Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine muiterij tegen het Romeinsch gezag hebben plaats gegrepen, waaraan hij deelnam, zoodat hij in het gevecht dat hieruit voortvloeide, iemand doodstak. Maar, wat ook, hij erkende zioh zelf schuldig en nam zijn doodstraf als loon naar werken aai). Jezus was hem blijkbaar niet vreemd. Hij beleed Jezus' heilige onschuld. Hij geloofde in Jezus als Koning van het Godsrijk. Hij zag in, dat het met Jezus op Golgothaniet uit was. Na Golgotha, zoo beleed hij, kwam

Jezus' Koninkrijk, en naar dat Koninkrijk ging de begeerte zijner ziel uit. Niet onwaarschijnlijk

had hij meer dan eens Jezus prediking aan

genoora, zijn wonderen Dijgewoona, en een diepen indruk van Jezus'persoon en verschijning ontvangen. Het grieft, het snijdt hem door de

ziel, zooals die priesters en soldaten Tezus be

schimpen, en als zijn medekruiseling de boos¬

aardigheid zoover drijft, om, onderwijl hij zelf

wegkrlmpt van de pijnen, aan dien hoon mee te gaan dosn, kan hij niet meer zwijgen, maar bestraft hem. Onder allen die daar bij het Kruis van Jezus zijn, is hij 't alleen die voor Jezus opkomt. Niet Jezus' discipelen riepen op Golgotha voor Jezus, Geen stem gaat er uit de 3chare voor den Man van Smarte op, en die medekruiseliDg is de eenige van wien aan Jezus

een uiting van deernis toekomt. Hij onder allen

was t eenig Kina aes menseden, de eenige

zondaar, die t voor Jezus opnam, die, onderwijl Jezus hing te sterven een geloofsuiting aan Jezus laat hooren, als hij roept: „Gedenk mijner in uw Koninkrijk!", maar die dan ook de gelukzaligheid geniet van nog op zijn kruis, eer hij stierf, door Jezus zelf te worden zalig ge¬

sprotten.

Ja, hem overkomt meerdere genade. Jezus

betuigt hem niet alleen, dat hij zijner gedenken zou, maar ontsluit hem onder de angsten des doods het vergezicht in het Paradijs. Jezus

betuigt hem met een: „Voorwaar zeg ik u" dat hij nog dezen eigen dag, eer de zon onder

ging, in dit i araaijs zou ingaan, ün als om zijn toezeggiag in haar heerlijkheid te voleinden, zegt Jezus hem aan, dat hij binnen ettelijke uren niet alleen in het Paradijs, maar in het

raradijs met Jezus zijn zou.

Kijker, heerlijker en zaliger kon hem niet worden beloofd in zijn sterven. Het was voor die vrouwen en die discipelen die aan den voet van het Kruis stonden, om dien medekruiseling

zijn Heerlijk voorrecht te benijden. Zijn sterven aan het kruii moet haast geen ster ven meer voor hem geweest zijn. En toen de soldaten tenslotte

toetraden ora hem de beenen te breken en

alzoo zijn dood te verhaasten, moet, wat anders wreed zou geweest zijn, voor hem de ure der

verlossing ziia geworden.

Denk u op uw eigen sterfbed, wegkwijnend

onder een doodelijke benauwdheid, en als Jezus

aan u in dit stervensuur verscheen en u toeriep:

„Heden nog zult ge met Mij in het Paradijs zijn", zou 't niet al den angst uwer ziel in den

volzaligsten jubel omzetten?

Toch mag die overgelukkige, laliggesproken man niet te sterk onze aandacht tot zich trekken; op Golgotha blijft Jezus zelf altoos de hoofdpersoon, tot wien we in stil geloof opzien. En dan merkt ge aan dat heerlijk woord tot dien medekruiselirg, dat voor Jezus zelf de eigenlijke doodstrijd rog niet begonnen was. Het gevoel daarvan uit zich eerst in het Mij dorst, dat daarna kwan. In dit „Heden met mij in het Paradijs" sprak nog, evenals in het „Vader, vergeef het hun", Jezus' zorg voor anderen.

