Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het auteursrecht van den inhoud van dit blad wordt verzekerd overeenkomstig de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad N°. 124.)

Dit blad wordt geregeld des Vrijdags aan de geabonneerden verzonden. Bijdragen van medewerkers, ingezonden stukken en alles wat verder den inhoud van ait blad betreft, te adresseeren aan de EEBAOTÏE. Abonnementen en Advertentiën

de ADMM3TRATI&; Bureau: Wara-oesstraat 9S, te Amsterdam.

Uizendingen, die later dan Donaerdag 's namiddags te 12 uren worden ontvangen, Kunnen voor liet nummer van die week niet meer in aanmerking komen.

ku

Ban be gemeene

Derde reeks.

LXXIX.

Alles heeft eenen bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd. Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven.

Pred. 3 : 1 en 2a.

Vatten we het dusver gevondene saam, dan staat alzoo het geding waarin we pleiten in dezer voege. Er is om de zonde lijden op aarde. In dat lijden is, evenals "i de zonde, eenerzijds een persoonlijk deel, en anderzijds een gemeenschappelijk deel. Dat gemeenschappelijk deel van het lijden wordt in dier voege op de menschheid geworpen, dat het rechtvaardigen en °nrechtvaardigen door elkander treft. God 'aat zijn zon opgaan over boozen en goeden, en zij op wie de toren van Siloam v,e], waren geen grooter zondaars dan de anderen. Voor zoover nu dit gemeenschappelijk lijden den één wel en den ander niet treft, ontstaat de eisch: Draagt elkanders lasten. Geheel kan dit nooit. Als het lijden u persoonlijk treft, is er altoos in, dat geen ander met u of voor u dragen kan. Maar overigens is er wel mogelijkheid, en dus ook plicht, om mede te lijden, en in het lijden te deelen, hetzij door liefde die vertroost, hetzij door verzachting der wonde, hetzij door het wegnemen der geldelijke schade. Alleen nu voor dit laatste dient de Assurantie. Ze staat machteloos tegenover lijden dat rechtstreeksch gevolg is van persoonlijke zonde. Ze staat evenzoo machteloos tegenover het persoonlijk smartelijke dat ook van het gemeenschappelijk lijden onafscheidelijk is. En ze staat met name machteloos tegenover al wat in het lijden het hart raakt. De Assurantie is puur van stoffelijken aard. Haar eerste vraag is altoos: Is er geldelijke schadef Is die er niet, dan trekt ze zich terug. Dan laat ze zich met het lijden niet verder in. Blijkt daarentegen dat die geldelijke schade er ivel is, dan staat ze aanstonds gereed om haar goede diensten aan te bieden.

Werd dan, eer de Assurantie optrad, aan die geldelijke schade niets gedaan? Antwoord: Dat wel, maar op zeer gebrekkige manier. Er werd gegeven. Maar dat geven geschiedde zonder regel of orde. De een kreeg veel en te veel, de ander te weinig, een derde niets. En wel werd reeds in de Jeruzalemsche Christengemeente dat vergoeden van geldelijken nood en schade tot een gemeenschappelijke zaak voor allen gemaakt. Maar dit sleet uit. Zelfs nu zijn er milde gevers, die het veel streelender voor hun eigen ik vinden, zelf hun gaven aan wie in nood kwam uit te keeren, dan het aan Jezus te geven, opdat hij lieit door zijn diakenen uiikeere. De liefde in het geven is met allerlei zonde behept, en treft slechts in zeer geringe mate doel. Velen geven om te laten zien dat ze geven. Anderen geven als ze er tevens een danspartij of zaalkermis voor krijgen. Ook zijn er die geven om anderen afhankelijk van zich te maken. En altoos steekt er het kwaad in, dat de persoon die door het ongeluk getroffen werd, nog het pijnlijke ondergaat van door publieke weldadigheid

