Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onrecht in strijd is met wat Groen wilde. 9e?*e groep toch stelt niet de handhaving belijdenis, maar de reorganisatie der Kerk op den voorgrond. In haar organisatiePjan wordt noch van de belijdenis der Kerk noch van de leertucht gerept. Wat deze groep alleen eischt, is dat de Synode den aristocratischen kerkvorm in presbyterialen zal veranderen. Ze moet dit wel doen, waar ze met de ethischlrenische partij als verbonden partij wil °Ptrekken om het regeeringskasteel te Veroveren. De ethisch-irenische partij, Groen's scherpste vijandin in zijn leven, die Van den juridischen weg niets wil weten, rï'e alleen langs medischen weg op kerk«erstel hoopt, die, omdat ze zelf met de confessie heeft gebroken, nooit handhaving der confessie eischen kan, — deze partij ,s de bondgenoot van hen, die zichzelf de >'Confessioneelen" noemen. De oproeping tot de vergadering, die eerstdaags zal gehouden borden, is onderteekend door Dr. Hoedenmaker en Ds. Chr. Hunningher. En Dr. Kromsigt wisselt in de Gereformeerde kerk lonkoogjes met Prof. van Veen, die uitzijn historisch arsenaal de giftigste pijlen koos °m de aloude Gereformeerde Kerken te bespotten, alleen omdat ook hij vóór reorganisatie is.

We zijn dankbaar, dat althans een deel ^r Gereformeerde broederen in de Hervormde Kerk zich aan de hypnose van de Hoedemakeriaansche volkskerk ontworsteld heeft. De Gereformeerde Kerk mag haar verwondering erover uitspreken, dat naast de Confessioneels vereeniging een nieuwe vereniging is opgericht; wie de lijdenshistorie dezer vereeniging kent, zal zich eer verbazen, dat niet reeds eerder tegen haar streven een reactie ontstond. Het gezonde Gereformeerde element in de Hervormde Kerk, dat aan Groen's beginselen nog niet ontrouw is geworden, heeft thans openlijk 2'ch doen hooren. En in de banier dezer nieuwe partij staat evenals bij Groen niet reorganisatie der Kerk, maar handhaving der Belijdenis op den voorgrond.

Alleen in dat teeken kan de overwinning Worden behaald.

Öe volksuitgave der Leidsche vertaling.

Van de bekende Leidsche vertaling van het Oude Testament door de moderne theologen bezorgd, verschijnt thans een Volksuitgave met verkorte inleidingen en toelichtingen, Ds. J. Hooykaas van Amersfoort nam de zorg voor deze uitgave op z'ch, die bij de firma voorheen L. J. Brill le Leiden het licht ziet. De vijfde afleverïng, ons juist ter recensie toegezonden, loopt tot en met Deuteronomium.

Het spreekt wel vanzelf, dat van een aanbeveling in eigenlijken zin van dit werk Moeilijk sprake kan zijn. Hoeveel eerbied ■toen moge hebben voor de geleerdheid en kunde der oorspronkelijke bewerkers dezer Vertaling, in orthodoxe kringen kan deze overzetting kwalijk anders dan als profanatie ^er Heilige Schr ft worden gequalificeerd.

We bedoelen niet, dat de heeren Kuenen, Oort en Hooykaas met opzet profanie hebben willen plegen. Het doel van hun vertaling was alleen, in kort en beknopt overzicht de resultaten der nieuwe critiek saam te vatten. Zelfs kan bij deze volksu*tgave het streven gewaardeerd worden, °m het Oude Testament, dat blijkbaar in Moderne kringen zoo goed als niet meer gelezen werd, meer onder de aandacht van het volk te brengen als „een der rijkste boeken van de oudheid, rijk aan geestelijke Schatten, ook voor ons." De onkunde, die tengevolge van het openbaar onderwijs ten opzichte van de Schrift ontstond, is letterdaad een diep-beschamend teeken des tijds.

Maar al waardeeren we dit pogen, we betwijfelen of deze uitgave tot dit doel ook ^aar eenigszins medewerken zal; eer vreezen het omgekeerde. Het standpunt, dat de Vertalers tegenover het Oude Testament '^nernen, dwingt hen niet alleen om elk Goddelijk gezag aan de Schrift te ontzeggen, |^aar zelfs om aan de historische betrouwbaarheid zooveel mogelijk afbreuk te doen.

