Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te ,levert een gevaar op, en doet maar al ee/ heftigen strijd ontbranden, die meer de en ?e^eren verwart dan de liefde te wekken de harten te verlichten, oowel binnen als buiten de muren van Troje °5^t gezondigd.

in' S' W'e n^et r'e Gereformeerde beginselen als ci kent, dan niet als goed Christen te be

schouwen ?

v "tan 4eze vraag knoopt zich ergernis over Vg] ^tering aan de eene zijde, en lichtelijk on-

rdraagzaamheid aan de andere zijde vast. d verdraagzaamheid is in discrediet geraakt , °0r hare averechtsche verkondiging gedurende ailge jaren. Men heeft verdraagzaamheid ge!,redikt, onder voorwendsel, dat het er niet op ^inkwam wat men geloofde; want men wist lm»ers niets!

■^n zoo kwam men er toe om alles te verdra|en, behalve het Christelijk geloof, dat wist in *ien het geloofde.

Maar er is ook eene Christelijke verdraagzaamheid, die door Paulus in Gods Woord ons p0r^t geleerd, en die erkent, dat zij, die in Christus gelooven, niet allen hetzelfde licht omj^ent alle dingen hebben ontvangen, en dat het Christelijk leven met opgaat in het wettisch aan'■ernen en volgen van zekere stelsels en regelen, fr'aar in het leven uit genade, aan den in zich 2elf verlorene in Christus toegebracht.

Van eenstemmigheid aangaande de uitkommen der wetenschappelijke onderzoekingen, kan ''an ook de Christelijke broederschap nooit afhangen en deze strekt zich uit ver buiten onzen en§eren kring.

, Maar voor de wetenschappelijke studie, waarbij te doen is om formuleering der waarheid, ls een zuivere grondslag onmisbaar, en daarom sPoren wij terecht de Gereformeerde beginselen die in overeenstemming moeten zijn met de zuivere orthodoxie.

Wij sporen ze na, en hiermede raak ik een pünt aan, dat in onze dagen van groot bela«g is.

Art. 2 van onze Statuten eischt dit nasporen, 'naar acht het ten deele toch ook weer niet

®oodig.

Het erkent, dat voor het onderwijs in de i Godgeleerdheid die Gereformeerde beginselen gevonden zijn.

Dit artikel zegt: _ j

»De Vereeniging staat voor alle onderwijs, ^ ^t in hare scholen gegeven wordt, geheel en ^ ^tsluitend op den grondslag der Gereformeerde ^ beginselen, en erkent mitsdien als grondslag voor ^ ^,et onderwijs in de Godgeleerdheid de drie ^ . °rmulieren van Eenigheid, gelijk die in den ^ 1619 door de Nationale Synode van ^ Dordrecht voor de Nederlandsche Gerefor- ^ '"eerde Kerken zijn vastgesteld; een zoodanig jp^ag daaraan hechtende, als genoemde Synode. ^ ''jkens hare eigene handelwijze en hare act en, ^ de belijdenisschriften der Nederlandsche Gereformeerde Kerken heeft toegekend. c

Het is duidelijk. Dj aan God gebonden en yan God atgeleide wetenschap, 111 haar eigt. ^ ^ *r'ng souverein, heeft voor iedere faculteit de Gereformeerde beginselen na te sporen, maar f v°or de Godgeleerde faculteit ligt hare uit- q drukking gereed in de belijdenisschriften der = Gereformeerde Kerken. Het gezag, door de g Synode van 1619 daaraan toegekend, eerbie- ^ üigt onze Vereeniging. _

Onze Universiteit, bijna 21 jaren oud, ïsnog klein en verkeert ten aanzien zoowel van de Godgeleerde faculteit als van de andere faculteiten in moeilijkheid. . c

Ten aanzien van de Godgeleerde faculteit, Vv'ant de vrees is geopperd, dat de waarborg °ntbreekt, dat zij zich voor de toekomst aan 'le leer der Gereformeerde kerken zal houden. ^ Op waarborgen voor de toekomst moeten wij ^ nooit verhoovaardigen. Zij het ook in au- . 'teren zin bedoeld, er ligt waarheid m het ^ ^oord van Victor Hugo : „1'avenir est a Dieu. ^ . '°o de toekomst in handen van ons menschen 'lgt, verspelen wij haar. Slechts van Gods trouw innen wij haar verwachten.

De verkondiging der waarheid houdt op, als ^ Gods Geest ons begeeft.