Jezus stie f als mensch, en voor zijn menschelijk gevoel moet de krachtige geloofsuiting van dezen raadekruiseling een zoete vertroosting zijn geweest. Eén kind des menschen dan toch die op Golgotha voor hem pleiten dorst en de schimptaal van dien anderen kruiseling dorst bestraffen. Te midden van dat bange tooneel en den bitteren haat, die hem tegengrijnsde, een druppel van liefde in de wonde van zijn hart. Maar niet alleen die geloovige kruiseling is»z^ Jezus begaan, ook Jezus is begaan met hem, en in de zaligspreking van dien stervenden zondaar, ziet Jezus hael het doel van zijn sterven, heel de beteekenis van dat bittere Golgotha ah in een levend bseld voor zich.

De zielsworsteling van Jezus' eigen hart kwam eerst tot uiting in het: „Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten", maar al de uren dat Jezus aan het kruis hing, is die strijd in zijn binnenste doorstreden. Eeie zijds door den bitteren dood en het dragen van onze zonde en dus ook van den toorn Gods die tegen die zonde inging, maai ook anderzijds het overstelpend besef van de zaligheid die hij door zijn sterven aan al Gods

uitverkorenen aanbracht. Het was dit zalige

besef, dat hem den last onzer zonde dragen deed. Het hoog-heiiig doel van zijn sterven temperde de doodelijke smart. Hij stierf niet

om niet. De prijs van zijn sterven zou zoo

Godverheerliikend zijn.

Hij stierf niet voor zijn land of voor zijn volk, maar de prijs van zijn dood zou de redding

van den mensch als mensch zijn, en straks zou, duizenden van jaren achtereen, de dank voor de vrucht van zijn lijden en sterven uit tienduizenden harten voor zijn Vader opgaan.

En dit nu is voor Jezus onder zijn lijden en sterven in dien medekruiseling verzinbeeld. In dien man die naast Jezus sterft, is heel Christus'

duizenden van jaren achtereen, de dank voor

Kerk als vertegenwoordigd. In hem spreekt

Jezus alle eeuwen door zijn gekenden zang;,

Het blijft niet bij een gedachte die Jezus gefolterd brein doortrekt. Het blijft niet bij een klank of een woord. In dien kruiseling ziet

Jezus heel de zondige, nu tot bekeering gekomen menschheid voor zich. En het begenadigen van

dien éene was voor Jezu3 de in levend beeld

voor hem tiedende begenadiging van al zijn verlosten.

Jezus had daartoe evenzoo een zaligspreking tot Maria of Johannes kunnan doen uitgaan, maar dit had veel minder sterk gesproken. Wie

onzer toch had zich met Maria of met

Johannes durven vergelijken?

Doch nu is het heel anders. Jezus kiest niet éen der innigst aan hem verkleefden voor de zaligspreking uit, maar een zeer diep gevallen zondaar. Eea man die een doodslag op zijn geweten had. En die zelf erkent, dat zijn doodstraf ten volle verdiend is. Een zondaar onder de zondaren. Een die zich aan het heiligst recht van 't leven vergrepen had. Een zóó diep gevallene, dat Gods kinderen, in het gemeen genomeD, hun God danken kunnen, dat Zijn genade hen voor zóo diepen val behoed had.

Juist daardoor is die zaligspreking van dien diep schuldige de roepstem van Jezus geworden, waarmeê hij zelfs den diepst gevallen zondaar ten leven oproept, o, Ze zijn zoo velen geweest, die, al dorstten ze naar de zaligheid, ter oorzake van hun diepe schuld nauwelijks naar Golgotha durfden opzien. „Voor u die zaligheid, maar voor mij niet. Ik zonk te diep in mijn zonden weg."

En nu is dit juist de innig ontfermende beteekenis van dit tweede Kruiswoord, dat Jezus

zelfs aan den diepst gevallen zondaar toeroept, om niet te vertsagen, om zich niet aan de wanhoop der vertwijfeling over te geven, maar het te verstaan en het diep in het hart op te nemen, dat zelfs de diepst gezonkene bij hem verlossing en genade kan vinden, want dat zelfs die moordenaar aan het Kruis door Jezus dien eigen dag nog geroepen werd naar het Paradijs.

