Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bozen hebben geen vrede, zegt de Heere.

••da 48 : 22).

,Vij behoeven met Asaf nog niet eens te zien op het einde der goddelozen. De wet der vergelding, de vaste wet van het zedelijk leven openbaart zich ook op andere wijzen.

Wij hebben dit later in bijzonderheden te bespreken.

Toch dient reeds hier gewezen op wat zoowel het uit- en inwendig leven van den slechte te aanschouwen geeft.

En dan ontdekt gij de vergelding in de ondermijnde gezondheid van den wellustige; in de armoede van den verkwister. Maar ook bij het onderling verkeer, wanneer de onbarmhartige het medelijden, de oneerlijke het vertrouwen, de leugenaar de achting van zijn medemenschen heeft verloren.

En nog sterker komt de eeuwige waarheid van het: zoo wat de mensch zaait dat zal hij maaien, uit in wat zich openbaart van het innerlijk leven van den slechte. Hier ontdekt gij dan de vergelding in wat men minder juist wel eens noemt, dat God zonde met zonde straft, maar wat in werkelijkheid niet anders is, dan dat de Heere zijn gemeene Gratie al meer terugtrekt en de doorwerking der zonde in verstokking, verharding en overgeven toelaat. Maar ook ontdekt gij haar in die onrust, angst en wroeging van de kwade consciëntie. En niet het minst treadt zij naar buiten in die ziekelijke en alle actie verlammende levensbeschouwing, welke juist in onze dagen door zoovelen gekoesterd wordt, voor welke het leven éen kwaad en deze wereld de meest slechte is die men zich denken kan. Een pessimisme dat de Spreukendichter in zijn ontstaan en eigenlijk bedoelen zoo juist teekent: De dwaasheid der menschen zal zijn weg verkeeren en zijn hart zal zich tegen den Heere vergrammen. (Spr. 19 : 3).

En zoo blijkt dan, dat het geluk van den slechte niet is het geluk van den mensch.

Van den mensch.

Want vragen wij, waarin de mensch zijn geluk vindt, dan is dat, krachtens zijnoorspronkelijken aanleg, met God in de eeuwige zaligheid te leven.

Zeker God de Heere schenkt in zijn gemeene Gratie reeds aan de daad van den betrekkelijk goede, van wat wij den zedelijken mensch noemen, belooning. Zelfs aan het houden zijner ordinantiën, zij het ook niet uit het beginsel der heiige liefde bindt Hij zegen. Immers gij ontdekt de vergelding van de arbeidzaamheid cn de matigheid in den gezonde; van de spaarzaamheid in den welstand. Van de vriendelijkheid in de sympathie ; van de eerlijkheid in het vertrouwen; van den waarheidzin in de achting, die, ook op het terrein dier gemeene Gratie, de mensch van zijn medemenschen ondervindt.

En meer zelfs nog.

God vergeldt reeds dit houden zijner ordinantiën met een inbinding van de zonde, een goed geweten, een gezonde

vensbeschouwing.

Vlaar toch is dit alles niet het geluk van

11 mensch.

Dat geluk, dat in het Paradijs verloren ging, heeft Christus als een onverliesbaar goed voor ' al Zijn volk verworven. Verworven door voor en in plaats van dat volk aan Gods vergeldende gerechtigheid te voldoen.

Zie den mensch.

Den met doornen gekroonde en met een kleed der bespotting omhangene, den met riemen geslagene, den Man van smarten, den zachtmoedige en nederige van hart.

Hier hebt gij het ongeluk, het kwaad van den volstrekt goede.

Straks op het Kruis van Golgotha in Zijn diepste ellende.

Maar dan ook juist daar de volkomen voldoening aan Gods gerechtigheid.

Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij maaien.

Deze wet van het zedelijk leven vindt ook bij het Kruis haar bevestiging in Jezus eigen woord van het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft en veel vrucht voortbrengt. (Joh. 12 : 24).

En die vrucht van Jezus' Kruisdood is het eeuwige leven voor al 's Heeren uitverkorenen.

Zoo verstaan wij, hoe Gods kind van zijn straf voor eeuwig is ontheven.

En reeds de gedachte aan dat eeuwig leven, doet Gods kind met den Apostel instemmen : Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds, niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Rom. 8: 18).

De heerlijkheid van het eeuwige leven.