Hit geldt voor onze Universiteit, maar dit Seldt ook voor de Kerk. j

. Overigens is het steeds een moeilijk vraagstuk, 'n hoeverre op den grondslag van het onderwijs ^ teezicht zij uit te oefenen. j

Maar is de stelling juist, die niet lang ge- ' Jeden is geopperd, dat naar ons Statuut de ° belijdenisschriften aan de Gereformeerde begin®eten kunnen worden getoetst, en: want anders ^ j?eteekent de stelling niets, in naam der gere ^ termeerde beginselen kunnen worden op zijde ëezet ? Buiten medewerking der Kerk natuurlijk. ^ Ik zou zeggen : ja, zoo dit in de meening ^ ''er Synode van 1619 lag; neen, zoo de Synode ^ an 1619 het anders heeft geoordeeld. j

En zoo de Synode aan de Belijdenisschriften ^ j-'en bindend gezag toekent, zoolang zij niet angs kerkelijken weg worden gezuiverd, dan & ^'il het mij toeschijnen, dat in art. 2 van ons ^ Statuut voor de kerken niets bedenkelijks ligt. 1

Meer gezag aan die Belijdenisschriften toe e kennen dan de Synode zelve deed, kan 0 °nze Vereeniging toch niet.

Eene beoordeeling van die Belijdenisschriften °P wetenschappelijken grond, buiten de kerken 11 0tï>, is in abstracta alleszins denkbaar. Geen stetuut roept die mogelijkheid in het leven, ^ r'Och kan haar wegnemen.

De Belijdenisschriften zijn uitvoerig, en be beffen niet alleen de verhouding van God tot 'Jen mensch, het wezen van den mensch, en x' ^en aard en de algenoegzaam'neid der Open- S' "aring Gods, maar begeven zich ook op het 11 |ebied van de taak der Overheid. De vraag

an gedaan worden, in hoever zij daarbij te 0 yer gaan, al moet toegegeven worden, dat de ? *erk het recht en de roeping heeft hare eigen Jj stelling tegenover de Overheid af te bakenen, ^ ook de verhouding harer lidmaten tot de " ^verheid aan te geven. jj

Doch ook ten aanzien van dit punt onderwerpt zich ons Statuut aan de Belijdenisschriften, g( ^°or zoover de Synode van ió 19 daaraan gezag °ekent. Z ..De Kerk kan, dunkt mij, daarmede voldaan s1 ZlJn, en wij mogen ons herinneren dat voor het o °verige onze Universiteit blijkens Dr. Kuyper's d ,ede in 1880, die als hare stichtingsoirkonde v an beschouwd worden, de souvereiniteit in j'Sen kring niet slechts tegenover den Staat, d naar ook tegenover de Kerk huldigt. t( ^..Dat onze Universiteit nog klein is, gevoelen n meer ten aanzien van de andere faculteiten, n 1 s*n ten aanzien van de faculteit de Godge- z<

erdheid. v

u ,'n ten aanzien van die andere faculteiten,

r'JJgt de kleinheid langzamerhand bijna het ka- n

ter van een ernstig bezwaar. n

Dit zeg ik niet zonder ootmoedigen dank v

11 den Heere onzen God, voor hetgeen Hij d

^i® geschonken heeft in al de hoogleeraren, die v

J het voorrecht hebben te bezitten. Allen zijn het h annen, die op het wetenschappelijk erf door

d vriend en vijand worden geëerd, en wier pei e soonlijke waarde de vrees beschaamt, als zou di n stichting onzer Universiteit een vermetel pogei zijn geweest.

e Maar de Gereformeerde beginselen lagen be halve voor de theologische faculteit niet gereed is Zij moesten worden opgespoord. Hier moet die] ;■ gegraven worden. Het is een zwaar werk.

Is hierbij wellicht te angstvallig te werk ge ;r gaan? Liggen al de wortelen goed, de boon 1- is nog niet hoog opgeschoten, en zijn blader

kroon strekt zich nog niet ver uit. :t Ik beoordeel dit niet. Die tot u spreek; e is geen beoefenaar der wetenschap; hij moe in het praktische leven zijn weg vinden, he p geloof te allen tijde trachtende vast te houden al: ;t den draad van Ariadne, die den weg uit den dool

hof moet wijzen.

1- 'Maar hij is curator, een der verzorgers dei n Universiteit, en die verzorgt kan de zorg nie altijd weren.

Zoo hij daarvan geen getuigenis aflegde, he 's zou de gedachte kunnen wekken, dat de cura n toren hierop het oog niet gevestigd hielden.

En dan zouden zij hunne roeping niet verstaan t Onze Hoogeschool bedoelt te zijn eene Uni

versiteit, en dit kenschetst hare roeping. , Over de strekking van dit woord heeft we! 1 verschil van gevoelen bestaan.

Het woord Universitas duidt een geheel .. aan. dat veel, eigenlijk alles omvat. Maar wal 1 omvat het? Sommigen hebben gemeend: het . omvat de leeraren en de leerlingen; het is eene - Universitas docentium ct discentium.