De ervaring heeft hierop dan ook het zegel gedrukt. De ergste onder de zondaren zijn in den loop der eeuwen tot Jezu3 gekomen. Wie het schrikkelijkst overtreden had, heeft zich toch de zaligheid in de verzoening door zijn bloed durven toeeigenen. Nog boozer zondaren dan die moordenaar zija uit den dood in het leven overgegaan. En wat onder den ontzettenden strijd om tot het geloof te komen, die diepst gevallenen bemoedigd heeft, het was juist dat woord van Jezus tot dien medekruiseling. Hem was genade bewezen ! Dus kon er ook genade voor hen zijn. Ea zoo is het door dat tweede kruiswoord, dat voor zoovelen, die anders den moed om te gelooven zouden gemist hebben, het licht der hope is opgegaan.

In het Paradijs staat die kwaaddoener, gelijk Lukas hen noemt, die met Jems stierf, niet alleen.

Ja, zoo ge het wel indenkt, en daarbij met de diepe worsteling in uw eigen zieleleven rekent, spreekt Jezus dan niet in dit tweede Kruiswoord

al zijn verlosten toe ?

Zeker, aan doodslag schuldig te staan, moet voor het eigen zielsbesef iets nog banger dan de dood zijn; maar meet een kind van God, in

zijn diepste zielsbesef, zijn schuld af naar de zonde die hij begingl Weet elk verloste niet,

dat wat hem voor zulk een diepen val in zonde

bewaarde, alleen Gods bewarende genade was ? Kent hij 't woord niet dat wie zijn broeder haat, reeds daardoor een moordenaar voor God is ? Belijdt hij niet in weedom en in tranen, dat de wortel van alle zonde ook in zijn hart woont?

Meet hij voor God zijn bange schuld niet veel

meer af naar wat op den bodem van zijn hart woelde, dan naar wat in daden tot uiting kwam ?

ja, ervoer en weet hij niet, dat eerst znn weg¬

zinken in die diepte van iDnerliike schuld, dat

zich voelen als de ergste der zondaren, voor

nem de doorgang ten leven werd 7

JNeen, een werkenjk verloste ziet niet op den

moordenaar aan het Kruis uit de hoogte neder, en zal nooit met den Farizeeër danken, dat hij niet was als die. Veeleer zal hij zich met dien eerst rampzalige één en lotgemeen gevoelen. Even schuldig voor God, in zich zelf even doemwaardig, en alleen door genade, door louter genade gered.

En zoo verstaan, dan vloeit uit dit tweede Kruiswoord voor al Gods kinderen de vertroosting. Hij gered, dan is ook voor mij redding mogelijk.

Hij nog tot zijn Heiland roepend, dan zal ook

onze smeeking om redding nog gehoor kunnen

vinden. Ea als het ook ons door den Heiligen

r* > n • . 1 r~, . .

vleest wera mgenuistera: ötraics, als ge sterven

gaat, met Jezus in het Paradijs ! — dan hebben we onszelvea in het beeld van dien overgelukkige

teruggevonden; zijn hope is onze hope geworden. En we danken onzen Jezus, dat hij, door alzoo de zaligheid aan dien moordenaar te betuigen.

ook ons het geloof aan onze zaligheid zooveel

nemer neett gemaakt.

dat juist de Roomsche pers een ander oordeel velde — besprak in haar nummers van Donderdag 9 en Woensdag 15 December 1909 de bekende voorstellen van baron Creutz in Onze Eeuw, die ten doel hadden om het Christelijk karakter der Openbare School te herstellen en liet aan het slot aldus haar critiek hooren :

Wat van dat alles te denken?

Wij moeten erkennen, dat de door een edelea en godsdienstigeii geest ingegeven voorstellen van baron Creutz zeer veel aanlokkelijks hebben, maar het lijkt ons vrijwel onnoodig, en zelfs ten deele gevaarlijk, ze te verwezenlijken.

Voor die verwezenlijking is de tijd thans voorbij, men had er voor 1878 mee moeten komen. Thans toch zouden die godsdienstige openbare scholen, beantwoordend aan de eischen van de belijders der verschillende gezindten, komen te staan naast de bijzondere scholen, welke het geheele land overdekken. Wij zouden dus krijgen: bijzondere katholieke scholen en openbare katholieke scholen, b ij z o ndere protestantsche scholen en openbare protestantsche scholen. Heeft de geachte schrijver er wel genoeg aan gedacht, dat zijne nieuwe schepping op onderwijsgebied de bestaande, ten koste van vele cffirs tot stand gebrachte school der Katholieken en Protestanten bijna overbodig zou msken, in hare ontwikkeling zou schaden, ja. in haar bestaan zou bedreigen ? Heeft hij overwogen, dat door die Katholieken en die Protestanten, welke werkelijk hechten aan confessioneel onderwijs voor hunne kinderen, reeds is gedaan, wat bij hen onder een anderen vorm wil laten dosn — dat zijne confessioneele openbare school derhalve door het bijzonder onderwijs vrijwel onnoodig gemaakt is ? Dit klemt te meer, omdat op kleine dorpen, waar thans geen bijzondere school kan bestaan, meestal ook voor geen confessioneele openbare scholeD, beantwoordend aan de verschillende gezindten, plaats zal zijn.