inleidingen op de onderscheidene boeken Cri hoofdstukken dienen om vooral duidelijk |e doen uitkomen, dat de inhoud dezer ^°eken niet waar is en als sage of verachting moet beschouwd worden. De toelatingen bij den tekst wijzen telkens op Vermeende tegenstrijdigheden, om de onwaarheid der verhalen aan te toonen. De 'ndruk, dien het volk van deze vertaling ontvangen zal, is geen andere, dan dat het j^ude-Testament een boek is vol oud-Joodsche abelen. Men zal er zich over verwonderen, mannen van zoo eminente geleerdheid ln de XXe eeuw na Christus zich nog de j^oeite hebben gegeven van dit „fabel°ek" opnieuw te vertalen en uit te geven, het standpunt dezer heeren schijnt *jet paedagogisch nut van deze uitgave ook uiterst twijfelachtig. Als reli£leuse volkslitteratuur is een boek toch geinig aanbevelenswaardig, waarin schier °veu eike bladzijde de waarschuwing ftaft- ge hebt hier te doen met opJ^ttciijke vervalsching. Verbeeld u, dat een ^°dern huisvader, op de aanbeveling der °*&tnissie afgaande, deze uitgave zich aanr?haft om „het rijkste boek der oudheid, aan geestelijke schatten ook voor ons" kennis van zijn gezin te brengen; dat 's morgens begint met de voorlezing e*n Genesis, maar eerst de inleiding opslaat ki daa tot zijn kinderen zegt: vooraf, lieve aderen, moet ik u waarschuwen, dat alles he'V^ U voorlezen ga bedrog, leugen, onwaar— zouden die kinderen niet terecht je Sgen : Maar vader, spaar ons dan die voor*lng. werp dat onware boek in het vuur, lev n°odig hebben voor ons geestelijk Sa etl is geen priester-bedrog, geen volks®>e» maar waarheid. Oo modern stand-

«« •. i

punt schijnt ons deze volksuitgave ctaarom > een absurditeit, tenzij ze dienen moet om ' het laatste vonkje van eerbied, dat nog j in sommiger hart voor den ouden Bijbel gevonden wordt, voorgoed uit te dooven

Ook de -vertaling zelve, afgezien van de J inleidingen en toelichtingen, schijnt ons met , opzet zoo gesteld te zijn, dat alle gewijd i karakter, dat alle Goddelijke schoonheid ' van de Schrift te loor gaat. .

Ge denkt telkens bij het lezen, dat ge , hier te doen hebt met het een of ander i sagenboek van een Oostersc'nen volksstam, 1 vertaald door een zeer nuchteren Westerling, die totaal de gave mist om de oorspronkelijke naïveteit, het Oostersche coloriet weer te geven. Er zijn modernen geweest, 1 die, al erkennen ze de Goddelijke inspiratie der Schrift niet, toch onder den machtigen indruk kwamen van de verhevenheid en majesteit van het Oude Testament. Herder, de Duitsche humanist, heeft in zijn „Vom Geist der ebraischen Poesie," de wondere schoonheid der Schrift op geestdriftvolle wijze bezongen. Aug. Wünsche — zelf uitnemend aestheticus en dichterlijk aangelegd — verklaart in zijn pas verschenen werk „Die Schöaheit der Bibel", dat in het Oude Testament meesterstukken te vinden zijn, die in heel de wereldlitteratuur hun weergade zoeken. Heinrich Heine, de spotzieke Jood, voor wiens bijtend sarcasme schier niets heilig was, moest toch erkennen, dat er geen boek op aarde was, zoo goddelijk als het Oude Testament. „Ik heb weder in het Oude Testament gelezen! Welk een groot boek. Merkwaardiger nog dan de inhoud, zoo schrijft hij, is voor mij de wijze van voorstelling. Dat is werkelijk Gods Woord, terwijl alle andere boeken alleen van menschelijk vernuft getuigen..,. Over den stijl van den Bijbel kan men geen oordeel uitspreken, men kan alleen zijn inwerking op ons gemoed constateeren en de Grieksche geleerden moesten niet weinig in verlegenheid geraken, als zij menige pakkende schoonheid in den Bijbel in hunne overgeleverde kunstbegrippen thuis wilden brengen. Longinus spreekt van verhevenheid, nieuwere kunstkenners van naïveteit. Ach, zooals ik zeide, hier schiet elke maatstaf ter beoordeeling te kort... de Bijbel is het Woord Gods".

De Leidsche Theologen mogen kundige hebraisten zijn, fijne critici, de aesthetische gave van een Herder en Heine heeft hun ten eenenmale ontbroken. Vandaar dat deze Leidsche vertaling zelfs in moderne kringen geen onverdeelden bijval vindt. In het jongste nummer van de Hervorming wordt met name er over geklaagd, dat de vertalers den naam Jehova, of gelijk men dien thans uitspreekt Jahwe, onvertaald lieten staan. „Och dat „Jahwe" zuchtte een Collega eens tegen me, wat klinkt dat toch hinderlijk! „Jahwe is mijn herder" — en hij maakte een gebaar alsof hij rilde."

Zoo stuit men telkens in deze vertaling op uitdrukkingen, woorden, zinnen, waarbij men „rilt" van verontwaardiging, omdat het schoonste en verhevenste, wat we bezitten, zoo nuchter-prozaisch, zoo platvloersch, zoo profaan is weergegeven. We gelooven, dat zelfs menig moderne nog liever onze Statenvertaling met haar prachtig Hollandsch zal gebruiken, ook al laat de nauwkeurigheid der vertaling hier en daar te wenschen over, dan deze nieuwe Leidsche overzetting.

