Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

üeegtafel.

*• J. van Andel, Etn-pred. van Gorinchem. ^alomo's Hooglied voor de Gemeente bewerkt, dampen — J. H. Kok — 1909.

„Van het oogenblik af waarop ik voor het eerst Twaalf kleine profeten uit had, zijn mij d® geschriften van Ds. J. van Andel steeds bijzonder welkom. Zij toch doen mij genieten Van den goeden smaak, de diepe Schriftkennis de oorspronkelijkheid van hun auteur. Ik dan ook blij, dat nu het preeken hem Physiek onmogelijk is geworden, hij toch nog yoort kan gaan met schrijven.

Welkom was mij dan ook zijn jongste papieren kind, Salomo's Hooglied en, na sympathieke ontvangst van mijn zijde, heeft het mij, bij nadere kennismaking, geen minder genot zeker verschaft dan v. Andel's oudere papieren kinderen mij hebben gedaan. In een keurig bandje van elegant formaat, en, ook wat lypographische uitvoering "«treft, alle eer doende aan den uitgeyer, ligt van Andel's bewerking voor de Gemeente van dj*, voor den oppervlakkige, zoo zonderlinge bijbelboek hier voor mij.

Is reeds het preeken over of uit bet Hoogled zoo maar niet ieders werk, — ik herinner ®31j nu op eens die preek welke ik eens genoord heb over h. I. : 4: „De koning heeft ■^ij gebracht in zijn binnenkameren" — in welke Preek de geachte redenaar niet, met den bekenden éénen, stap uit het toch waarlijk zoo sublime, dat in deze woorden ligt, slapte, maar dadelijk smakte in het ridicule —, nog minder is het ieders werk er over te schrijven.

Wat is er niet al over geschreven? Wat al ■^eeningen zijn er omtrent den zin van dit lied n,iet al verkondigd? Welke is, op het stuk van Zln, zijn rechte - zin ? Want, al zijn allen het er over eens, dat het éene onderwerp in dit 'led bezongen, de wederkeerige liefde is van een man en een vrouw, zij verschillen in het Antwoord op de vraag of achter dien letterleken, nog een diepere, een verborgen zin ligt. Een ander verschil loopt over de vraag naar den vorm, en wel of het éen lied is, dan wel een verzameling van liedjes, waarbij dan de voorstanders van den bloot letterlijken zin zelfs van aaneengeregen bruiloftsliedjes spreken. Maar ook onder hen, die het eens zijn omtrent de eenheid en ook omtrent een dieperen zin, bestaan ?°g weer verschillen. En een dezer verschillen 's dan, dat volgens sommigen maar twee, Salomo en Sjulamiet, volgens anderen drie hoofdpersonen, Salomo, Sjulamiet en de hbrdee, welke laatste dan de vriend en geliefde van Sjulamiet zou wezen, —in dit gedicht optreden.

v. Andel toont van al deze vragen op de hoogte te wezen en in de Hooglied-literatuur dierminst een onbekende te zijn. In een Inleiding l°ch wordt dit alles beknopt en zonder omhaal yan geleerdheid uiteengezet, en dan gepleit voor de eenheid en den dieperen zin, en ge*ozen voor de „herder-hypothese".

Maar, het is, zooals ik zeg, niet ieders werk °ver het Hooglied te schrijven.

Met een, zelfs vrij eerbiedwaardige, kennis van de bestaande literatuur is men er nog niet Je moet zelf een beetje artistiek zijn bijgewerkt om van de literaire kunst, die er in zit, *e genieten en anderen te doen genieten. En daarbij is dan ook nog noodig, ik mocht wel zeggen allereerst noodig, dat men genoeg iaam Mystiek is aangelegd om den verborgen zin, die, ook naar mijn overtuiging, zit in dit volkslied der christelijke mystiek aller eeuwen, te voelen, te vatten, te genieten.

Aan deze twee vereischten voldoet nu van Andel öök, en daarom was het metterdaad een *erkvoor hem, over het Hooglied te schrijven, "an de „herder hypothese" heeft hij, door haar ln verband te brengen met „den historischen Achtergrond", dat niét de schitterende Salomo. hiaar de Messias de ware bruidegom van het fchte Israël was, een zeker niet onvernuftig gebruik gemaakt, al wil het mij ook voorkomen, dat genoemde hypothese, ook dus, nog maar "ypothese blijft. Met haar aantenemen toch Verklaart men het Hooglied niet ?oo, dat deze kaderstelling, ik zeg niet, tot volstrekte zekerheid, maar althans tot de hoogste mate van Waarschijnlijkheid wordt.