Aangezien De lijd dit oordeel reeds 15 December velde en De Standaard pas 24 December zich over de quaestie uitliet, kan ook hier moeilijk van napraten sprake wezen.

Een tweede vergissing, waaraan De Nederlander, natuurlijk onopzettelijk, zich schuldig maakte, was de voorstelling, alsof we het pleit gevoerd hadden tegen wat zij noemt „de relatieve neutraliteit der Openbare Schooi" en voor de absolute. Ia ons artikel staat hierover niet één enkel woord. Dat beide quaestïes ook niets met elkaar te maken nebben, blijkt wel het best daaruit, dat De Tijd, die vóór de relatieve neutraliteit is, toch op dezelfde gronden als wij

Amsterdam, 18 Februari 1910.

Ons kort entrefilet, waarin we waarschuwden tegen de poging van liberale zijde, om aan de Openbare School weer eeri zeker Christelijk karakter te geven, heeft van de zijde van De Nederlander een breede critiek uitgelokt, die ze in haar blad van 12

Febr. onder den titel: Nooit te laat eeeft.

Vooreerst wraakt ze onze uitdrukking.

dat heel de Christelnke pers schier een¬

stemmig verklaard zou hebben, dat het voor deze poging nu te Iaat was:

Heel de Christelijke pers! Ons blad zal, naar des Heraut's meening, daartoe dan wel niet behooren. Of, indien wel, in elk geval niet meetellen. „Schier eenstemmig". Wat beduidt één blad, vergelekea met de tallooze bladen, wier roeping het is te herhalen wat in De Standaard beslist werd!

We haasten ons dit persoonlijk element

uit het debat weg te nemen. Reeds het

teit, dat we schreven schier eenstemmig, toont, d^t we wisten, dat een deel der Christelijke pers anders oordeelt. Zeker is dus niet juist, wat ook De Standaard beweerde, dat we De Nederlander busten de Christelijke pers hadden gesloten. Toch kon de uitdrukking allicht den indruk maken, alsof we aan het afwijkend gevoelen van De Nederlander minder waarde hechtten. Uit dat oogpunt nemen we gaarne die uitdrukking terug.

Maar De Nederlander gaat op haar beurt te ver, wanneer ze beweert, dat alleen De Standaard dit te laat uitsprak èn de bladen „wier roeping het is te herhalen, wat De Standaard beslist heeft". Over het min

vriendelijke, dat in deze uitdrukking schuilt aan het adres van onze antirevolutionaire

pers, glijden we maar heen. Maar de voor stelling is ook onjuist.

mogen we dit met een tweetul citaten

aantoonen ?

Prof. rabius, die overigens zeker door De Nederlander niet verdacht zal worden al te slaafs aan den band van De Standaard te loopen, betuigde zijn instemming met hetgeen De Standaard schreef, in zijn „Studiën en Schetsen op het gebied van Staat en Maatschappij" No. 11, 1 Januari 1910, p. 304:

Oader dit opschrift (n.1. te Iaat) bevatte De Standaard van 24 Dec. 1.1. een artikel, waarin terecht betoogd werd, dat thans de tijd voorbij is, om aan de openbare lagere school een ander karakter te geven, haar met de godsdienstige be hoeften des volks in overeenstemming te brengen."

Althans voor zoover men bedoelen mocht daarmede den koers der schoolpolitiek te wijzigen.

In 1857 werd van antirevolutionaire zijde gewenscht eene openbare school, die zich bij het godsdienstig leven des volks aansloot.

Men heeft dat niet gewild. Toen is uit den nood de vrije school opgekomen. Op dien ontwikkelingsgang kan na eene halve eeuw niet meer worden teruggekomen. Te minder, nu gevoeld wordt, welk een zegen voor een volk ligt in de vrije school.