Het is eene onweerspreekbare waarheid, maai j het zegt niets: Iedere school omvat de onderwijzers en de kinderen.

:j En het kan voor ons, en naar ons bedoelen, i nooit de strekking van het woord zijn. Wij , zien in de Vrije Universiteit de Universitas, scientiarum. Zij omvat de wetenschappen en moet ze vertoonen als één geheel.

1 Om dat te kunnen doen, heeft zij de souvereiniteit in eigen kring opgeëischt; moet zij onafhankelijk zijn van Staatsgezag en van > Kerkelijk gezag, voor zoover dit laatste niet t binnen zijne natuurlijke grenzen zijne rechten kunne doen gelden; daarom moet zij onmid; dellijk licht kunnen ontvangen van de Godde1 lijke openbaring.

Met het oog hierop heeft zij met één slag de dwaling vernietigd, als zoude de Godgeleerde faculteit losgemaakt moeten worden van de ' universitaire studie, en heeft zij met de kennis ' van God voorop, en deze in het middelpunt stellend, den stouten greep gewaagd, om de andere faculteiten daaromheen, als in een cyclus, een kring, te groepeeren, om in de wetenschap 1 die eenheid te vertoonen, die voor ons zondige menschen in deze bedeeling, bij onze kennis ten ^ deele, beschikbaar is.

Dat is ons ideaal. Het is niet losgelaten; het is niet verzaakt; maar het is nog niet bereikt.

Welnu, laat ons gebed zijn tot God, die ons onze tekortkomingen en overtredingen vergeeft en niet laat varen de werken zijner handen, dat het bereikt moge worden.

En gij, die hier zijt saamgekomen, die met de zwakke krachten van ééne naar den mensch gesproken geringe groep uit een klein volk, u daartoe hebt aangegord, en dezen arbeid steunt, gaat voort dien te steunen, in volharding en geduld, in toewijding en liefde, opdat onze God zich moge laten verbidden tot nog rijkeren zegen, dan Hij tot hiertoe geschonken heeft.

Hij zij ook heden in ons midden en wijze ons de rechte wegen.

Na deze rede van Mr. Heemskerk, die warm werd toegejuicht, deelde de Voorzitter mede dat was ingekomen een telegram van Prof. Dr. J. Woltjer, houdende bericht dat hij, om zijn omvangrijke werkzaamheden, de jaarvergadering niet kon bijwonen.

Na de voorlezing der presentielijst werd het Jaarverslag zonder discussie vastgesteld, en goedgekeurd het rapport der commissie tot onder zoek van de rekening over 1900-.

Daarop kwamen de benoemingen aan de orde.

Bij deze benoemingen wenschte Prof. Mr. D. P. D. Fabius een enkele opmerking te maken, die naar sprekers ineening het beginsel onzer Vereeniging geldt. Zijns inziens kunnen tot Bestuurders der Vereeniging niet warden voorgedragen of benoemd mannen, die hun zonen laten studeeren aan een openbare Universiteit, tenminste wanneer het faculteiten geldt, die ook aan de Vrije Universiteit bestaan. Directeuren der Vereeniging toch zijn het vleeschgeworden beginsel; van hen allereerst wordt verwacht, dat zij zullen vooraanstaan, ook in de practijk. Dat spreker deze opmerking maakt is niet om af te stooten, maar juist omgekeerd. Wie in de practijk onze Universiteit los laat is uitermate onbarmhartig jegens haar, en jegens geheel onzen kring. Zoetjes aan zou bijv. ook de gewoonte gaan heerschen tot de onzen te rekenen, die wel aan een openbare maar niet aan de Vrije Universiteit promoveerden, alleen omdat men aan deze laatste óók de collegie's volgde.

De Voorzitter is van oordeel, dat Prof. Fabius niet geheel in de orde is.

Prof. Fabius herneemt, dat men bij het doen van voordrachten tot bestuursleden den eisch moet stellen, dat daaronder niet zijn mannen wier zonen studeeren aan een openbare Universiteit.

Prof. Dr. A. Kuyper meent, dat de opmerking van zijn geachten ambtgenoot van het uiterste gewicht is. Wie een beginsel bepleit moet dit in al zijn levensuitingen en handelingen door het voorbeeld prediken. En zoo onze mannen onze Universiteit voorbijgaan en voor hun zonen eene kiezen, waartegenover wij zijn opgetreden, is dat zekerlijk een bedenkelijke inconsequentie. Te bedenkelijker, omdat men dan niet te doen heeft met kleine luiden, maar met mannen van naam en positie, wier voorbeeld zooveel invloed heeft.