Een heerlijkheid veelvormig als van Gods Paradijs. Lager en hooger stand van heerlijkheid, in den voor allen gelijken staat van zaligheid. En, men vergete het niet, ook in die hoogere heerlijkheid, waarmeê eens, als genadeloon de goede werken in de eeuwigheid zullen worden beloond, gaat de wet der vergelding door.

Bij den rechterstoel van Christus zal Gods vergeldende gerechtigheid, nu vaak betwijfeld, voor heel de wereld uitschitteren.

Dat is de dag des gerichts waarop reeds de Heere bij Maleachi heenwijst: Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tusschen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient (Mal. 3 : 18).

„Zm ïjetit mijn paö geftenb."

Als mijn geest in mij over stelpt was, zoo hebt Gij mijn pad gekend. Psalm 142 : 4a.

Hebt eii een eigen pad? Kent se een weg.

waarvan ge zeggen kunt: dat is mij71 pad? En wel: mijn pad in zoo strengen, eigenlijken zin, dat op cit pad gij alleen loopt, en niemand anders met u, gevolg waarvan dies zijn moet, dat niemand buiten u dit uw pad, dezen uwen weg kent?

De beeldspraak, waarin door die vraag uw levenslot en levensloop wordt geteekend, is natuurlijk niet genomen van onze heirwegen noch van onze stadsstraten. Die wegen en straten toch staan voor ieder open, en daarop wandelen vele anderen met ons. Neen, sprake is

hier van wegen en paden, die men zen door zijn loop, zijn vaart, zijn gang maakt.

In de overstoven woestijn is geen pad zichtbaar, geen pad afgebakend, en maakt elke karavaan haar eigen spoor. Evenmin is er een weg door de lucht, maar baant elke adelaar in zijn vlucht zich een eigen pad. Zelfs in de heel hooge bergen houdt elk voetspoor op, en kiest wie hun top beklimmen wil, zich eigen plekken voor het hol van zijn voet. Of wilt ge een trek uit het leven, die onder ons varend volk gemeenzaam is: er is ons geen weg door de groote wateren afgeteekend, en elk schip doorsnijdt op eigen spoor haar golven, gelijk er ook van Jehovah bij Pi Hacharöth staat: „Uw weg was door de zee, uw pad in groote wateren, en uw voetstappen werden niet bekend". (Ps. 77 : 20.)

En nu zegge men niet, dat dit laatste gebruik van „weg" en „pad" toch oneigenlijk is, want omgekeerd was zóó alle oorspronkelijk pad, en zijn eerst later wegen voor allen saam aangelegd en paden, waarop een ieder wandelt, afgebakend.

Wie in onbewoonde streken zich vestigt, maakt het eerste pad door zijn voetstappen die zich in het zand afdrukken, of den eersten weg door den streep platgetrapt gras, dien hij achter zich laat.

Geheel natuurlijk bezigt daarom ook de Schrift die woorden van pad en van weg om het doen en het willen Gods; en zoo ook het doen en het willen des menschen, in zijn samenhang aan te duiden.

De Heere zelf heeft zijn pad door de groote wateren, en de weg des Heeren is in het Heiligdom.

Maar ook er is een „weg der rechtvaardigen" en er is een „pad der goddeloozen".

Waar een historie is, een reeks van daden en bedoelingen die samenhangt, een stroom die een bepaald verloop volgt in wat God doet of in wat menschen doen, daar is een weg Gods of een pad der menschen.

En zoo is er dus ook in uw leven een weg, waar ge langs zijt gekomen van uw wieg af tot nu toe. Zoo is er ook in uw verleden een pad, waarlangs ge u hebt voortbewogen, en dat u gebracht heeft op het punt uws levens waarop ge nu zijt.

Een eigen pad alzoo voor ieder kind des menschen, dat anders liep dan het pad van alle anderen.

Een pad, een weg waarvan in den strengsten zin gezegd moet worden, dat het uw pad was, en van u alleen.

Toch is hiermee nog niet genoeg gezegd. Pad en pad is twee.

Ge kunt van uw eigen pad spreken, om niets anders en niets diepers aan te duiden dan uw

eigen levensgeschiedenis.