En De Tijd — we wijzen op dit orgaan met nadruk, omdat De Nederlander meent,

tegen de voorstellen van baron Creutz

bezwaar had.

De spraakverwarring zal wel1' daardoor

ontstaan zijn, dat het woord relatieve

neutraliteit tegenwoordig in verschillenden zin genomen wordt. Bedoelt men er alleen

mede, dat in streken zooals Noord-Brabant en

Limburg, waar de heele bevolking Roomsch

is, 01 de veluwre, waar schier alles nog

Gereformeerd is, de Openbare School een

min 01 meer Roomsch of Gereformeerd

karakter dragen kan, zonder dat dit met de wet in strrjd behoeft geacht, dan hebben we daartegen geen bezwaar. Maar wanneer

men onder relatieve neutraliteit bedoelt,

gelijk het thans meer dan eens is uitge

is? 1. * • _ 1 ,

spjruKcu in nueraie Kringen, üat men op

cie Upenbare bchool wel een zekere reli

gicu&c opieiaing wu. mus GaarDij maar

geen aanstoot wordt gegeven aan anders denkenden, dan wil dit eenvoudig zeeeen

dat men een Christendom wil „boven

geloofsverdeeldheid", een Christendom zon

der geloofsleer, zonder vaste en belijnde trekken, een Christendom dat Christelijk heet, maar feitelijk niets anders dan modernisme zou zijn. Ea Groen heeft niet ten onrechte gewaarschuwd, dat juist in zulk een schijn Christendom veel grooter gevaar school dan in de absolute neutraliteit.

Daarom blijven we waarschuwen.

Juist in de ernstiger gestemde moderne kringen betreurt men, dat de Openbare School niet alleen onreligieus is geworden, maar zelfs een antireligieuse macht. Men wil het godsdienstonderwijs weer in eere herstellen. Dr. Singels drong hierop zelfs

voor de openbare gymnasia aan, omdat

schande was, dat ons opgroeiend geslacht

. • - n"L 1 • . . _

zoo weinig van den jorjDei wist. Maar da

onderwijs moest dan geschieden aan de hand van moderne leerboeken. En zoo

zal men ook voor de Lagere School wel

een uur Bïjbelsche geschiedenis willen open

houden, mits natuurlijk al wat met het bovennatuurlijk karakter der Openbaring in verband staat, de wonderen, de schep-

nïnrfCTfCi vlllorlönjn r'lu'ScflTo' «mnn 3

r 6-b vuiwuutw, vunüfcui» «iwuuuuu Cïl

opstanding, wordt weggelaten.

Ook in liberale kringen is men met den

tegenwoordigen stand van zaken verlegen;

miuucr nog om reiigieuse motieven, dan

wel omdat men vreest, dat de Openbare

bctiool al meer propagandaschool van het socialisme wordt, wil men de hooggeroemde neutraliteit beperken. Zelfs het bestuur van den Vrijsinnig-Democratischen bond acht

het stuitend, dat, als consequentie der neutraliteit, de onderwijzers weigeren trouw aan het Koningschap de kinderen in te prenten.

En daar men weet, dat de religie nog altoos een der machtigste middelen is om den geest der revolutie tegen te gaan. wil

men een min of meer kleurlooze religie op de Openbare School weer in cere herstellen.

Hiertegen ging m de eerste plaats ons

protest, omdat we, ook zonder het goede

element te miskennen, üat hierin schuilt, toch een dergelijke relatief-neutraal Christelijke Openbare School een zeer ernstig

gevaar zouden achten. Men voelt in deze kringen, dat de Openbare School al meer grond onder den voet verliest, niet meer

de School is. waaraan de natie is trehecht

n dat de Vrije School wint. Toch blijft

men met de Doenbare bchool dweoen als

nationaal instituut, waar de zonen van het vaderland eendrachtig moeten worden opgevoed en onze nationale eenheid zal worden gehandhaafd. En om de Vrije School tegen te werken en de Openbare School er boven op te helpen, zal men zooveel „Christelijken

Godsdienst" toelaten als zonder krenking

van andermans begrippen mogelijk is.