Dit nu leidt tot de vraag, of er niet een middel is uit te denken, waardoor wij, menschen, de geldelijke schade, die uit het gemeenschappelijke lijden voortvloeit, zóó onderling verdeelen, dat een ieder er naar zijn vermogen gelijkelijk in bijdraagt, zonder dat de- één er den ander voor behoeft dank te zeggen. En het is die vraag nu waarop het Assurantiewezen een bevestigend antwoord geeft. Het Assurantiewezen houdt zich nooit anders bezig dan met geldelijke schade ontstaan door gemeenschappelijk lijden. Het vergoedt die schade geheel. Het slaat de onkosten daarvan over over de massa. En het doet dit zoo, dat wie er profijt van trekt, niemand dan God er voor heeft te danken, en tegenover menschen een onbetwistbaar recht op schadeloosstelling kan doen gelden. In zooverre is dus het ideaal bereikt; en is het Assurantiewezen geheel passende op wat ons aangaande de zonde en het lijden, als gevolg van de zonde, in de Heilige Schrift geleerd wordt.

Waardoor werd nu het Assurantiewezen in staat gesteld, eerst zeer gebrekkig, maar sinds met steeds grooter juistheid, de gewenschte oplossing voor dit zoo moeilijk en ingewikkeld probleem te vinden ? Of ook, hoe komt het, dat de Assurantie eertijds geen macht in het leven kon worden, en sinds, zelfs in ongelooflijke mate, zulk een weldoende macht werd, en nog steeds meer zal worden? Antwoord: Alleen hierdoor, dat men niet op het deen Gods had gelet, althans niet met de vereischte nauwkeurigheid. Het Assurantiewezen kwam dan ook op uit een ontdekking, en die ontdekking was niet anders dan datgene wat Salomo reeds voor duizenden jaren in Pred. 3 : 1 v.v. geschreven had: „Alle ding heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd. Er is een tijd om geboren te worden, en er is een tijd om te sterven." Woorden waarin niets anders ligt uitgedrukt dan de kern der Gereformeerde belijdenis, dat geen ding ons bij toeval, maar dat alle ding ons van Gods Vaderhand toekomt. Toeval is er niet. Al wat gebeurt, gebeurt naar Gods bevel. Het staat vooruit vast. Er is niets dat in Gods raad niet bepaald is. En zoo we vooruit dien raad maar kenden, zouden we precies en nauwkeurig kunnen berekenen, hoeveel rampen, ongelukken en ongevallen er in zeker jaar zouden voorkomen. Precies zou zijn aan te geven, hoeveel geldelijke schade daarin te wachten stond. En precies ware uit te rekenen, hoeveel ieder daarvoor te betalen had, om de getroffenen schadeloos te stellen.

Stel er is in Gods raad bepaald, dat er in dit of dat jaar op heel de wereld zullen plaats grijpen honderdduizend branden, het cijfer doet er niet toe, en dat bij elk dier branden de schade door elkaar f 10,000 zal beloopen, dan is er in dat

geholpen te moeten worden. Iets waarin altijd zekere vernedering voor ons besef ligt, een vernedering die we zullen moeten dragen, als God ons die oplegt, maar die door menschen niet moet worden bevorderd. Het aannemen van gaven doet in den regel kwaad aan het karakter, en aan het in goeden zin fiere besef van vrijheid en zelfstandigheid. Gaven aannemen maakt altoos afhankelijk.

Dit nu leidt tot de vraag, of er niet een middel is uit te denken, waardoor wij, menschen, de geldelijke schade, die uit het gemeenschappelijke lijden voortvloeit, zóó onderling verdeelen, dat een ieder er naar zijn vermogen gelijkelijk in bijdraagt, zonder dat de- één er den ander voor behoeft dank te zeggen. En het is die vraag nu waarop het Assurantiewezen een bevestigend antwoord geeft. Het Assurantiewezen houdt zich nooit anders bezig dan met geldelijke schade ontstaan door gemeenschappelijk lijden. Plet vergoedt die schade geheel. Het slaat de onkosten daarvan over over de massa. En het doet dit zoo, dat wie er profijt van trekt, niemand dan 'God er voor heeft te danken, en tegenover menschen een onbetwistbaar recht op schadeloosstelling kan doen gelden. In zooverre is dus het ideaal bereikt; en is het Assurantiewezen geheel passende op wat ons aangaande de zonde en het lijden, als gevolg van de zonde, in de Heilige Schrift geleerd wordt.