Maar ge kunt er ook iets diepers meê bedoelen, en het verstaan van den weg dien God de Heere in zijn raadsbesluit voor u heeft uitgeteekend. Dan was dat pad er eer gij er waart. Dan is het God de Heere, die u op dat pad gezet heeft, die u op dat pad heeft leeren gaan, die u tot dusver op dat pad geleid heeft, en die u langs dat pad voeren zal tot den einde toe, tot waar dat pad ophoudt in de eeuwigheid.

Dit pad nu heeft de Heere voor elk van zijn uitverkorenen onderscheidenlijk afgebakend. Want wel is er in geestelijken zin één pad, waarlangs alle rechtvaardige komt, en dat men betreedt na door de enge poort te zijn doorgegaan, maar dat is het pad van de ordinantiën des Heeren, en niet het pad van zijn Raadsbesluit.

Het pad van Gods Raadsbesluit daarentegen is voor elk kind van God een apart pad, een eigen pad, een pad dat zich wel kruist met dat van anderen, en er zelfs een tijdlang evenwijdig mee kan loopen, maar dat toch over heel de lengte, van de wieg tot het graf genomen, voor ieder onzer anders en verschillend is.

Uw eigen pad is alzoo die bijzondere weg dien God met u houdt, en waarvan het in Psalm 139 heet: eer ik begon te leven, was alles in uw boek geschreven.

Uw leven wordt door niemand dan door uzelven doorleefd. En hoe sterk ook de loop, de gang van het leven bij den één op het pad des anderen gelijken moge, toch blijkt telkens, hoe dieper ge in die ineenschakelingen van uw levensmomenten doordringt, opnieuw, dat zóó als uw leven was, alleen gij door het leven zijt gewandeld, en dat zoo min er twee druppelen water zijn die op elkander gelijken, er zoo ook geen twee kinderen Gods zijn, die zeggen kunnen: uw pad en mijn pad was één.

En nu keert de vraag terug: hebt ook gij, in dien zin, een eigen pad? Of, om de vraag meer rechtstreeks tot uw hart te doen spreken: Weet gij reeds, dat ook gij zulk een eigen pad afliept en afloopt ? Is het pad waar de Heere u langs leidt, reeds aan uw ziel ontdekt? Zijt ge reeds tot de kennisse van uw eigen levenspad gekomen?

Stellig begon niemand daarmee.

Ieder onzer heeft jaren levens doorleefd, da hij bij den dag leefde, nog geen zweem van saamhang in de gebeurtenissen van zijn leven ontdekte, en dat het hem te moede was, of hij als een vogel in het loover van den hak op den tak sprong.

Wie tot de kennisse van zijn pad kwam, is nooit anders dan van achteren gaan inzien, dat er in zijn verleden een leiding Gods was; dat het ééne wat hem overkwam, met het andere saamhing; en dat hij, zonder het te weten of te merken, een vast spoor werd langs geleid dat uitloopt op een bepaald doel.

En zelfs als we dat zijn gaan inzien in ons -verleden, staan we gedurig nog voor raadselen in Let heden, en ontglipt telkens de draad aan

onze hand, die ons koers en richting zou aan geven.

Eerst als de Hepre zich persoonlijk aan onze ziel ontdekt, ons innerlijk toespreekt, en we nu zien dat Hij als onze Herder voor ons uitgaat, beginnen we iets van onzen eigen weg te verstaan. Doch ook dan nog zien we den weg slechts hoogst zelden, en is het meer het tikken van den herderstaf, dat we hooren, en dat de psalmist zeggen doet: Uw stok en uw stafvertroosten mij. Dan is het of nevel en mist eiken weg onzichtbaar maakt, en of we alleen op het geluid van het tikken van den herderstaf des Heeren kunnen afgaan.

Wat God aan de zijnen, die Hem kennen, geeft, is zelden meer dan het zien van de ééne plek, waar ze op dat bepaalde oogenblik hun voet te zetten hebben. En dat is ook genoeg.

Wat daarna komt, geven ze in stil vertrouwen aan hun God over.

Doch tevens drukt zich nu het spoor van dien weg in onze zielservaring, in ons bewuste leven, in onze persoonlijke bevinding af.

We worstelen, we lijden, we hebben verdiiet, we zijn verstrikt in benauwdheden, we raken in bange spanning, we gaan door vuur en door water, we staan angsten uit en we sterven duizend dooden; en al kunnen we aan een trouw menschenhart iets hiervan te kennen geven, toch dringt het scherpste vriendenoog nooit tot die binnenkamer van ons hart door, waar het eigenlijke, het intiemste van uw leven doorworsteld wordt.