Doch spreker meent dat het vraagstuk misschien op gelukkige wijze aan de orde kon worden gesteld, öf als afzonderlijk voorstel, of wanneer op de voordracht geen andere namen stonden dan van broeders, die hun zonen tot ons zenden. In een broederlijk samenzijn als dit dient zoo mogelijk al wat pijnlijk is vermeden.

Spreker zelf heeft ook zonen, en één van dezen promoveerde niet aan de Vrije Universiteit. Dat hij promoveerde in een faculteit, die niet aan de Vrije-Universiteit bestond, doet niets ter zake, want voor spreker stond de zaak zóó: liever niet studeeren, dan de Vrije Universiteit voorbijgaan.

Doch hierbij dient in het oog gehouden, dat men zijn kinderen niet mag maken tot marionetten; zij hebben ten deele ook hun eigen verantwoordelijkheid te dragen. Omstandigheden, van onzen wil onafhankelijk, kunnen toch veroorzaken, dat de bede van ons hart onverhoord blijft.

Dit onderwerp — zoo stelt Spreker voor — i

- worde later afzonderlijk op de agenda voor d ; jaarvergadering gebracht. Dan kan tevens onde 1 de oogen worden gezien de vraag, wat de Uni

versiteit zelve doen kan om haar faculteiten zo<

- aantrekkelijk te maken, dat de studenten zelvei . begeeren er onderwijs te ontvangen. Onze facul ) teiten moeten uitgroeien, onze Universiteit toe

nemen in kracht.

Prof. Fabius meent het onderwerp gehee 1 objectiet te hebben ingeleid; hij was vrij vai

- alle persoonlijkheid.

De heer G. H. A . Grosheide merkt op, dat mei : nu toch aan personen denkt, en wenschtdatnamei t genoemd worden, indien die te noemen zijn. t De Voorzitter meent deze discussie niet ti ; kunnen toelaten; het voorstel van Prof. Kuype

- om deze zaak later te behandelen, is een motii van orde, en deze heeft de prioriteit.

De heer Grosheide verzekert, dat hij juis : tegen die motie is.

Prof. Fabius zegt, dat hij niet heeft bedoelt

- een der directeuren pijn aan te doen; zij allei

- gaan in dezen vrij uit; waarop de heer Gros heide constateert dat de heeren Wentinck ei

. De Waal Malefijt in dezen dus eeen verwijt kaï treffen.

De motie van Dr. Kuyper wordt nu aange nomen.

Een commissie voor de stemopneming word nu benoemd; en inmiddels wordt het woorc gegeven aan Prof. Dr. F. L. Rutgers, ter in leiding van het volgende vraagpunt:

Mag geoordeeld worden, dat thans de tiji gekomen is, om het Gereformeerd karakter vai dc Vrije Universiteit door nauwer verband me de Gereformeerde Kerken nog vaster te waar borgen ?

Prof. Rutgers begint met op te merken, da Jiet zijn bedoeling is de bespreking van di vraagpunt in te leiden, maar dan kóó, dat doo deze gedachtenwisseling het nemen van eet besluit wordt voorbereid.

In de gegeven vraag ligt vierderlei veron derstelling opgesloten. De eerste veronderstel lmg is, dat de Vrije Universiteit een Gerefor meerf karakter heeft. Trouwens, dit blijkt a dadelijk uit art. 2 van de Statuten, waarin da Gereformeerd karakter omschreven is, zóó dui dehjk, zóó ondubbelzinnig en zóó veelomvattend als in korte bewoordingen mogelijk was"- nl aldus: '

De Vereeniging staat voor alle onderwijs, da in hare scho.en gegeven wordt, geheel en uitslui tend op den grondslag der Gereformeerd, beginselen en erkent mitsdien als grondslao- ™ het onderwijs in de Godgeleerdheid de& dr°< !• ormulieren van eenigheid, gelijk die in de jare 1619 door de Nationale Synode van Dordrech voor de Nederlandsche Gereformeerde kerl-£ zyn vastgesteïd; een zoodanig gezag hechtende als genoemde Synode, blijkens har eigen handelwijze en hare acten, aan de beliide nisschriften der Nederlandsche GereforiW^

kerken heeft toegekend. ietormeerd(

Wel is voor eenige jaren hiertegen bezwaai ingebracht; meest door misverstand van hT» woordje „mitsdien", alsof daarin eenige bet er kmg of een zeker voorbehoud gelegen wa* tZ lij k di. thans het geval b met hit alf „fc gebruikte woordje_ „mits"), terwijl het toch natuurlijk bedoeld is in den zin, dien het ahZ heeft en had, nl. „daardoor, daarmede alzoo" hetgeen alle beperking of voorbehoud juist uit simt. Maar over dat geheele bezwaar zal tham wel met meer behoeven gehandeld te worden daar dit pas twee jaar geleden op de iaarver gadermg te Middelburg geschied is, en het toen gehouden betoog met bestreden is, noch op ck vergadering, noch daarna. 1