Waardoor werd nu het Assurantiewezen in staat gesteld, eerst zeer gebrekkig, maar sinds met steeds grooter juistheid, de gewenschte oplossing voor dit zoo moeilijk en ingewikkeld probleem te vinden ? Of ook, hoe komt het, dat de Assurantie eertijds geen macht in het leven kon worden, en sinds, zelfs in ongelooflijke mate, zulk een weldoende machtwerd, en nog steeds meer zal worden? Antwoord: Alleen hierdoor, dat men niet op het deen Gods had gelet, althans niet met de vereischte nauwkeurigheid. Het Assurantiewezen kwam dan ook op uit een ontdekking, en die ontdekking was niet anders dan datgene wat Salomo reeds voor duizenden jaren in Pred. 3 : 1 v.v. geschreven had: „Alle ding heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd. Er is een tijd om geboren te worden, en er is een tijd om te sterven." Woorden waarin niets anders ligt uitgedrukt dan de kern der Gereformeerde belijdenis, dat geen ding ons bij toeval, maar dat alle ding ons van Gods Vaderhand toekomt. Toeval is er niet. Al wat gebeurt, gebeurt naar Gods bevel. Het staat vooruit vast. Er is niets dat in Gods raad niet bepaald is. En zoo we vooruit dien raad maar kenden, zouden we precies en nauwkeurig kunnen berekenen, hoeveel rampen, ongelukken en ongevallen er in zeker jaar zouden voorkomen. Precies zou zijn aan te geven, hoeveel geldelijke schade daarin te wachten stond. En precies ware uit te rekenen, hoeveel ieder daarvoor te betalen had, om de getroffenen schadeloos te stellen.

Stel er is in Gods raad bepaald, dat er in dit of dat jaar op heel de wereld zullen plaats grijpen honderdduizend branden, het cijfer doet er niet toe, en dat bij elk dier branden de schade door elkaar f 10,000 zal beloopen, dan is er in dat

jaar aan brandschade te lijden een gemeenschappelijke geldel'-ire schade van duizend millioen gulden. K ït' men nu, dat er ongeveer driehpnaei ■ "• .'.ioen gezinnen op de wereld leven, d . 'zou deze schade over allen omgeslagen, geen meerdere uitgave vorderen dan van een ƒ 3 per jaar en per gezin; en voorts zou elk man die door brand getroffen werd, recht hebben op een volle uitkeering van ƒ 10,000. Op het Pelagiaansche standpunt, dat alles bij geval geschiedt, en dat het alles afhangt van 's menschen vrijen wil, is zulk een berekening natuurlijk volstrekt onmogelijk. Het Pelagianisme sluit alle denkbeeld van Assurantie uit. Op Gereformeerd standpunt daarentegen, als men belijdt dat alles vooruit bepaald is, is de grondslag voor zulk een Assurantie gegeven, en staan we alleen nog maar voor de vraag: Ploe komen we te weten, hoeveel geldelijke schade in Gods raad, voor dat en dat jaar, ten laste van de gemeenschappelijke menschheid bepaald is, en die dus zeker komt ?

En hier nu stuiten we op het zeer ernstig bezwaar, dat Gods raad wel bepaald, maar ons verborgen is. En zeg nu niet te spoedig, dat dit te betreuren is, want dat anders de Assurantie vanzelf vlotten zou. Eer omgekeerd toch moet, helaas, erkend, dat bijaldien Gods raad niet verborgen ware, de Assurantie nooit zou zijn opgekomen. Zoo zondig toch en egoïstisch is ons menschelijk hart, dat bijaldien vooraf bekend ware, dat, naar Gods raad, in ons huis nooit brand zou uitbreken, verreweg de meeste menschen, die in dat geval verkeerden, zeer kalm zeggen zouden: „Dan betaal ik aan de Assurantie ook geen cent, want ik ben verzekerd in Gods raad. Ik sta er buiten. Mij zal en kan het niet treffen. En de anderen gaan mij niet aan. Ben ik mijns broeders hoeder ?" Echte Kaïnitisch. Neen, zouden we geholpen worden, dan moest iets heel anders gebeuren. Dan moest ons wel uit Gods raad geopenbaard worden, hoeveel ongelukken er in zekere perixle voorkomen, en welke schade deze ongelukken gemeenlijk zouden opleveren, maar zonder dat daarbij aan wien ook geopenbaard werd, ivien het ongeluk wel en wien het niet treffen sou. Als 'het zoo staat, dat we wel weten, naar Gods raad, zal de gemeenschappelijke geldelijke schade van alle ongelukken saam, zóó en zóóveel per jaar bedragen, maar zonder dat iemand er vooruit bij weet, of hij zelf al dan niet vrij zal loopen, dan is er een prikkel om te zeggen: Laat ook mij in de gemeene schade elk jaar iets bijdragen ; en dat wil ik zelfs getrouwelijk doen, mits gij mij verzekert, dat, treft mij het ongeluk, alsdan de geleden schade ook mij geheel vergoed zal worden. Juist dus het Assurantiewezen.