Ook van die wijnpersbak mag het gezegd, dat elk kind van God die alleen getreden heeft.'

Dat is ons persoonlijk isolement. De bange taak, die God voor onze persoonlijke rekening gelegd heeft. Een worsteling waarin we alleen staan, waarbij niemand ons de hand kan toesteken, of ons troosten kan. De ziel van onze ziel wandelt op die diep verborgen paden geheel eenzaam, gelijk Messias in Psalm 22 zijn ziel dan ook „zijn eenzame" noemt.

Nu zijn er, die dit niet dragen kunnen, en telkens anderen roepen om in die binnenkamer van hun ziel bij hen te komen; maar ze vinden geen gehoor, want ze vragen wat niet kan. Ze moeten dit pad in de ziel alleen afloopen, en alleen zoo ze het alleen afl jopen, brengt het hun den zegen van hun God.

Anderen weer sluiten zich deswege te veel op, en weren vriendenhand en vriendentroost ook van die buitengangen van het leven, waarin God wil dat de broeder den broeder sterken zal.

Maar wie recht staat, mijdt beide uitersten. Hij zal zijn ziel uitstorten voor den broeder voor zoover dit kan en mag, maar ook zijn ziel opsluiten, om eenzaam te worstelen in dat hei¬

lige der heiligen van zijn eigen hart, waar alleen zijn God bij kan.

Dan is er eerst nog wel een zoeken met het oog naar menschelijke trouw: „Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zoo was er niemand die mij kende, niemand zorgde voor mijn ziel" (vs. 5). En juist die harde, die bittere teleurstelling is het, die dan ten slotte naar God en God alleen uitdrijft: „Tot u riep ik, o Heere", en zeide : „Gij zijt mijn toevlucht."

En dan komt uw zalige ervaring.

Dan is het op dat eenzame pad van het verborgene der ziel donker, tot eindelijk het licht uit de diepte opgaat, en uw lieve Vader de armen der eeuwige ontferming naar u uitstrekt, en uw ziel van achteren jubelen mag: „Als mijn geest in mij overstelpt was, hebt Gij o God, en Gij alleen, mijn pad gekend

Dr. A. KUYPER,

De Gemeene Gratie.

In ons nr. d.d. 16 Juni 1.1, berichtten wij den inteekenaren op dit premiewerk o. m.: „de betaling loopt over 3 jaren, telkens a ƒ0.75 per kwartaal, te beginnen met 1 Juli 1901". Verschillende inteekenaren zonden on3 dan ook i°. Juli 1.1. hunne eerste betaling.

Voor den goeden gang van zaken blijkt het echter wenschelijk, de betalingstermijnen 3 maanden te verschikken, zoodat deze thans vervallen: de eerste 1 October 1901 en de verdere 1 Januari, 1 April, 1 Juli 1902 enz. Begin October 1902 verschijnt het eerste deel, dat aan de inteekenaren, die dan vier maal 75 cents zullen voldaan hebben, wordt toegezonden. En zoo gaat het elk jaar voort, totdat in 3 jaar het geheele werk compleet zal zijn.

Ook den abonné's, die ons reeds gelden deden toekomen, wordt verzocht hiervan goede nota te nemen. Zij, die voor het geheele werk in eens betaalden, zullen vanzelf zonder meer, de drie deelen telkens bij verschijning ontvangen.

Aan de inteekenaren in het buitenland wordt later bericht, hoeveel door elk van hen voor extra francatuur zal moeten bijbetaald wordea.

Nog zij herinnerd, dat over de inteekengelden voor „De Gemeene Gratie" niet kan worden gedisponeerd; toezending van het verschuldigde zien wij dus tegemoït, daar alleen aan de inteekenaren, die geregeld het verschuldigd bedrag doen toekomen, hït werk ook geregeld zal kunnen toegezonden worden.

De Administratie.

Amsterdam, 8 Nov. 1901.

Voor de Vrouwenkampen ln Zuid-Afrika.