De tweede onderstelling, in bovenstaande vraag gelegen is; deze: dat het Gereformeerd karakter van de Vnje Universiteit ook gewaar borgd is; natuurlijk voor zooveel wettelLe bepalingen een waarborg kunnen geven. Die waar-

£girsrn'eem§szins -ds

da^op v™ va™ bestuf^"^ W°rden< een tiende gedeelte van de l,den derVereèniging en met goedkeuring zoowel van het bestuur alt van de bij de oproeping met zoodanig voorstel bekend gemaakte Alge.neene Vergadering. In Us

hebbennopgarZt iS ZTT% dekking

slagen uitmaken, 'waarop schenkiïget ÏSÜ!

^sraard worden> - A

En vooral ook in Art. 8, dat dezen eisch stelt:

Niemand kan als directeur of curator optreden dan na onderteekening der verklaring, dat hH voor zich zeiven persoonlijk het in art aange geven standpunt aanvaardt, en bij al zifne handelingen als directeur of Arator, en met name by de benoeming van hoogleeraren in de eerste

beglnse'l beoogen ^alf ^ h«

Terwijl voorts ook alle hoogleeraren zich door onderteekening moeten verplichten tot handhaving en naleving van het in Art. 2 bepaalde De derde veronderstelling in bovenstaande vraag is, dat die waarborg voor het Gereformeerd karakter van de Vrije Universiteit nog eemgszms versterkt is, doordat de Theolo gische faculteit met de Gereformeerde kerken m verband is gebracht. Op zulk een verband is men onzerzijds van den aanvang af bedacht geweest, gelijk bij de stichting, en ook later, herhaaldelijk en op allerlei wijze is uitgesproken. Het was echter nog niet mogelijk, althans niet met het gewenschte doel, vóór 1887, wegens den toestand, waarin toen de Gereformeerde kerken hier te lande verkeerden. Maar daarna is het spoedig gezocht. In 1889 maakte het zelfs een hoofdpunt van bespreking uit op de jaarvergadering en meeting. En toen is een voorloopig verband tot stand gekomen op de eerstvolgende Synode derNederl. Geref. kerken in 1891, en gecontinueerd in 1892 op de Generale Synode der vereenigde Gereformeerde kerken. De overeenkomst, waarbij dat verband is geregeld, is dit jaar in het jaarverslag nog eens overgedrukt, en behoeft dus nu niet meer herinnerd te worden. Hare hoofdzaak is wel, dat de benoeming van hoogleeraren in de Godgeleerdheid aan de goedkeuring der Gereformeerde kerken onderworpen wordt, en niet, of althans zeer bezwaarlijk, geschieden kan, wanneer deze uit kerkelijk oogpunt tegen den persoon bezwaar hebben, en dat op het onderwijs in de Godgeleerdheid vanwege deze kerken zeker toezicht wordt gehouden.

Eindelijk is de vierde veronderstelling, waarvan de vraag uitgaat, deze: dat de bedoelde waarborg nog kan worden versterkt, door een nauwer band met de Gereformeerde kerken. Immers, het bestaande verband raakt niet de geheele Universiteit, maar alleen de Faculteit der Godgeleerdheid. En voorts is bij die Faculteit zeer goed mogelijk, dat het médezeggensschap van de kerken nog wordt uitgebreid,

s zoowel in zake benoeming enz. van hoogleerarer r als met betrekking tot het toezicht op hu:

- onderwijs.

) Hierbij moet nu echter in het oog worde: 1 gehouden, dat er geen sprake kan wezen vai

- het opofferen van de Souvereiniteit in eigei

- kring.

Bracht men de Universiteit geheel onde 1 kerkelijk gezag dan zou zij haar universitai 1 karakter daardoor in beginsel hebben prijs ge gegeven. En voorts zou de Vrije Universitei 1 den waarborg voor haar Gereformeerd karakte: 1 daardoor niet versterken, maar j uist integendee verzwakken. Sterker wordt die waarborg, wan ; neer bij de eigene waakzaamheid ook nog dit r der kerken komt helpen. Maar eene stichting ï die geheel en uitsluitend in de macht der ker ken is, staat en valt ook, wat de zuiverheic t van beginselen aangaat, met de zuiverheid var die kerken zelve. En nu zal wel ook niemand l zeggen, dat er in de kerken toch altijd wel eer i afdoende waarborg is. Ja, Christus' kerk in hel

- algemeen heeft te dien aanzien onfeilbare be1 loften; maar niet eenig kerkelijk instituut ir 1 het bijzonder. De geschiedenis heeft waarlijk

wel getoond, al de eeuwen door, en ook ni ■ nog, hoe geïnstitueerde kerken, ook Gerefor meerde, kunnen afwijken. En zooals het dar

- met de kerken gaat, gaat het ook met de vai 1 haar afhankelijke stichtingen.