Hier en daar zou ik ook een bedenking willen hiaken.

Zoo b.v. tegen Van Andel's opvatting van "de wijngaarden", waarvan in het Hooglied ^eermalen wordt gesproken en waarin hij Godet °'gt. In afwijking van de zijne toch, komt mij Waarschijnlijker voor de meenicg van acdeieuilegers, dat wij op sommige plaatsen, waar van ."W'jngaard" wordt gesproken, juist niet den .^terlijken zin hebban vasttehouden. Ojk acht het niet onbedenkelijk om op grond van J1: 7 : 1 te besluiten, dat Sjulamiet „van huis ült niet minder dan een prinsendochter was" p. 15.

Maar met dit al was mij de lezing van Van J*deis bewerking van het Hooglied ia meer an e;n opzicht een g^not. En waar hij door •*e*en arbeid aan de Gemeente het Hooglied doen verstaan „als een profetisch messisansch 'ed, een lied welks verborgenheid groot is; , *nt de liefde, die er zich een gedenkteeken . ïter trouw heeft gesticht, is die van de gemeente • Christus" — daar deel ik van harte zijn , ensch, „dat die arbeid moge strekken om velen et Lied der Liederen meer te doen waardeercn, 11 inzonderheid om de liefde aan te wakkeren 01 Hem, die meer dan Salomo is".

K 2- Ds. J. L. Jaspers, v. d. m. te Lekker erik. Maakt u vrienden uit den onrecht(aaRdigen mammon. Leerrede over Lucas 16 : t>xa. Uitgegeven ten voordeele der op te chten Christelijke School te L'ekkeikerk. Prijs 5 cent. Gouda — J. H. Bos, 1909.

Wat een geluk, dat er ook onder de jongere Iteratie van predikanten — van verbi divini Qlöisiri, zou mijn vriend Jaspers zeggen, — hzer keik menschen zijn, wier vernuft u doet , e^ken asm vonkelend parelenden wijn, ö:>k in r.? preeken. Onze Gispen wiens prediking dei 100 suPerieur was omdit zij mij ook daaraan a id denken, is van ons heengegaan; onze van wien het charisma van het petillante minder rijkelijk is toebedeeld, preekt niet 1 "er> en zal eens, — moge dat eens nog maar 0 8 uitblijven 1 — ook niet meer schrijven;

• . -, maar ik wil, om voor mij goede he eQeni uit de nog „dienst-doenden" — zoo On ^ immers, -- liever geen namen noemer; die en die, welke ik op het oog heb, zijn juist mannen van de oudere generatie, verschillen en er zijn onder ons kerhët Publiek, die onder een prediking, waarbij v4]1 °°g hunner ziel niet het minste gevaar loopt vlH Slerk geprikkeld te worden door een sprank Qtl opschietend vernuft; bij een prediker, wiens 'kenbare gave der langdradigheid het voortik k'edt, dat men den draad zijner rede get*6?5 eens kan laten glippen om haar straks j^kkelijk weer te vinden — bepaald „smullen", j^ar mijn smaak is dat nu niet.

<let airom acht ik het 'n geluk, dat het genre hi«t ^et^ante predikers met de oude generatie verdwijnen.

En daarom vestig ik dan ook de aandacht op het stukje kanselarbeid van den jeugdigen prediker van Lekkerkerk.

In dit preek je zit belofte voor de toekomst. Bij de lezing werd ik herinnerd aan de manier van preeken van wijlen mijn onvergetelijken vriend Gispen.

Geen namaak, maar in den zelfden geest, omdat er in dezen jongen man blijkbaar iets van den geest zit, die ook in Gispen was.

Men koope en leze.

Wh het koopt en daartoe het kwartje direct aan Ds. J. L. Jaspers, v. d. m. te Lekkerkerk, zendt, helpt een steentje aandragen voor de Christelijke school aldaar, die in het zeer moderne Lekkerkerk komen moet.

Op het adres is misschien Ds. J. L. Jaspers te Lekkerkerk al voldoende en kan het v. d. m. er wel af. Dat toch beware men, als alle hooge titels, liever voor buitengewone gelegenheden.

3. De Gids. Christelijke Scheurkalender voor 1910. Scheveningsche Boekhandel — Scheveningen.

Dit is no. 4 van de Christelijke Scheurkalen ders, die ons zijn toegezonden.

Deze periodieken kan men, vooral tegen het einde des jaars, niet laten liggen.