Verantwoord in ons nummer d.d. t, Nov. :

ƒ 6302.481/2; verder ontvingen wij van den heer H. Salomons Kzn., gevonden in het kerkezakje der Geref. kerk te Gasselternijeveen ƒ 5; van den heer H. Ormel te Lochem, de helft eener collecte, gehouden bij een bijbellezing te Verwolde bij Laren ƒ 2.62; van den heer W. J. Caspers van de leerlingen der Chr. school te Heinenoord ƒ150. Totaal ƒ 6311.60I/2.

"Welkom, aan Dr. Scheurer.

Onder dit motto ontvingen wij :

Af or"i n tiir Am-i-l ir> AT1C niimiTlPr r\ TVTatt •

V in V1A-J U.u. ^ 11UV « •

ƒ 81; verder van Paaj ƒ 5; van K. O, K. te O. ƒ 2.50; van de Christ. vrouwenvereeniging': „Bidt en werkt" te Winterswijk ƒ 10.75I/2. Totaal ƒ 99.251/2.

Uitstel.

Voor de kerken, die met spanning de publiceering afwachten van het in September te Utrecht getroffen akkoord in zake de vereeniging der Theologische School met de Theologische faculteit der Vrije Universiteit, is het zeker een teleurstel ing, dat haar geduld nog langer op de proef moet worden gesteld.

Wij begrijpen dit.

Niet uit ij dele nieuwsgierigheid, maar omdat de bede tot God verhoord scheen,

dat de twistappel, die nu jarenlang ons kerkelijk leven verdeelde, zou worden weggeruimd, verlangde men naar nader bericht.

Toch kan ieder, die zich rekenschap geeft van den ernst en den omvang der quaesties waarom het gaat, wel begrijpen, dat men niet in één dag met zulk een arbeid gereed is.

Op de vergadering in September kwam men tot overeenstemming op verschillende, zeer belangrijke. punten, maar de tijd ontbrak om alle punten af te handelen, en de preciese en nauwkeurige formuleering van het bereikte resultaat moest nog worden opgesteld.

De vergadering, die thans gehouden werd, had de veel moeilijker en lastiger taak om de nadere formuleering door de commissie van redactie, bestaande uit de broeders Bavinck, Kuyper, Littooy en Van Schelven, voorgeslagen, na te gaan en vast te stellen. Met een microscoop moest daartoe elk woord en elke uitdrukking onderzocht worden, opdat men zoodanig advies aan de kerken kon aanbieden, dat alle misverstand in de toekomst buitensloot.

Vandaar dat men, trots een zitting van twee dagen, nog niet ter helfte gereed kwam en het zeer de vraag is, of men op

de vergadering, die 21 November zal gehouden worden, reeds tot een definitief resultaat komen kan.

Zorg behoeft dit uitstel intusschen niet te wekken.

Vooreerst niet, omdat de Generale Synode, indien ze althans niet vervroegd wordt, eerst in Augustus samenkomt en men dus tijd genoeg heeft.

En ten tweede, omdat overhaast werk gewoonlijk slecht werk is en de kerken veel meer gebaat zijn met de vrucht van rijp nadenken en ernstig overleg, dan met hetgeen in overijling is vastgesteld.

Men wachte dus met vertrouwen de toekomst af, niet vertragende in het gebed tot Hem, die de harten der menschen leidt als waterbeken en die waakt over Zijn kerk en over de School, die Zijn naam belijdt.

Onpartijdige Geschiedenis.

Door ons is steeds volgehouden, dat de poging der empirische school, om een onpartijdige geschiedenis te geven, die door streng objectief onderzoek de feiten vaststelde en den ontwikkelingsgang der gebeurtenissen naspeurde, schipbreuk moest lijden.

Het diep verschil tusschen den „natuurlijken" en den „geestelijken mensch" verloochent zich nooit. Wie uit God geboren is, heeft een anderen maatstaf om de geschiedenis te beoordeelen, dan wie deze wedergeboorte mist. Een onpartijdige geschiedenis bestaat er niet. De geschiedschrijver, of hij het wil of niet, kiest altijd partij tegen of voor God. Neutraal blijven kan hij niet.

Treffend wordt dit weer bevestigd door het standaardwerk over de wereldgeschiedenis, dat thans in Duitschland, onder de leiding van Hans F. Helmholt, wordt uitgegeven en waaraan de beroemdste geleerden van Europa medewerken.