Nu is het zeker waar dat ook een Universi teit kan afwijken; dat is vroeger, en ook nt nog, zeker niet minder dan met kerken het ge 1 val geweest. Dpch mogelijk is het óók, dal 1 waar de kerken afwijken, de van haar onai £ hankelijke Universiteit in het rechte spoor is en zelfs een middel in Gods hand wordt or de kerken op den rechten weg terug te brenger Duidelijk is dit o. a. gebleken in den aanvan 1 van de 16e eeuw. toen alle kerken en kerkelijk : leerscholen geheel waren afgeweken, maar aa: r sommige universiteiten een betere geest wa: 1 vooral te Wittenberg; en juist vandaar is toe de reformatie der kerken begonnen. Indien d school te Wittenberg eene kerkelijke school wa geweest, jl.uther zou er zeker niet benoem . zijn, en althans wel onschadelijk zijn gemaak voordat hij zijn stellingen kon doen aanplakkei c Voor de Vrije Universiteit zoeken we du den bedoelden waarborg niet uitsluitend i ' kerkelijk toezicht. Zij heeft -dien waarborg i • haar eigen Statuut en inrichting. Maar di waarborg is versterkt door verband met d Geref. kerken; en dat verband is voor ui t breiding vatbaar.

; Op zulk een nauwer verband is dan ook i

- de laatste tien jaren de aandacht voortduren : gevestigd gebleven. In dien tijd echter heei 1 de Vrije Universiteit daarvoor niets kunne

- doen; want in onze Gereformeerde kerke 1 zelve was een voortdurende actie om tot eer | heid van opleiding te komen, en daarop moet

de Universitett harerzijds niet ingrijpen, doe . te komen met eigen voorstellen, om voor ziet zelve het verband nader te regelen. Er wa in die jaren quaestie, niet tusschen de kerke: . en de Universiteit, maar tusschen de kerke: onderling, van welke een gedeelte de opleidin van predikanten universitair wenschte, en ee: ander gedeelte partij koos voor de kerkelijk theologische school. En dus lag het op den we der Universiteit, om af te wachten, wat er ui die actie in de kerken zelve zou voortkomen Intusschen dit duurt nu reeds 9 jaren; ei nog altijd zijn de kerken op dit punt gedeeld terwijl in deze materie geene oversternminj door eene kleine meerderheid mag plaats heb ben. Zeker blijft altijd mogelijk, dat de kerkei tot genoegzame eenparigheid van inzicht komen Maar het schijnt toch niet raadzaam daaro] nog langer te wachten. Te minder, omdat 00] in de laatste Synodale vergadering der kerkei is uitgesproken, dat nadere regeling van he hier bedoelde verband werd wenschelijk geacht Indien dan om die redenen de gestelde vraa: bevestigend te beantwoorden is, moet nu aai het gezegde nog met een enkel woord wordei toegevoegd, hoe het bedoelde nauwer verbant zou kunnen tot stand komen.

Vooreerst zou kunnen bepaald worden (ei dan liefst in de Statuten, om de zaak zoo vee mogelijk vast te leggen), dat de Directeuren de Curatoren, en de Professoren (hetzij alle, o althans die in de Godgeleerdheid) lid moetei zijn van eene der in 1892 vereenigde Gerefor meerde kerken. Feitelijk is dit nu reeds he geval; en iets anders is bij Gereformeerden, di< doordenken en die in alle opzichten ook vol gens hunne beginselen willen leven, eigenlij]niet goed bestaanbaar. Maar het is toch goed zulks ook uitdrukkelijk te bepalen; en dan liefs in de Statuten, om de zaak zooveel mogelijl vast te leggen.

Voorts kan desgelijks bepaald worden, da: minstens twee der Curatoren predikant moeter zijn bij eene van die kerken. Iets dat feitelijl ook thans reeds het geval is.

En ook kan nog besloten worden, aan de kerken voor te stellen, de bestaande overeenkomst, regelende het verband tusschen de Theol. Faculteit en de kerken te herzien, en daarin zulke wijziging aan te brengen, dat zoo lang de overeenkomst niet van een der beide zijden is opgezegd, aan de kerken nog meer zeggenschap wordt gegeven in zake de benoeming, de instructie, de eventueele schorsing en het eventueel ontslag van hoogleeraren in de Godgeleerdheid, en inzake het toezicht op hun onderwijs; vooral opdat ten aanzien van de zuiverheid in de leer het beslissend oordeel aan de kerken worde toegekend.