Daarom vestig ik er nu maar terstond de aandacht op. Het schild is sober, met de beeltenissen van Prins Willem I en van Prinses Juliana in haar wiegje. Bij de teksten verklaringen van de Hervormers en andere Geref. Theologen. Al weer iets nieuws en dat nog zoo slecht niet is. Aan de achterzijde zeer rijke lectuur op het gebied van kerk- en landhistorie, schriftverklaring enz.

Een serieus stuk werk.

fèereenigfng^ïeta.

„JACHIN'.

In een keurig artikel in het zoo uitnemende tijdschrift Timotheus, aan hetwelk we gaarne in ieder Coristelijk gezin een plaatsje zouden zien ingeruimd, heeft de heer J. Postmus oslangs weer eens, op zijn eigenaardige wijze, uiteengezet de groote beteekenis van het boek in bet algemeen, en met name de waarde van een goed boek.

Het zal wel niet ontkend kunnen worden, dat het lezen van een boek een veel gewichtiger zaak is, dan men zoo in het algemeen wel aan neemt. Een Christen moest nimmer een boek lezen, waarvan het hem niet bekend is, of hij er al dan niet iets goeds uit zal kunnen putten, laat staan, dat het hem bekend zou zijn, dat de strekking ervan verkeerd is.

Ia de praktijk des levens moet men zich vaak richten naar hetgeen deze of gene goede bekende, in wiens oordeel men vertrouwen stelt, van het een of ander boek zegt, want zeer gering is nog immer het aantal der bladen, die de mbriek recensie als een integreerend deel van de courant beschouwen en haar daarom op zeer serieuse wijze verzorgen.

Kan nu de toestand op het gebied der recensie ten aanzien van boeken voor volwassenen niet gehéel bevredigend genoemd worden, de toestand was tot voor kort ten aanzien van kinderboekjes zéér onbevredigend, en dat wellicht niet zoo zeer omdat ten deze voor de kinderwereld minder gedaan werd, maar omdat op de kinderlectuur nog veel strenger toezicht noodig is dan op andere lectuur. Een verkeerd boek blijft bijna nimmer zonder slechten invloed, maar vooral op het zoo ontvankelijke kindergemoed kan een bedenkelijk boek een zoodanigen invloed uitoefenen, dat het kinderzieleleven zich in verkeerde richting gaat ontwikkelen, en de sporen van het lezen van ongezonde boeken en boekjes tot ver in het latere leven zija terug te vinden,

Dit geldt zeer zeker in de eerste plaats van de niet-C.irïstelijke kinderlectuur, maar daarnaast in ernstige mate evenzoo van de Chsistelijke werkjes, die ontsproten zijn aan een ongezond Christelijk leven. Men denke slechts aan de vele, hier nu niet nader aan te duiden Christe lijke boekjes, die, zonder dege godsdienstige kennis te bevorderen, in ons volk een geest van antipapisme hebben wakker geroepen, met welks uitingen men tientallen van jiren beeft te worstelen gehad eer ze althans eenigermate onderdrukt waren.

Bijzonderlijk moet met het oog op dit alles dan ook op prijs gesteld worden het werk van hea, die zich geven voor de moeilijke en verantwoordelijke taak, den grooten en breeden stroom van kinderlectuur, welke vooral in de laatste maanden van ieder jnar over ons volksleven heen gaat, in tweeën te splitsen, om slechts dat deel, dat levenwekkende en levenbevorderende elementen bevat, te doen gaan over het Christelijk volksdeel.

Een groep mannen, die zich ten deze bij jonder verdienstelijk maken, vormen de commissiën voor de boekbeoordeeling van de Gerefo; meerde Zondagsschool Vereeniging „Jichin", Hun verslag over 1908, geredigeerd door Da. Tazelaar, ligt voor ons en geeft ons aanleiding tot een woord van aanbeveliog voor het verslag over 1909, dat in de afgeloopen maand zou verschijnen.

Die commissiën zijn samengesteld uit een zevental leden van het hoofdbestuur, een elftal predikanten en een tiental mannen uit de onderwijzerswereld. Iedere commissie bestaat uit 3 leden, waarvan ieder een exemplaar van de ter recensie gezonden boekjes bestudeert en zijn recensie aan den redacteur van het verslag der boekbeoordeeling inzendt. Esn boekje wordt goed- of afgekeurd, al naar gelang er twee van de drie stemmen voor of tegen zijn.