En in dat opzicht moet nu worden opgemerkt, dat God dit juist zóó beschikt heeft. God heeft drie dingen gedaan. Hij heeft vooreerst in zijn raad op vaste onveranderlijke wijze bepaald welk gemeenschappelijk lijden elk jaar, op allerlei manier, op de menschheid zou neerkomen, en ook wien dit treffen zou. Ten tweede heeft Plij verborgen gehouden, wie in zeker jaar door lijden en dus ook door schade zou beloopen worden. Maar ook ten derde heeft God wel geopenbaard, welk lijden, in welke mate, in hoeveel gevallen, elk jaar de gemeenschappelijke menschheid treffen zou, en welke geljdelijke schade dat elk jaar zou opleveren.

Aboaaeraentsprijs: franco aan huis, per drie maanden/ 1.20, voor het Buitenland per jaar ƒ 6 bij vooruitbetaling. Afzonderlijke nummers aan het Bureel 10 Cent Abonnementen worden aangenomen door alle Boekhandelaren, Postdirecteuren enz. en aan het Bureel te Amsterdam.

Adyertcaüën: van 1 tot 6 regels ƒ1.29, voor eiken regel meer 20 Cent Aanvragen en vermelding van liefdegaven en Verslagen van Vereen. 12 Ct.p. regel

Die laatste openbaring nu is een goedertie¬

renheid Gods. Het is een stuk van zijn gemeene gratie. Zonder die openbaring toch zou elke Assurantie ondenkbaar zijn. Door die openbaring is ze gegrepen en mogelijk geworden. En hieruit volgt, dat verachting van het.*'Assurantiewezen een verwaarloozing is van deze door God ons gegeven openbaring.

Vraagt men, waar dan die openbaring te vinden is? Natuurlijk niet in de Heilige Schrift. De Heilige Schrift openbaart ons wel, dat er zonde, dat er om de zonde lijden is, dat de zonde solidair werkt door erfzonde, en dat er daarom in het lijden ook een gemeenschappelijk lijden is. De Heilige Schrift openbaart ons evenzoo dat er een raad Gods is, en dat in dien raad Gods alle ding in ons leven vooruit bepaald is, zoo zelfs dat geen haar van ons hoofd kan vallen zonder Gods wil. Maar de Heilige Schrift geeft ons niet de toepassing in het leven. P^doch onze Gereformeerde belijdenis zegt dan ook nadrukkelijk, dat we God kennen uit twee middelen, niet alleen uit de Schriftuur, maar ook uit de Natuur. Gods onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld af uit de schepselen verstaan en doorzien. De vraag is dus maar, of een nauwkeurig letten op het creatuurlijk leven, gelijk dit op natuurlijke wijze onder menschen doorleefd wordt, al dan niet ons vooruit toont en openbaart, niet welke menschen getroffen zullen worden, maar koevele gevallen van het lijden zullen voorkomen, en hoe groot de geldelijke schade door die gevallen veroorzaakt, in een jaar zijn zal. En dit nu had de mensch reeds voor eeuwen kunnen te weten komen, want dit ligt metterdaad in het natuurlijk leven met de grootste duidelijkheid van Gods wege geopenbaard. Alleen maar de stompzinnigheid des menschen was oorzaak, dat het niet oezien, niet ortdekt, niet uit de natuur afgelezen werd, en vooral het Pelagiaansch ongeloof van het toeval, droeg er eeuw in eeuw uit toe bij, om deze stompzinnigheid nog te verergeren. Het stond in de natuur duidelijk door God geschreven. We hadden het er maar uit af te lezen. En toch las niemand het er in. Zienderoogen waren en bleven we blind.