In de voorrede werd als eisch voorop gesteld, dat de geschiedschrij ver onafhankelijk moest zijn van elke „wereldbeschouwing," dat hij daarom alleen mocht rekenen met de feiten, maar nergens zijn eigen geloofsovertuiging aan het licht mocht laten treden. Deze geschiedenis zou dus een strikt neutrale en onpartijdige zijn.

En nu de uitkomst.

In het pas verschenen derde deel, waarin de geschiedenis van West-Azië en Afrika gegeven wordt, komt ook de historie van Israël, Gods uitverkoren volk, ter sprake.

Al wat Gods Woord ons leert aangaande de geschiedenis van Israël tot op de Koningen, heet een sage of legende. Jakob was een „stamgod." In Egypte is Israël nooit geweest. De priesterwetten dagteekenen van na de ballingschap.

In één woord, men krijgt hier de geheele hypothese van Wellhausen, die eenvoudig als vaststaand resultaat wordt medegedeeld, zonder dat zelfs kennis is genomen van hetgeen èn in Duitschland èn in Amerika, tegen dit onderst-boven-keeren van Israël's historie is aangevoerd.

Maar nog sterker teekent het oordeel, dat de historicus over de groote helden uit Israël's geschiedenis velt. David wordt een eerzuchtig stamhoofd, Salomo een speelbal in de handen der priesterkaste. Saul is de eenige sympathieke persoonlijkheid uit Israël's historie, zooals de schrijver uitdrukkelijk zegt.

Zoo komt de tegenstelling zuiver te staan.

Volgens Gods Woord is David de man naar Gods hart en Saul de verworpene, die in waanzin en zelfmoord eindigt.

Volgens dezen „onpartijdigen" historicus is David een op verovering beluste scheik, die eer afkeer dan eerbied wekt, en Saul de eenige persoon, die op sympathie aanspraak kan maken.

Wij nemen acte van deze verklaring.

Ze bevestigt wat de Schrift ons leert, dat het natuurlijk hart vijandschap gevoelt tegenover Gods volk, en liefde voor de wereld.

Slechts zelden echter wordt die haat zoo duidelijk uitgesproken, als het hier in deze „onpartijdige" geschiedenis gebeurt.

De profeet Daniël.

De vruchtbare pen van. Ds. C. Van Proosdij verraste ons opnieuw met een karakterschets.

De schrijver heeft een bijzondere gave voor het schilderen van personen. En zijn voorliefde valt daarbij op zulke mannen Gods in de Schrift of kerkhistorie, die door het licht van grooter sterren overschitterd, te weinig gekend en gewaardeerd zijn geworden."

Zoo werd eerst Theodorus Beza, Calvijn s jonger en opvolger, bij ons volk binnen*

1 • 1 t-* 11 1 r a • j C—

geieia. tnans ae proieet uit ae schap, wiens profetieën wel tot het moeilijkste deel der Heilige Schrift behooren, Daniël.

Het eerste deel, dat voor ons ligt, behandelt Daniël 1—6, onder den titel: Dt gezant van Israëls God aan het hof te Bcibch en zal door een tweede deel gevolgd worden, waarin Daniël geteekend wordt als • De profeet der vertroosting.

Een wetenschappelijke commentaar 13 dit boek niet. Het heeft zijn ontstaan te danken, gelijk de schrijver in zijn voorwoord meedeelt, aan een reeks predikatiën te Baarn, Leiden en Amsterdam over Daniël gehouden. Toch is de strenge vorm

der predikatie niet behouden en zou mc" deze studie eer een populaire exegese met practicale toepassing op onze tijdsomstandigheden kunnen noemen.

Wij zeggen dit niet om dezen arbeid te onderschatten. Integendeel, wij gelooven, dat de hier aangewende vorm, al beantwoordt deze niet aan de eischen van de exegese noch aan die der homiletiek, toch de meest doelmatige is, om dit rijke deel van Gods Woord tot de kennis der gemeente brengen en de beteekenis van Daniël ook voor onzen tijd te doen verstaan.

De schrijver heeft toch, en dat is zij11 verdienste, zich niet alleen ingeleefd in Da* niël's tijd en daarbij een dankbaar gebruik gemaakt van het licht, dat de jongste Assyriologische vondsten over dat tijdvak verspreiden, maar hij is ook een man, die het leven van onzen tijd medeleeft, en telkens, vaak op verrassende wijze, de actualiteit van Gods Woord ook voor dezen tijd aan het licht brengt.