Nu verdenken we De Nederlander geen oogenblik aan dit opzet te willen meedoen. We gelooven, wat ze zelf zegt, dat de Vrije School nog altpos haar ideaal blijft. Maar wanneer ze nu zoo luchthartig over het gevaar heenspringt en beweert, dat dit gevaar wel in Groen's dagen bestond, maar thans niet meer, dan is ze toch niet op de hoogte van wat er in het land omgaat.

Tegen deze „relatieve" neutraliteit, zooals ze thans door verschillende liberalen en modernen voorgestaan wordt, hebben we dus dit dubbele bezwaar :

i° dat deze „relatieve" neutraliteit neerkomt op ee% Christendom, dat niemand aanstoot mag geven en zulk een Christendom voor ons geen Christendom is;

20 dat dit christelijk etiket dienst moet doe»., om de Openbare School weer tot de volksschool te maken, wat geen ander doel heeft dan om aan de vrije Christelijke School afbreuk te doen, of althans haar verdere uitbreiding te belemmeren.

Mjgen we hiermede afbreken, om een volgend maal nog nader op deze quaestie in te gaan, die zeker voor de toekomst van ons land en volk van het hoogste

mooernen voorgestaan worar, tieDDen we

belar g is.

Een dogmatisch geschi- '

XXL

Terwijl het Oade Testament maar woord Schcó! kent, om de plaats aart duiden, waar de afgestorvenen hesfg3 gebruikt het Nieuwe Testament daarv' twee woorden: Ilades en Gehenna. stl

hii?

één

te

pgaaOi

ar

tri]0

de de

Onze hooggeachte broeder Wagenaar,

redacteur van de Zuider Kerkbode, is ietwat

gevoelig, omdat we — er was geen aasje

boosheid bij in het spel — hem de bron

aanwezen, waaruit Prof. Bavinck zijn titel haalde voor zijn populair handboek van

de Gereformeerde geloofsleer.

Schertsend had hij van „professorenlatijn" gesproken, en even schertsend antwoordden we, dat dit professorenlatijn dan toch al heel oud was, want dat het reeds bij den Kerkvader Tertullianus en in de Bijbelvertaling van Hiercnymus werd gevonden.

Is het goed om bij zulk een ietwat ondeugende opmerking terstond aan »kleineerende" critiek te denken ? Geldt ook hier niet, dat wie den bal kaatst hem terug moet verwachten? En sinds wanneer kan er bij onzen doctor, die zelf zooveel van humor houdt, geen scherts meer door ?

Lïten we, om den plooi terstond weer glad te strijken, eerst aan onze lezers mtê 'eelen, dat we er geen oogenblik aan gedacht hebben te veronderstellen, dat Dr. Wagenaar niet zou weten, dat de bewuste titel ontleend was aan Hand. 2:11. Prof. Bavinck vertelt dat zelf in zijn voorrede, en Dr. Wagenaar wees er op in zijn vriendelijke recensie. Onze aanduiding van dit fwit diende niet voor Dr. Wagenaar, maar alleen voor onze lezers, om hun duidelijk te maken, hoe de Vulgaat hierbij ter sprake kwam. De bedoelde zin had echter duidelijker kunnen gesteld zijn, en

dat vergeeft een keurig stylist als Dr.

Wagenaar u niet.

Wit nu de zaak zelf betreft, deelt Dr.

Wagenaar mee, dat hij zijn Vulgaat niet bij da hand had, wel vermoedde, dat de

titel daaraan ontleend was, maar 't liever

niet verraden wilde, dat een Gereformeerd

professor zijn titel haalde uit het Roomsche Nieu ve Testament. De arme Heraut heeft

Prof. Bavinck dus eigenlijk een zeer slechten dierst bewezen, en zij die beweren, dat Rom^ en Dordt hand in hand gaan, hebben nieuw koren op hun molen gekregen.

Voorts was zijn grief niet, dat Prof. Bavinck dit min of meer barbaarsche Latijn had uitgevonden, maar dat hg er zich van bediende. Het classieke Latijn van den Gereformeerden Bsza had de voorkeur verdiend.

En ten slotte handhaaft hij zijn bezwaar tegen 't gebruik van Latijnsche titels in 't algemeen voor populaire werken en keurt daarom even zeer E Voto als Magnalia Dei af.