Of er dan cijfers in de natuur staan? Ja, gewisselijk. Ten deele zelfs wist men dit vroeger ook wel. Neem b. v. het sterven en geboren worden, waarop Salomo wijst, dat het zijn bestemden tijd onder den hemel heeft. Op zichzelf ware het natuurlijk zeer wel denkbaar geweest, dat er in zeker dorp van 3000 inwoners het ééne tiental jaren eens niemand stierf, en dat er een jaar later de helft der inwoners wegstierven, of ook heel de bevolking. Toch nam men zeer goed waar, dat het zoo in Gods raad niet besteld is, maar dat er in het sterven zekere gelijkmatigheid plaats grijpt. De doodgraver weet zeer wel, dat, epidemieën nu daargelaten, het aantal personen dat sterft het ééne jaar aan het andere jaar tamelijk wel gelijk blijft. Zoo ook kon de ambtenaar van den burgerlijken stand zeer wel in zijn boek zien, dat het aantal geboorten evenzoo tamelijk constant is. In onze weeshuizen en oudemannenhuizen enz. merkte men evenzoo zeer wel op, dat er niet het ééne jaar plotseling tienmaal zooveel weezen kwamen

als een vorig jaar, en het daaropvolgend jaar geen één, maar dat over zeker aantal jaren genomen, het getal vrijwel gelijk bleef. Ook ontging het de aandacht niet, dat dit getal in een zeer groot weeshuis veel gelijkmatiger was, dan in een klein weeshuis op een dorp. Een dokter wist evenzoo, epidemieën weer daargelaten, dat zijn inkomen niet het ééne jaar overgroot was, en het volgende jaar op niets daalde, maar dat hij, het ééne jaar door het andere genomen , op een dorp vrijwel hetzelfde aantal patiënten had. Om kort te gaan, men wist ook vroeger zeer goed, dat niet alleen de geboorte maar ook de sterfte, en zoo ook allerlei ander ongeluk, niet nu eens op duizend staat en dan weer op nul daalt, maar dat er in alle deze dingen onder den hemel zekere gelijkmatigheid van jaar tot jaar valt waar te nemen. Algemeen leefde men dan ook onder dien indruk. Er mochten door epidemie^ door hongersnood, pestilentie of oorlog, nu en dan bijzondere toestanden intreden, maar in gewone tijden, en onder gewone omstandigheden, twijfelde niemand er aan, of het ééne jaar bleef grosso viodo aan het andere tamelijk wel gelijk. Ploe dit kwam, wist de ongeloovige wereld niet. Ze schreef dat alles toe aan het toeval. Wat is wisselvalliger dan de velerlei oorzaken van der menschen dood ? Een kou vatten, een in aanraking komen met besmetting, een slechte medicatie enz. Maar toch het toeval schikte het zoo, dat het alles nochtans, het ééne jaar door het an-

gerekend,

tamelijk wel overéén uit-

dere

kwam. Zoo ging alles op den gis af. Op zeer onbestemd gevoel. En wat verzuimd werd was: nauwkeurige waarneming en berekening.

Juist onze eeuw echter heeft met die sleur gebroken. De meerdere ontwikkeling der wetenschap brak in. beginsel met het Pelagianisme, en gaf het Calvinisme gelijk. Niet alsof men tot de belijdenis van Gods raad kwam. Neen, maar wel tot de erkentenis, dat er geen toeval heerscht, maar dat alles naar vaste wetten gaat. Voor de Gereformeerden een ongemeene aanwinste. Van die overtuiging nu uitgaande hebben de mannen dezer eeuw zich op het nauwkeurig waarnemen en opteekenen toegelegd. Men is gaan zeggen : Laat de overheid zeer nauwkeurige statistieken maken van al wat er in het menschelijk leven inderdaad voorvalt. Laat men opteekenen niet alleen wie, en hoe velen er sterven, maar ook op wat leeftijd, in wat maand en week ze sterven, aan wat ziekte ze omkomen enz. Laat worden opgeteekend, hoeveel epidemische kranken er maand bij maand in elke stad en in elk dorp zijn. Zet er bij aan welke ziekte ze lijden. Teeken evenzoo op, of de stervenden mannen of vrouwen zijn. Liefst ook in welk beroep, of ze gehuwd zijn of ongehuwd, weduwe of weduwnaar. Kortom teeken alle bijzonderheden op, die ge maar verzamelen kunt. Doe evenzoo met de geboorten, met echte en onechte geboorten, met de vrouwelijke en manlijke geboorten. Bereken zoo voor al die categorieën van menschen den gemiddelden levensduur. Maak staten van de misdaden, van diefstal en inbraak, van moord en zelfmoord. Leg lijsten aan van blinden en dooven, van krankzinnigen en idioten. Lijsten van gevallen van brand en schipbreuk, van hagel-