Natuurlijk zou aan het genoemde nog veel zijn toe te voegen, indien de kerken harerzijds de Theologische Faculteit ook als kerkelijk opleidingsinstituut wilden laten dienen. Dan zou eene regeling kunnen ter sprake komen, waardoor de kerken bij een eventueel conflict toch weêr aanstonds een eigene inrichting hadden. En ook buitendien zouden de kerken dan hare wenschen en voorstellen kunnen hebben, in zake benoeming enz. van hoogleeraren, in zake inrichting van hun onderwijs, in zake onderteekening van een kerkelijk formulier (die ons altijd minder binden zou, dan de onderteekening van art. 2 der Statuten, maar toch door de kerken zou kunnen gewenscht worden), en andere punten meer. Maar zóó ver zijn wij op dit oogenblik zeker nog niet. En eigenlijk valt al het laatstgenoemde reeds buiten het punt, dat nu aan de orde is gesteld.

Hiermede is spreker aan het eind van zijn toelichting gekomen.

Teneinde echter te geraken tot een practisch resultaat der discussie, doet spreker het volgend voorstel:

De Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag verklaart, dat zij voor de Vrije Universiteit een nauwer verband, dan het thans bestaande, met de Gereformeerde kerken in Nederland wenschelijk acht. En daarom geeft zij aan heeren Directeuren de opdracht, eene Commissie te benoemen van 3 of 5 leden, om voor zulk een nauwer verband de noodige concept-voorstellen te formuleeren, en die uiterlijk

1, in Februari e.k. aan alle leden toe te zenden ; 1 waarop dan uiterlijk in Maart of April e.k. te Amsterdam eene buitengewone vergadering der , Vereeniging zal gehouden worden, die bij uitzondering alleen voor de leden zal toeganke • 1 lijk zijn.

r De toelichting van Prof. Rutgers wordt met r toejuiching begroet.

De Voorzitter doet nu mededeeling van eenige t ingekomen stukken en maakt den uitslag der . verkiezingen bekend. Herkozen is tot Bestuurs[ lid de heer E. G. Wentink met 68 stemmen;

op den heer H. W. Van Marle waren 5 stem, men uitgebracht. Tot tweeden plaatsvervanger van Bestuursleden werd herkozen de heer J. H. de Waal Malefijt met 71 stemmen; op den heer H. Dane werden 5 stemmen uitgebracht.

Tot leden van de commissie tot onderzoek der rekening over 1901 zijn benoemd de heeren H. Dane, H. Seret, en J. Krap; tot plaatsveri vangers de heeren W. F. H. de Jonge en W.

H. van Schaick.

, Thans wordt de discussie over het voorstel . van Prof. Rutgers geopend.

Prof. Dr. A. Kuyper wijst op een formeele quaestie, die in het voorstel schuilt. Het voor{ stel toch wil dat alleen de leden tot bedoelde 1 vergadering zullen worden opgeroepen, doch art. 6 van ons Reglement zegt, dat bij al/e vergaderingen toehoorders zullen toegelaten j worden. Alleen wanneer openbaarheid onraadzaam wordt geacht kan de vergadering tijdelijk . in een beslotene overgaan.

Misschien wil de Voorzitter, die jurist is, i, deze formeele moeilijkheid wel helpen overa winnen.

.. Prof. Rutgers zegt met opzet alleen vaji een t vergadering van leden te hebben gesproken, e niet alleen omdat de behandeling van Statutaire :i en andere bepalingen veelszins droog en dus niet zeer aantrekkelijk is, maar vooral ook wijl n men zulke dingen beter in klein comité dan in e een groote vergadering behandelen kan. s Mr. Heemskerk meent als jurist dezen theod logen geen hulp verschuldigd te zijn; zij zullen t( de zaak wel uitmaken. Het komt hem voor, 1. dat deze quaestie beslecht moet worden op de s vergadering, die deze zaak behandelen zal. n Prof. Kuyper stelt voor het slot van het n voorstel te doen luiden: „het daarbij aan de e prudentie van het Bestuur overlatende, of tot e die vergadering alleen de leden zullen worden toegelaten."

Dr. Hania is van oordeel, dat bedoelde vergadering niet in Februari of Maart moet ^ worden gehouden, maar veel vroeger. Van kerkelijke zijde toch is ook een rapport over deze quaestie te wachten dat op 1 Januari e k. zal worden ingediend. Zou het dus niet goed zijn vooraf het advies der Vereeniging gereed 1 te hebben; misschien ware dan wel één rapport

te verkrijgen.