We hebben verscheidene van de recensiën met aandacht doorgelezen, en kunnen zeggen, dat ze ten volle geven wat men ervan vragen kan en mag. Vorm en inhoud worden zoo ernstig ter toetse gebracht, dat men zich op den gids van „Jachin" met vol vertrouwen kan verlaten, als men zich over het breede terrein van de kit derlitteratuur beweegt, om uit de opgestapelde schatten een keuze te doen voor zich en de zijnen.

Niet genoeg kan dan ook dengenen, die voor hun kinderen of voor kinderen van Zjndagsscholen, waaraan ze verbonden zijn, boekjes moeten uitzoeken, geraden worden, kennis te nemen van het verslag van „Jachin's" boek beoordeelingen.

Deed „Jachin" niets meer dan dit eene voortreffelijke en hoogst gewichtige werk, dan zou het bestaan dier Gereformeerde ZondagsschoolVereeniging toch van groote beteekenis zijn, omdat zij met haar boeköeoordeelingen grooten invloed uitoefent op een zeer belangrijk deel van onze letterkunde.

Evenwel is de taak van „Jachin" omvangrijker. De vereeniging bezorgt o. a. ook de uitgave van De Zondagsschool, een tijdschrift ter bespreking van de belangen der Gereformeerde Zondagsscholen, dat in degelijkheid op één hoigte staat met de boekbeoordeelingen.

Verder moet vermeld worden de uitgave van „Jichin's" bekenden „Rooster" met toelichting. Daarover zij hier even het woord gegeven aan de redactie van De Zondagsschool, die er dit van schrijft:

Van den Rooster worden 55000 ex. gedrukt en van de Toelichting 1250.

Als gij deze beide cijfers op zichzelf neemt, is dit zeker een belangrijk getal. Evenwel konden en moesten ze o. i. worden verdubbeld.

Er zijn nog verscheidene Zondagsscholen in de steden, die een eigen Rooster vervaardigen. Natuurlijk heeft ieder Zondagsschoolbestuur daartoe volle recht. Toch veroorloven wij ons hier de vraag, of dat wijs is.

Een Rooster voor het onderwijs op de Zondagsschool saam te stellen, is geen kleine zaak. Daartoe wordt kennis en ervaring vereischt. En nu willen wij volstrekt niet beweren, dat die noodige kennis en ervaring alleen zou aanwezig zijn bij de heeren, die „Jachin's" Kalender samenstellen; maar toch meenen wij wel te mogen opmerken, dat wie in dezen arbeid jaren achtereen werkzaam was, daartoe als vanzelf meer vaardigheid verkreeg. Dit verschijnsel doet zich voor bij alle werk en in ieder vak.

Onlangs deelde mij een broeder uit een onzer groote steden mee: „Wij hebben eenigen tijd met een eigen Rooster gesukkeld, doch dat gaf veel werk, groote kosten en verschillende moeilijkheden".

Is het nu wijs, zoo willen wij vragen, als men voor een zaak goedkooper, gemakkelijk en ook beter terecht kan, alsdan toch den moeilijken en duursten weg in te slaan? Op handelsgebied doet dat zeker niemand. Op het terrein van de Zondagsschool gebeurt het echter wel.

Doch er is nog een belangrijke factor, die ons vrijmoedigheid geeft, „Jachin's" Kalender met nadruk aan te bevelen. „Jachin" geeft in zijn Rooster ieder jaar een afgerond geheel, en doorloopt in drie jaren in hoofdzaak de gansche geschiedenis der Godsopenbaring.

Dit hangt saam met het standpunt, dat onze Vereeniging ten aanzien van de Zondagsschool inneemt. De Zondagsschool toch geldt voor „Jachin" als een stichting van missionair karakter. Daarom moeten de centrale waarheden ieder jaar in den Rooster worden besproken. Om deze eigenschap van onzen Kalender heeft Ds. Sikkel op den cursus te Amsterdam gezegd: „Jachin's" Rooster is een prachtrooster in zijn soort."

Van harte hopen wij, dat het cijfer van ons debiet van 55000 op 100000 exemplaren moge klimmen. Die hope is volstrekt niet onvervulbaar.

Hoezeer men met eigen Roosters tobt en sukkelt, dat hadden we zelf wel eens de gelegenheid op te meiken. En de vraag is dan ook niet overbodig, hoe het komt, dat men zich aftobt voor een werk, dat anderen reeds op voortreffelijke wijze gedaan hebben. Het antwoord op die vraag kan haast niet anders luiden dan aldus, dat onbekend ook hier onbemind maakt. Ook ten opzichte van dezen Rooster met zijn toelichting wekken we allen, die zulks nog niet deden, op, van „Jachin's" arbeid kennis te nemen. Om daartoe zooveel het ons mogelijk is mede te werken, zullen we in een onzer volgende artikelen nog nader bij den Rooster stilstaan.