f>e 2enbing.

XX,

Aan de Goudkust zijn de Nederlanders de eersten geweest, die — zij het ook in zeer geringe mate — zich aan de Protestantsche zending onder de bewoners hunner bezittingen hebben gevoegd. Wij zeggen de Protestantsche zending, omdat vóór hen de Portugeezen er gearbeid hebben, om er de Roomsche leer te verbreiden. Op dezen waren echter de aanzienlijke sterkten, die zij hadden tusschen de Kaap der drie punten en de W'olta veroverd en in de 17e eeuw door de West-Indische Compagnie, die ook in Amerika hare bezittingen heeft gehad, bestuurt). Den eersten stoot tot de stichting dezer Compagnie heeft gegeven de om zijn geloof uit Antwerpen verdreven koopman Willem Usselinx. De bekende advokaat Oldenbarneveldt was echter met dit plan niet ingenomen, zoodat deze compagnie eerst in 1621 tol stand kwam. In het octrooi, dat zij van de Staten ontving bij hare oprichting, verkreeg zij den alleenhandel op Amerika en Afrika van den Kreeftskeerkring tot de Kaap de Goede Hoop. Het getal harer bewindhebbers bedroeg 74, die uit hun midden een uitvoerend bewind kozen van 19 leden, de Heeren XIX genoemd, ter onderscheiding van de Heeren XVII, die de Oost-Indische Compagnie representeerden. Uitdrukkelijk was ook nog in het octrooi der West-Indische Compagnie bepaald, dat zij zorgen moest voor de verspreiding des Christendoms onder de heidenen, nadat zij de geestelijke belangen harer schepelingen en der kolonisten had

behartigd. Behalve de predikanten aan boord der schepen van deze Compagnie was er ook een dienaar des Woords gevestigd op de voornaamste der Hollandsche sterkten, St. George d'Elmina, die in last had niet alleen om te zorgen voor de Europeesche Christenen aldaar en elders, maar ook om aan de negers de blijde boodschap des heils te brengen. Daar werden van dezen wel enkelen tot de Christelijke kerk gebracht, doch zij waren bijna zonder uitzondering degenen, die in dienst waren van Europeesche heeren, dus slaven. Met name noemen wij onder dezen zekeren Jacobus Elisa Johannes Capitein, die met den koopman Jacob van Goch naar Nederland kwam en van hem een goede opvoeding ontving. Later studeerde hij zelfs aan de hoogeschool te Leiden met zoo goed gevolg dat hij eindelijk promoveerde. Als Evangeliedienaar keerde hij naar Afrika terug. Welke vruchten zijn arbeid gedragen heeft, weten wij niet, want eerst voor deze eeuw heeft God weggelegd zegen op haren zendingsarbeid te zien. Behalve de Engelsche genootschappen werken er twee Duitsche op een deel der Goudkust namelijk het Bazelsche en het Bremensche. Het eerstgenoemde genootschap vestigde er in 1828 vier zendelingen, maar het ongezonde, doodelijke klimaat velde velen, die toen en later aangekomen waren, zoodat reeds in 1832 deze post zou zijn opgeheven, als niet de alleen overgebleven zendeling A. Riis zich vast voorgenomen had te blijven. In 1837 werd Riis echter toch naar Bazel teruggeroepen, maar hij vergat de Goudkust niet en het gelukte hem de opdracht van het Bestuur des Bazelschen genootschaps te krijgen, naar Jamaika te gaan en daar enkele christelijke negerfamiliën over te halen met hem naar de Goudkust te trekken. Hierin slaagde hij naar wensch en van 1850— 1874 mocht de zendingsarbeid goede vruchten dragen onder de Akra en Andangmestammen. Jammer dat de offers van het moordend klimaat onder de zendelingen groot bleef.