1 Prof. Rutgers meent dat dit niet gaan zal. Het door Dr. Hania bedoelde rapport zal zeker reeds lang vóór Januari, misschien reeds in September zijn vastgesteld, en vóór September kan de in zijn voorstel bedoelde commissie niet 3 vergaderen, en dan moet zij nog pas aan haar 1 arbeid beginnen.

~r Dr. Honig uit Zeist spreekt zijn blijdschap = uit over het gehoorde en over deze jaarvergadering, die ons samenbrengt na een politieke overwinning, die tot ootmoedigen dank stemt. Men gevoelt zich gedrongen God den Heere 'r te loven en te prijzen van wege de groote 3 dingen, die Hij aan ons land en volk heeft gedaan; en nu wij den leider der Antirevolutio1 naire partij in ons midden hebben is het onmogelijk te zwijgen over zooveel gunst, die aan 1 ons is bewezen. (Toejuiching). Maar ook het voorstel-Rutgers verheugt ons aller hart. Dat | is geschikt om de sympathie van alle Gereformeerden in den lande voor onze Vrije Univer• siteit op te wekken. God zegene haar en allen ' die aan deze kostelijke stichting arbeiden. 1 Toen onze staatkundige partij in 1891 was ge| slagen, zei Dr. Kuyper, dat we den moed niet zouden verliezen, want we hadden de Vrije Universiteit nog. Zij zou vruchten afwerpen, 1 ons volk ten zegen. En binnen korter tijd, dan ' men kon vermoeden of durfde hopen, heeft de > Vrije Universiteit vruchten afgeworpen. Die f heerlijke uitkomst wekke ons allen op om al 1 onze krachten in te spannen, teneinde de

■ liefde voor deze Stichting in ons land te doen t toenemen.

- De heer Van Houthuizen vraagt, welk nut

■ men zich voorstelt van het nauwer verband : tusschen de Universiteit en de Gereformeerde i Kerken.

; Prot. Dr. A. Kuyper is hartelijk ingenomen ' met het ingediende voorstel; doch we hebben ons te wachten voor het innemen van een

- onjuist standpunt. Als deze vergadering het 1 voorstel-Rutgers aanneemt, mag zij daarbij niet het ; doel hebben enkele klagende broeders tevreden

te stellen en, zoo mogelijk, met ons te verzoenen. 1 Geen zucht naar vrede, hoe lief die ons is, geen dorst naar verzoening, hoeveel waarde daaraan gehecht moet worden, mag ons leiden op een verkeerd pad. Onze Vrije Universiteit is geen succursaal, hoorende bij eenige kerkelijke instituten ; ze mag niet beschouwd worden als een dépendence, die aan iets anders annex is. Indien de geïnstitueerde Gereformeerde Kerken over heel de wereld één machtigen bond vormden, dan ja, zou de Universiteit natura sua tot die kerken in eene bepaalde verhouding staan. Doch in dien toestand zijn we niet. We hebben in ons land slechts een klein aantal kerken, met een klein aantal leden, en daarbuiten een aantal broeders en zusters, in wie we afkeuren, dat ze in een kerkelijken toestand blijven voortleven, die in strijd met het door Gods Woord geëischte is.

Onze geïnstitueerde Gereformeerde kerken in Nederland, die slechts een klein deel-van de wereldkerk vormen, bezitten uiteraard niet zulk hoog geestelijk gezag, om de Universiteit te dirigeeren. De verhouding kan voorshands niet anders dan contractueel zijn. Tegenover voorwaarden komen alsdan voorwaarden te staan, en daarover nu loopt het voorstel, dat geen zaak van bevrediging is, maar een vaster maken van onzen grondslag uit eigen aandrift. Ons fundament ligt nog niet zóó vast als het wezen moet; dat kon in '80 niet anders om den toestand der kerken, en de vraag is slechts: Acht men dat thans de Gereformeerde kerken tot zóóveel vastheid zijn gekomen, dat we bij haar meerderen steun kunnen zoeken?

Ook ik geloof dat art. 2 ten onrechte aan critiek is onderworpen, doch dat sluit de wenschelijkheid niet uit om dit artikel nader toe te lichten in een nieuw artikel, waarin vooral de uitdrukking „Gereformeerde beginselen" kan worden omschreven. Men moet wel verstaan, dat het om den grondslag gaat en dien ziet men niet dan bij opzettelijk onderzoek. Ons Calvinistisch leven heeft een grondslag, waarvan de vastheid door ons wordt gezien in de soliditeit van bouw en muren. Als men nu aanmerking op dien grondslag maakt, dan nemen we opzettelijk een stuk van den muur

Sluiten