Wegens bet voortzetten zijner studiën, verzoekt de heer K. Dijk, Theol. cand. aan de Vrije Universiteit te Wolvegs, vooreerst geen beroep op hem uit te brengen.

De classis Appingedam heeft in hare vergadering van Donderdag 25 Nov. j 1. praeparatoir geëxamineerd den heer ƒ. A. Berghuis, Theol. cand. te Bierum (Gron.) en hem met algemeene stemmen beroepbaar gesteld in de Geref. kerken.

Namens de classis voornoemd:

P. Bos, scriba.

Delfzijl, 29 Nov. 1909.

Kielwindeweer, 29 Nov. Gisteren was het voor onze gemeente een blijde dag. Onze j eugdige leeraar, Ds. Kroes, werd tot zijn dienstwerk ingeleid door Ds. Middelveld van Nieuw-Buinen, welke tot tekst gekozen had Jes. 62 : 6. Des namiddags verbond Ds. Kroes zich aan de gemeente en koos tot tekst Ps, 84: 2. Bij beide gelegenheden was het kerkgebouw geheel gevuld. Stelle de Heere zijnen dienstknecht tot zegen.

Onze onvergetelijke Em. Predikant Ds. J. Bavinck, 29 Nov. ten huize van zijnen oudsten zoon Dr. H. Bavinck te Amsterdam overleden op 83 jarigen leeftijd, werd heden alhier met indrukwekkende plechtigheid ter aarde besteld. De begrafenis geschiedde van uit de Burgwalkerk, die door haar voorkomen reeds direct bij het binnentreden ieder tot ernst stemde; de preekstoel was met krip omhagen, eene draperie daarboven aangebracht, terwijl de lijkkist daarvoor op eene Katafalk was geplaatst. De leiding der begrafenis geschiedde door onzen oudsten leeraar Ds. Elzenga, die, na vooraf gelezen te hebben Ps. ri2, een kort woord sprak, waarin hij den overledene schetste in heel zijn leven.

Vervolgens werd het woord gevoerd door prof. Bouwman namens Hoogleeraren en studenten der Theol. school, en door Dr. H. Bavinck namen3 de familie. Gevolgd door een langen stoet, werd daarop het stoffelijk overschot naar de begraafplaats geleid, waar achtereenvolgens werd gesproken door onzen leeraar Ds. Westexbeek van Eerten, Ds. Te Velde van Zwartsluis, Ds. Oegema van Hooge veen, Ds. Goedbloed van Nieuwendijk en Ds. Donner van Amersfoort, terwijl ten slotte Ds. Bavinck van Rotterdam in gevoelvolle en treffende bewoordingen den overledene als vader herdacht, en een woord van dank tot sprekers en aanwezigen richtte. Tot slot werd door allen gezongen Ps. 68 : 2.

Iedereen was diep bewogen, en de overgroote schare van gemeenteleden in de kerk en op de begraafplaats bewees, dat onze vroegere herder en leeraar, die thans juicht voor Gods troon, nog steeds in aller harten woont. De nagedachtenis des rechtvaardigen zal in zegening zijn.

Namens den Kerkeraad van Kampen.

H. Krans, Scriba.

Assen, 1 Dec. 1909.

Kort verslag van de vergadering der classis Leiden, op xr Nov. x909.

Ds. Thijs opent namens de roepende kerk de vergadering met het lezen van Gods Woord en gebed.

Ds. Rudolph is naar toerbeurt praeses, en heet Ds. Bouma van Hazerswoude welkom, die voor het eerst ter vergadering is.

Praeparatoir examen van den heer F. C. Meïjster te Katwijk aan Zee. Na eene predikatie over 2 Cor. 5 : 2x wordt het examen voortgezet door Ds. Rudolph over exegese O. Test. naar Jesaja 6; door Ds. Impeta exegese N. Test. volgens Galaten 1; door Ds. Kouwenhoven in dogmatiek. Met algemeene stemmen wordt de heer Meijster beroepbaar gesteld in de Geref.

Kerken in Nederland. De praeses doet hem daarvan mededeeling, de vergadering zingt hem toe Ps. 134 : 3, en Ds. Impeta sluit dit deel der zitting met dankzegging.

De notulen worden gelezen en goedgekeurd.

Besloten wordt het kort verslag van de classisvergaderingen in te zenden aan Bazuin en Heraut.

Aan onderscheidene kerken wordt advies gegeven in zake tucht.