Van 1828 tot 1884 heeft het Bazelsche genootschap 148 mannen en 81 vrouwen uitgezonden, waarvan, na kort verblijf, 55 mannen en 24 vrouwen bezweken en 62 mannen en 36 vrouwen het land moesten verlaten. Het aantal Christenen op de Goudkust bedraagt nu ruim 7000, terwijl in vele scholen meer dan 2000 kinderen worden onderwezen.

Van de Wolta tot de Nigerdelta ligt de slavenkust, waarvan een deel, Togoland genoemd bearbeid wordt met het Evangelie door het Noordduitsche of Bremensche zendinggenootschap en dat niet zonder succes, 't Getal der Christenen neemt toe en dezen zijn den omwonenden heidenen tot een zegen. Dahome, dat een beruchten naam heeft in de geschiedenis der heidensche rijken om de wreedheden, die door zijne koningen plaats hadden, maar nu onder de macht van Frankrijk staat, hetwelk een eind gemaakt heeft aan die gruwelen, ontvangt het Evangelie van het Wesleyaansche zendinggenootschap sinds 1 855- °P het oostelijk deel van de Slavenkust meer binnenslands ligt der landstreek Joruba, dat een zeer droevig verleden heeft. Jaren lang is het ten prooi geweest van roof en plundering. Onophoudelijk werd strijd gevoerd tusschen de verschillende steden. Slavenjachten werden gehouden. Verwoesting en vernieling heerschten overal. Dit was het gevolg van het inroepen der hulp van de Mohammedaansche Fulaas door Illorin, een der hoofden, die zijn macht wilde uitbreiden. Omstreeks 1825 vonden echter eenige zwervelingen een toevluchtsoort tusschen groote granietblokken aan den oever van den Ogunrivier. Uit meer dan 130 plaatsen vestigden zich hier langzamerhand nog meer vluchtelingen. De kolonisten vormden kleine kringen, die op zichzelf bleven leven, totdat Schodeke, een der hoofden, al die groepen vereenigde tot een politieken bond, waarbij en de bijzondere en de algemeene belangen goed geregeld waren. Zoo verrees Abeokuta, dat omstreeks 1840

met het Evangelie bekend werd. De vooruitgang van het Christendom in deze stad gaf aanleiding tot een oproer, waarin de Christenen door de heidenen werden mishandeld en de kerken gesloten. Doch in 1849 zegevierde weer de gewetensvrijheid en toen werd de waarheid Gods in Abeokuta en zijne omstreken verbreid. Vooral de Wesleyanen en de Anglicaansche kerk hebben veel gedaan, om de heidenen weer bekend te maken met den weg der zaligheid.

In het Nigergebied dat nu volgt, werden de eerste zendingsposten in 1857 opgericht en dadelijk breidde zich het zendingswerk uit. Onder de arbeiders in deze streek moet een plaats ingeruimd worden voor Samuel Croswther, een van Afrika's zonen, die veel gearbeid heeft. Hij heette eigenlijk Adsjaï en was een neger uit Osjogoen. In 1810 geboren werd hij op twaalfjarigen leeftijd als slaaf verkocht en kwam, na vele harde meesters gediend te hebben, eindelijk op een slavenschip, dat door de Engelschen genomen werd. Hierdoor verkreeg hij zijne vrijheid, bezocht een der scholen van Siërra I.eone, werd gedoopt, later in Engeland opgevoed en eindelijk als eersteling der negers tot predikant geordend. De zending aan den Niger is grootendeels zijn werk. De eens zoo arme heidenknaap en slaaf werd in 1864 te Londen tot bisschop van de Anglicaansche k^rk gewijd en tot doctor in de theologie bevorderd. In 1880 bemerkte men echter, dat deze zendingsarbeid nog niet geheel aan de kleurlingen —herders en leeraars — kon overgelaten worden, daar zij niet voor hun taak berekend waren. Europeanen traden weer in den arbeid van Crow ther in en werken er thans onder de heidenen, zoowel als onder de Mohammedanen.

De Gaay Fortman.

Zondag 28 Maart 1899. N°. 1109.

Sluiten