De vorm, waarin dit boek gegoten is. legt ook nu weer getuigenis af, dat Ds. Van Proosdij een levendige fantasie bezit, een schat van woorden en beelden tot zijn beschikking heeft en op meesterlijke wijze de

kunst verstaat om zijn lezers te boeien.

Gelijk wel van zelf spreekt, heeft deze gave ook haar schaduwzijde. Te spreken van de jongelingsvereeniging, die Daniël te Babel oprichtte, van den driejarigen cursus, dien hij doorliep en het examen, dat hij daarna aflegde, raakt de grens eener gezonde populariteit. Ook zouden wij in een dergelijke schriftstudie de qualificatie van nog levende personen als Roberts en Chatnberlain liever achterwege hebben gelaten, ook al begrijpen wij, dat toorn over het onrecht onzen broeders in Zuid-Afrika aangedaan, den schrijver zulke gepeperde uitdrukkingen, gelijk het volk ze noemt, in de pen gaf. Naarmate iemands fantasie te rijker is en zijn woord te gemakkelijker vloeit, is tucht over zichzelf te meer noodig.

Aan het slot van deze studie wordt in een reeks zeer belangrijke aanteekeningen kort saamgevat, wat de Keil-inschriften uit dit tijdvak aan het licht hebben gebracht, om daarmede de waarheid van Gods Woord nader te bevestigen tegen de aanvallen, door het moderne ongeloof op Daniël's betrouwbaarheid gericht.

De vraag zij ons geoorloofd, waarom de schrijver, die de standaardwerken van Duitsche en Engelsche geleerden over dit onderwerp noemt en met vrucht bestudeerde, geheel onvermeld laat hetgeen van Gereformeerde zijde in ons vaderland geschreven is over de moeilijkheden, waarop men bij Daniël stuit? Het uitnemende werk van Prof. A. Rutgers: Het tijdvak der Babylonische ballingschap chronologisch bepaald, en het nieuwste onderzoek daaromtrent, beschouwd en wederlegd, is nog niet verouderd. Al mag, om slechts een voorbeeld te noemen, de hypothese van Prof. Rutgers omtrent Belsazar door de later gevondene Keil-inschriften onjuist zijn gebleken, wat hij schreef omtrent Darius, den Meder, blijft nog zijn volle waarde behouden. Vooral met het oog op de 7° weken in Daniël, die de schrijver later zal behandelen, kunnen wij hem niet ernstig genoeg aanraden, van dezen arbeid van Prof. Rutgers gebruik te maken, een arbeid, die althans onder Gereformeerden niet mag worden geïgnoreerd.

Intusschen neemt deze critiek niet weg, dat wij Ds. Van Proosdij dankbaar zijn voor het vele goede, dat hij ons in deze nieuwe Schriftstudie bood. Dat hij te midden van een zoo drukken werkkring) waarin God hem plaatste, tijd en lust vond aan zulk een arbeid zijn kracht te geven, dwingt eerbied af. Moge spoedig het tweede deel volgen en daardoor ons Gereformeerde volk een verklaring in eenvou* digen en bevattelijken vorm rijk zijn van den Zendingsprofeet bij uitnemendheid.

Een dubbel misverstand.

Prof. Wielenga heeft naar aanleiding van onze artikelen over „Gereformeerde beginselen" de pas begraven strijdbijl weer opgegraven en dreigt daarmede de Heraut, wanneer deze voortgaat met den te Utrecht gesloten wapenstilstand te schenden.

Hier nu is blijkbaar een misverstand in het spel.

De unie van Utrecht raakt uitsluitend de vraag, hoe de Theol. school der Kerken en de Theol. faculteit der Vrije Universiteit kunnen vereenigd worden tot ééne inrichting, maar zonder dat over de verhouding der andere faculteiten tot de Kerk 0' over de vraag welke Gereformeerde begin* selen voor deze faculteiten gelden moeten» ook maar één woord gerept is.

Prof. Wielenga weet dit evengoed als wij-

Ook indien het te Utrecht gesloten akkoord doorgaat en de Generale Synode zoowe als de Vereeniging voor Hooger Onderwij3 dit akkoord aannemen, dan blijft de vraag» of Art. 2 der Statuten voldoenden waarborg aanbiedt voor het Gereformeerde karakter

Sluiten