Leiden wordt benoemd tot archiefbewarende kerk.

Rapport van de kerkvisitatoren: door Ds. Broekstra over het Oostelijk, en door Ds. Douma over het Westelijk deel der Classis. Beide rapporten mochten ruimschoots erkennen de zegeningen des Heeren op stoffelijke en op geestelijk gebied.

Over de vraag: „Wat kan de classis doen voor de inwendige Zending?" wordt een belangrijk rapport voorgelezen door Ds. Meyering. Dit zal D.V, op de volgende vergadering nader worden behandeld.

De Zendingsdeputaten deelen mede, dat Ds. Netelenbos, hoezeer ook neergedrukt door velerlei moeilijkheden, nochtans met moed den arbeid voortzet.

Roepende kerk voor de volgende vergadering is Voorschoten.

Ds Rudolph sluit met dankzegging.

Namens de classis voorn.

H. J. Kouwenhoven Dz.

JSmmtlitiul

N.-Amerika. De Universiteit van Chicago, door Rockefeller met zijne millioenen gesteund, heeft een hoogleeraar die zich in een boek aldus over de verzoening uitliet:

„Wanneer een mensch gevoelt, dat hij rechtvaardiglijk onder den toorn Gods ligt, dan is hem de mogelijkheid der vergeving geen lichte zaak. Daarvoor wordt geëischt eene bijzondere regeling door God zeiven. De uitgewerkte voorziening in de vleeschwording en de kruisiging van den Zoon van God schijnt gepast in zoo belangrijk een zaak als de zondf tegen den Heilige.

Maar de toestanden, welke zulk eene overtuiging van zonde natuurlijk deden zijn in vroegere dagen, zijn nu voorbij.

In onze voor indrukken ontvankelijke jeugd lezen wij niet meer in onze eerste leesboekjes dat „in Adams val wij allen zondigden."

Inderdaad, onder den invloed van de evolutieleer is onze eeuw in twijfel gebracht of zulk een man als Adam wel ooit heeft bestaan; en, zoo ja, of hij de oorspronkelijke gerechtigheid welke de theologen ons voorstelden, wel heeft bezeten.

Wij hebben geleerd uit de biologie, (leer des levens,), dat de dood niet een gevolg der zonde is, maar éven natuurlijk een element in de wereld is als het leven lelf. Derhalve heeft het Paulinisch beroep op Adams zonds en hare noodlottige gevolgen, op ons geen vat.

Het is voor de menschen heden onmogelijk, om berouw te hebben over de zonde van Adam, of om den dood te beschouwen als een straf der zonde. Een leer van de verzoening, die gelooft in deze dingen vooronderstelt, kan ons zedelijk leven niet ten goede komen."

Naar aanleiding van dit bovenstaande zegt de Wachter, die ook wees op andere afwijkende meeningen in de Vereenigde Staten die op de universiteiten geleerd worden:

„Op den bodem van Gods Woord staat geen enkele Universiteit in ons land. Voor dat Woord buigen wil men niet. Men stelt zich boven het Woord. Wat den geleerden in den Bijbel aanstaat, nemen ze aan, en daarmee pronken ze, en verblinden veler oogen en verleiden de harten.

Het moderne ongeloof nestelt zich al dieper in het leven van ons volk. Nimmer werd er zoo zeer aangedrongen op hooger onderwijs, en steeds groeit het aantal, dat de voornaamste zetels van wetenschap bezoekt. Helaas, dat het onderwijs de fondamenten van ons volksleven ondermijnt.

Te midden van het volk, waarin wij Gereformeerden wonen, is het voorwaar onze roeping niet, om op de splinterige kwesties van de Gereformeerde dogmatiek ons te werpen met alle kracht, maar veeleer om de fondamenteele waarheden van Gods Woord met kracht te verdedigen.

Wij kunnen soms zoo druk bezig zijn aan de torenspitsen van den tempel der gereformeerde geloofsleer. En onderwijl is de vijand bezig de fondamenten te ondermijnen.

Daar dreigt het gevaar ook voor ons eigen opkomend geslacht."

Wij zijn het hiermede hartelijk eens. Amerika heeft grootelijks behoefte aan eene Universiteit op Gereformeerden grondslag.

Gemengd Nieuws.