Nu behoeven we 't pad van Prof. Bavinck niet schoon te vegen, en we zijn ook niet bang, dat 't thans verklapte geheim aan zijn uitnemend handboek afbreuk zal doen. Maar onze geachte broeder Wagenaar, wiens voorliefde voor het zuiver Cicero-

niaansche Latijn we zeer op prijs stellen, houde ons de opmerking ten goede, dat de

Vulgaat toch geen Roomsch Nieuw Testament is. Op gevaar af, dat onze Roomsche

censor, de heer Jsensdorp, ons opnieuw op

lijf valt, houden we staande, dat de

Vulgaat een oud Christelijke vertaling van

den Bijbel is, en dat Tertullianus, dien de Roomsche Kerk zelfs nooit als Kerkvader

wilde erkennen, evenmin „Roomsch" kan

genoemd worden als Augustinus, Ambrosius

of Hieronymus, die de Vulgaat vervaar¬

digde.

Aan deze kerkvaders danken we, gelijk

ook Dr. Wagenaar zeer goed weet, het

patristisch latijn, dat, al is het niet klassiek,

toen zetcer niet met het potjeslatijn, waar¬

van. hij spreekt, op één lijn is te stellen

A 1 1

/vis ueretormeeraen scnamen we ons zoo weinig om ook van dat Latijn kennis te

nemen, dat een klassiek man als Prof.

Wolfjer het zelfs aan onze studenten onder¬

wijst. Het is een schepping van de Katholiek-

Christelijke Kerk, waarop ook wij als erfgenamen ons nuttig recht laten gelden.

Wilden we van dit patristisch Latijn afstand

doen, dan kon heel onze Latijnsche theologische woordenschat wel worden geschrapt.

Zijn we overtuigd, dat onze geachte

broeder dit van harte met ons eens is, dan blijft alleen de vraag over, of 't gebruik van zulke Latijnsche titels, 't zij dan klassiek of patristisch Latijn, gewenscht is ? Over deze quaestie van smaak zullen we met onzen censor niet twisten. Alleen zouden

gaat over de vraag, wat deze be'de den beteekenen en welk onderscheid schen beide bestaat. Is Hades het a'geII5elet doodenrijk, waar alle menschen o3( ^ sterven heengaan, en Gehenna de hg!> heeft ook Hades in het Nieuwe Testaö1^ een slechte beteekenis en duidt het strafplaats der goddeloozen aan?

Nu zijn beide woorden niet doof schrijvers van het Nieuwe Testameet u gedacht, maar aan het spraakgebruik Joden ontleend. Eerst moet dus onderzot ^ welke beteekenis de Joden aan deze w°°B den hebben gehecht, om daarna nateg®3£ in welken zin ze in het Nieuwe Testa®6'.. worden gebruikt. Natuurlijk moet ^ A wel in het oog worden gehouden, dat ^ Heere Jezus en de discipelen geen ^T tet maar Arameesch hebben gesproken, woord Hades, dat Grieksch is, door b zeker niet gebruikt is; maar hierop koC' 1 we later terug.

Wat hc.t woord Gehenna betreft ?s, . onderzoek het gemakkelijkst, omdat h|e * over geen verschil van gevoelen best»8 ^ Gehenna is, gelijk we reeds vroeger merkten, afgeleid van een Hebreeu^c woord, dat oorspronkelijk Gê hinnom l en niet anders zeggen wil dan dal v Hinnom. Hoe dit dal van Hinnom beteekenis kwam van plaats der; pijn!ê'tjj voor de goddeloozen bestemd, is niet moeWfl na te gaan. Dit zoogenaamde dai v&\ Hinnom was een diep en nauw dal steile rotsachtige wanden, hier en daar ze' ^

loodrecht, dat zich zuidoostelijk van Jf: „

zalem uitstrekte tusschen den berg

>-

uit

en den berg des boozen raads, om dan

te monden ia het dal Josaphat.

