beantwoord.

-r 1 1 1 1 .A - -iri "1 _ "I 1

in ons lana D.v. noort men uikwijis net uczwimr

uitspreken, dat het den Calvinisten, onder leiding

van Dr. Kuyper, alleen maar te doen is om wereldlijke macht. Zij hebben geen vertrouwen op God,

stellen de zaken niet m s tieeren nanaen, maar willen alles zelf doen. Vandaar dat zij hulp zoeken bij Assur en Egypte, of dan eens bij de Roomschen

en dan weder bij de radicalen, al naarmate net nun 't beste voorkomt om te geraken tot hun doel: de onderwerping van het land aan hun heerschappij.

Dit wordt dan ten strengste atgekeurd als een

streven, dat in hooge mate zondig is, met Uods Woord strijdt en uitloopt op verloochening van het Christelijk geloof. Immers, zoo redeneeren deze

Christenen, de mensch moet zich dood werken,

opdat aan het licht kome, dat de verlossing Gods werk is. En wie meent, dat hij het lichaam van

Christus in deze bedeeling tot openbaring zal bren¬

gen, verstaat de bcnritt niet, die daar zegi: ons leven is, met Christus, verborgen in God. En wie hier wetenschap en kunst en alle dingen onder de heerschappij van het geloof zoekt te brengen, grijpt vooruit in de werken Gods. Want eerst als Christus

geopenbaard zal worden, die ons leven is, dan zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

En nu moet gij u met voorstellen, aai aeze

Christenen dicht bij Rome wonen en dus, gelijk, het spreekwoord zegt, niet van de beste soort zijn, want ik schroom niet te verklaren, dat er onder

dezulken teedere godvruchtige zielen zijn, en, in het algemeen gesproken, derzulken levenswandel onberispelijk is.

Maar van waar dan die verkeerde, onwelwillende, soms zelfs vijandige beoordeeling van het Calvinisme ?

Meestal uit vooroordeel en misverstand, bovenal uit verschil in grondgedachte of beginsel.

Gij moet u echter niet voorstellen, dat deze Christenen allen vijanden van de Gereformeerde leer en van de Gereformeerde kerken zijn. Ook uit den mond van leden onzer kerken kan men zulke oordeelen over het Calvinisme vernemen. Zij voelen zich wel in onze kerken niet geheel op hun plaats, maar de vraag: waarheen? is tegenwoordig niet zoo gemakkelijk te beantwoorden.

Wie de geschiedenis der Scheiding kent, weet dat er, van den beginne aan, onderscheiden geestes-stroomingen in de kerkelijke actie van '34 zijn saamgevloeid; weet ook, wat moeite en strijd het

Sluiten