Een geloofsbelijdenis. Toen een poos geleden de dochter van het Duitsche Keizerspaar, prinses Victoria Louisa, hare belijdenis deed, had de hofprediker Dr. Dryander tot tekst Luc. 10 : 41, 42: »Martha ! Martha ! gij bekommert u en ontrust u over vele dingen, maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.« De prinses las, met haar gelaat naar de gemeente gekeerd, volgens oud Hohenzollern's gebruik, een door haar zelf gekozen bijbeltekst voor. Met duidelijke stem las zij Joh. 6 : 68 en 69: «Heer, tot Wien zullen wij heengaan F Gij hebt de woorden des eeuwigen levens; en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.« Door domkoor en gemeente werd o. a. gezongen: «Ach blijf met Uw genade, Heer Jezus, ons nabij« en »Neem, Heer, mijne beide handen.«

De Fransche geestelijkheid zet hare propaganda tegen de openbare school voort en heeft een aantal schoolboeken, op die scholen in gebruik, op den index geplaatst. De minister van onderwijs heeft den onderwijzers een circulaire doen toekomen, waarin hun gelast wordt die boeken te blijven gebruiken, terwijl de ouders, wier kinderen om die redenen van school gehouden worden, gestraft zullen worden. Ofschoon de regeering, door de meerderheid gesteund, niet veel acht op de propaganda der geestelijkheid heeft geslagen, en niet met het denkbeeld der ultra-radikalen, om onderwijs tot een staatsmonopolie te maken, instemde, omdat zij meent dat de door haar gevolgde staatkunde geen gevaar loopt, zal zij toch wanneer de Roomschen niet inbinden, een wet indienen om onderwijzers tegen »het drijven der fanatieke ouders,« en tegen «godsdienstige vereenigingen« te be schermen 1

De Fransche regeering heeft reeds een kruistocht tegen de protesteerende ouders aangekondigd. Zij heeft telkens de leuze stegen het clericalisme» op te heffen, om aan de regeering te kunnen blijven

De Waldenzen hebben door de groote ramp die Sicilië in de aardbeving geteisterd heeft, ook groote verliezen geleden. De kerk en een school¬

gebouw voor vier klassen zijn ingestort; de predikant der Waldenzen Chauwia is met vrouw en kind daarbij omgekomen. Doch men verstaat het in Waldenzische kringen elkanders lasten te dragen. Een der broeders schreef: »Sion zal weder opgebouwd worden. Een aardbeving heeft eenmaal het graf van Jezus geopend. Ik geloof eene opstanding. «

Een honderdjarige prediker. Te Blurton (NorthStaffordshire) heeft onlangs de heer Hutchinson als honderdjarige zijn eerste prediking gehouden. Hij kon alleen den kansel beklimmen en sprak ongeveer een kwartier voor een groot gehoor. Zoo werd vervuld hetgeen we lezen in Ps. 92 : 14—16: »Die in het Huis des Heeren geplant zijn, dien zal het gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, om te verkondigen dat de Heere recht is.«

Winckkl.

Utittïcrfit.

BERGOPWAARTS.

x.

In Nederland.

Zonder ongevallen volbracht Linnaeus de reis en kwam in ons Vaderland. Voor het noodige geld had Moraeus gezorgd.

Het eerst begaf hij zich naar Amsterdam, dat destijds nog meer voor den handel beteekende dan nu, doch de twee hoogescholen miste die het thans heeft. Voor het hooger onderwijs was er alleen een zoogenaamde „doorluchtige school", die echter niet met een hoogeschool gelijk stond. Het gebouw dezer school staat er nog, en wel op den Oude Zijdsvoorburgwal, vroeger Fiuweelen burgwal, dicht bij de Agnietenstraat. Thans dient het voor openbare school.

Te Amsterdam bleef Linnaeus dan ook niet lang, denkelijk wijl hij juist aa n een hoogeschool wilde bevorderd worden tot doctor. Nu waren er destijds in ons land, schoon het kleiner was dan nu en ook veel minder inwoners telde, toch 5 hoogescholen en wel te Leiden, Utrecht, Groningen, Harderwijk en Franeker. Behalve Nederlanders studeerden hier ook veel vreemdelingen.

Linnaeus dan begaf zich naar Harderwijk, deed daar examen, en werd tot doctor in de geneeskunst bevorderd, nadat hij een geleerde rede had gehouden over tusschenpoozende koorts, d. i. koorts die op geregelde tijden wederkomt. Deze bevordering had plaats nog in hetzelfde jaar van zijn reis en wel reeds in Juni 1730. Zoo had de Heere hem reeds tot een bepaald doel geleid en kon hij voortaan zich het noodige verschaffen, al zou ook later blijken, dat hij niet in de geneeskunde zijn hoogsten roem als geleerde behalen zou.