Het was in dit dal, dat de eoddelo°z

koningen van Juda Achaz en Manasse d®

gruwelijken Molochdienst hadden geplet ' ze hadden er niet alleen een beeld v3 Moloch opgericht, maar ook Israels zoI,££ en dochteren als offer voor Moloch vuur verbrand. De plek, waar dit geschied11"' wordt sinds in de Schrift Tophet geneed | wat letterlijk beteekent uitspuwen, en die" om den afschuw uit te drukken, dien Isra . van die plaats had. Het dal van H gold van dien tijd af als een vervloekt da■> de vrome koning Josia »verontreinig , het en dit geschiedde, gelijk uitjer. 31 schijnt te blijken, doordat dit dal beste#" werd om de asch van het altaar en " lijken van misdadigers neer te werp£,' De aanblik van dit in de diepte ligge0'L dal, waar het vuur brandde en uit rottende lijken het gewormte uitkroop, _ wel een ontzaggelijken indruk op de ners van Jerusalem hebben eemaakt. j

daar dat de profeten telkens nn dat ^

i Hinnom of Tophet heenwijzen als

plaats, waar God gericht zal houden °v. Zijn vijanden. Zoo zegt Jesaja van Ass^ _ koning: „Want Tofeth is van gisteren ^c.

reid ja hij is ook vóór den koning bere'j

Mij neeit hem diep en wnd gemaakt, het vu1*

en hout van zijn brandstapel is veel; 0 adem des Heeren zal hem aansteken f®

een zwaveistroom" (Jes. 30 : 33). En " . oordeel Gods geldt niet alleen de vija»dej van Israël, maar ook het afvallige J^ zelf: „zij hebben gebouwd de hoogten Tofeth, dat in het dal des zoons van #' | nom is, om hunne zonen en dochteren vuur te verbranden: daarom zullen "t

dagen komen, spreekt de Hcere, dat " v niet meer zal genaamd worden Tofeth v°c,. dal des zoon van Hinnom, maar moord** en zij zulien ze in Tofeth begraven, oï11 jL

er geen plaats meer zijn zal; en de dof" lichamen dezes volks zullen het gevogel £ des hemels en het gedierte der aarde t°(( spijze zijn en niemand zal ze afschrikk^j?. (Jer. 7:31 33)* En zonder eenigen twfl. >

zinspeelt de profeet Jesaja ook op dit en al de afgrijselijkheid, die daar a3,„

schouwd werd. wanneer hii zefft: v3'

vlcesch zal komen om te aanbidden

mijn aangezicht, zegt de Heere, en zullen tevens uitgaan en zij zullen de d°°%

lichamen der lieden zien, die tegeo j overtreden hebben; want hun worm 2

niet sterven en hun vuur zal niet uir^i.

bluscht worden en zij zullen allen vle£ï

een afgrijzen zijn." (Jes. 66:24). . ue Zoo zien we in de Oud-Testament»'sc.

profetie, hoe dit „dal van Hinnom" % alleen een plaatse des gerichts wordt, vv3J,

God de macht van Assur verbreekt eo inwoners van Jerusalem straft om ^

zonden, maar ten slotte in Jesaja 66 «r.

bool wordf van nl ante oomirlCfi Pv .*

- uw* vvun's * .'7

ging voor alle goddeloozen bereid. In JsS.-J

..Ar

66 is toch niet meer sprake van een tijde <J.

gericht, maar van hetgeen geschiede» * in het laatst der dagen, als er. „een B*eü ^ hemel en een nieuwe aarde voor Gods*3

gezicht staan zal" (vs. 22). En als { volkeren, die zalig worden, dan i» nieuwe Jerusalem zullen ingaan om te 33 5 bidden, dan zullen ze. — evenals de in^o" rt

van het oude Jerusalem van den berg ^ in het dal van Hinnom de doode lich*0^ der overtreders zagen, verteerd door wormen en verbrand in het vuur. ■— 3 %m

schouwen de wrake Gods tecen al

[vijanden, „want hun worm zal niet stel" en hun vuur zal niet uitgebluscht w°T t,efl een beeld door Christus zelf overgen® om daarmede in ontzettende realiWJr te smarten der eeuwig verdoemden in de d' V der hel te teekenen. .. gJJ,

Het is daarom volkomen te beg dat in verband met deze profetieën "e" f(jl van Ilinnom of de Gehenna de naam ^j, voor de plaats der eeuwige pijniging' .\c\Het Oude Testament zelf gaf daar a»' ding toe. Was het dal van Hinnom 'jea profetie nog een symbool, voor de J

we willen vragen, indien dit nu eens niet te ondeugend is, of een schrijver, bij wien het Friesche bloed zoo sterk spreekt, dat hij boven een Hollandsch werk een Frieschen titel zette, 't zoo erg euvel kan duiden, als een professor een Latijnschen titel kiest?

Sluiten