Ge begrijpt wel, vrienden, met welk een blijdschap zijn beminde en haar vader de goede tijdingen uit Nederland ontvirigen. Ze hadden wel geweuscht, dat Karei maar aanstonds weer was teruggekeerd. Dat ging echter niet.

Weer begaf zich Linnaeus naar Amsterdam, doch de stad trok hem blijkbaar niet aan. Hij was heelemaal geen koopman en voor de plantkunde bood Amsterdam toen al even weinig schoons als thans. Vondel zong terecht:

„Waar groeien eiken te Amsterdam?"

En zoo vertrok Linnaeus dan weldra naar Leiden. Niet dat daar de naiuur zoo schoon was, maar Leiden's hoogeschool was destijds, wat de geneeskunst betreft, de meest beroemde van Europa. 'tWas als Moraeus gezegd had. Uit alle landen kwamen er jongelui voor dokter studeeren. Daar woonde 0. a. de beroemde Hermanus Boerhaave, die als geneeskundige in heel de wereld bekend was, zoodat zelfs een brief uit Azië hem toegezonden terecht kwam, schoon er alleen op stond: „Aan Boerhave in Europa." Of 't met brieven voor dokters nog zoo gaan zou?

Er woonden trouwens te Leiden meer mannen, die Linnaeus gaarne wilde leeren kennen. Zoo besloot hij dan, al was hij gaarne naar Zweden teruggekeerd, dat vooreerst nog niet te doen, maar eenigen tijd in Nederland te blijven waar zooveel knappe mannen waren, van wie hij nog veel lëeren kon.

Te Leiden aangekomen vond de jonge dokter zijn weg alweer geheel tot zijn doel beschikt. Daar woonde namelijk de beroemde Gronovius, uit een geslacht dat tal van uitnemende mannen heeft opgeleid. De Gronovius hier bedoeld, Johan Iredeiik, was een overheidspersoon en rechtsgeleerde te Leiden, maar ook een groot vriend van de plant- en kruidkunde, waarover hij verschillende boeken heeft geschreven.

Met dezen heer en nog een andere geleerde, die van Royen heette, werd Linnaeus al spoedig bekend en bevriend. Beiden stonden verbaasd over de groote kennis van den Zweedschen doctor en zochten zijn gezelschap. Met Gronovius sloot de Zweedsche bezoeker weldra innige vriendschap, zooals bleek toen de Leidsche kruidkundige aan een der planten, die de student op zijn reis door Lapland had gevonden, diens naam Linnaeus gaf. Ojk hield Gronovius zoo lang aan, tot Linnaeus zijn boek: Stelsel der natuur geheeten, te Leiden in het licht gaf. In dit boek zette de geleerde schrijver uiteen waarop zijn stelsel rustte, 't Bleek ook dat Gronovius een goeden raad had gegeven, want door dit zijn boek werd Linnaeus in heel Europa als een groot geleerde bekend, 't Werk was in het Latijn geschreven, en heette Systema naturae. 'tWerd steeds uitgebreid en in ^58 verscheen er te Siokïiolm reeds de tiende uitgaaf van.

Eens toen Linnaeus in de studeerkamer met Gronovius zat te spreken, vroeg de laatste hem of hij al kennis gemaakt had met Professor Boerhaave.

„Ik heb .een paar malen en met groot genoegen zijn lessen bijgewoond", was het antwoord, maar heb hem nog niet gesproken."

„Waarom niet? Ge weet toch dat hij van planten en kruiden minstens evenveel weet als van de scheikunde en de geneeskunst "

„Zeker, maar ten eerste dorst ik het eigentlijk niet, wijl Boerhaave niet alleen in jaren maar ook in kennis mij zoo ver overtreft; daarbij ben ik een vreemdeling en hier een onbekende; zou hij mij willen ontvangen."

„Ik kan u gerust raden het te beproeven" antwoordde Gronovius. „Hoe knap en geëerd ook, Professor Boerhaave is de eenvoudigheid zelf. Zijn spreuk is: Simplex Sigillum Veri (eenvoud is het kenmerk van het ware) en daarnaar handelt hij. Dat ge een vreemdeling zijt — minder onbekend misschien dan ge zelf wel denkt — hindert niet. Onze hoogleeraar ontvangt misschien evenveel vreemdelingen als landgenooten in zijn huis. Vorsten en grooten komen van heinde en ver hier om zich door hem te laten behandelen. De Czaar van Moscovië, Peter de Groote, heeft toen hij hier te lande vertoefde, eens wel twee uur gewacht

Sluiten