Aanbevelen kunnen we daarom deze vertaling niet. De oorspronkelijke uitgave moge voor vakmannen dienstig zijn om een kort overzicht te krijgen van de zoogenaamde resultaten der nieuwere critiek, deze volksuitgave kan kwalijk anders bestempeld worden dan als een zeer ongelukkige poging om het Oude Testament dichter bij ons volk te brengen.

Uit üe ^ecg.

In Pro en Contra (Serie II No. i) heeft Dr. Van Nes een zeer lezenswaardig artikel over Theosophie geschreven. Na eerst het stelsel der Theosophie uiteengezet te hebben, eindigt hij met deze critiek:

Ziedaar dan de blijde boodschap welke de Theosophie te brengen heeft. Dat klinkt wezenlijk wel troostvol, vooral als men ons verzekert, dat voor de bewoners van Europa een gemiddeld getal van io k 20 eeuwen elke twee reïncarnaties van elkander scheidt! Ik geloof, dat de bisschop een andere prediking zou brengen, dan die, welke hem door zijn tegenstander op de lippen wordt gelegd; in ieder geval luidt het Evangelie heel anders. En de boodschap, dat Jezus de zondaars aanneemt en ze maakt tot kinderen Gods, is zeker veel troostvoller dan de vermaning om op te klimmen tot een hoogte, die eerst na langdurig proces, na tallooze geboorten, zal zijn bereikt.

En als men ons zegt, dat de heerlijkheid der reïncarnatie mede hierin bestaat, dat men nu be kwaam is om met zijn eigen vroegere ervaringen, waarvan men trouwens geen bewuste herinnering heeft, zijne medemenschen te troosten, dan wijs ik daartegenover op onzen Hoogepriester, die kan medelijden hebben met onze zwakheden, omdat hij in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr. 4 : 15).

Evenwel stemmen wij toe, dat de theodicee, d.i. de rechtvaardiging van het Godsbestuur, zooals zij ons door de Theosophie geboden wordt, den beoordeelaar, die niet dieper nadenkt dan de oppervlakte, geslaagd moet voorkomen. Immers hier is een stelsel, dat alles verklaart, en de Christenen weten lang niet alles; hier is een stelsel, dat alles leert begrijpen, en de Christenen blijven voor menig raadsel staan; hier is een stelsel, dat zegt op wetenschappelijke basis te rusten, en de Chris tenen komen altijd weer aan met hun onweten schappelijk geloof. Nu is er iels waar in het woord van Nietzsche, dat men alle systematici moet wantrouwen en hun uit den weg moet gaan, ofschoon wij zijn argument, dat de begeerte naar een stelsel een gebrek aan rechtschapenheid bewijst, niet gaarne zouden overnemen, maar ondanks die waarheid voelen wij toch de bekoring, welke er uit moet gaan van een dergelijke vast aaneengesloten wereldbeschouwing, waarnaar ten slotte toch ieder haakt, die heeft leeren nadenken. Wij Christenen staan zoo dikwijls voor uiterst pijnlijke vraagstukken, die pijn blijven doen als open wonden.

Doch bij nader toezien blijft er van de theodicee der Theosophie toch niet zoo heel veel over. Kunnen wij spreken van een zedelijke wereldorde, waar feitelijk door de loochening der persoonlijkheid het

I zedelijke zelf is ontkend ? Kunnen wij spreken van rechtvaardigheid, waar alle ontwikkeling is geworden tot een natuurproces, en geen persoonlijk

mnaf 51* 11 «rafifcrhnmpn rlat nïlf*c

V- . I «AVJtL 11* Cl VYtt»! UVllMtlV»,

l u voorlezen ga bedrog, leugen, onwaar-

1 Sgen : Maar vader, spaar ons dan die voor-

'CZlnrr . ' 1 , 1 - 1 ,.

;*s. werp dat onware DoeK m net vuur,

noodig hebben voor ons geestelijk

ls geen priester-bedrog, geen volksmaar waarheid. Op modern stand-

God bestaat, die met zijne gerichten de geschie- ] denis zou maken? Het pantheïsme heeft eigenlijk t geen theodicee noodig, en aan het Christelijk ( theïsme weet zij er geen te bieden.

Ongetwijfeld, de Christenen zullen wel doen met van de theosofen te leeren meer nadruk te leggen op het woord des apostels, dat de mensch zal maaien, wat hij gezaaid heefi; maar dit zal hen c er niet toe bewegen om voor de rechtvaardigheid ; Gods in zijne oordeelen een natuurwet in de plaats , te stellen, die zich zelf uitwerkt. ,

Kortom, wij kunnen in de Theosophie noch de j zonde noch de genade vinden, die de beide hoofdpunten vormen d. r Christelijke levensbeschouwing, ' en der Christelijke levenservaring. Wel worde er ' over zonde en schuld gesproken, maar zij worden i niet in werkelijkheid aanvaard; genade is niet ( noodig, waar men zelf meent de schuld te zullen ] betalen tot den laatsten penning toe, ,

Immers, waar geen rechte persoonlijkheid is, kan er niet inderdaad van verantwoordelijkheid sprake zijn, zonder welke geen schuldgevoel mogelijk is. Ons leven hier op aarde is, theosophisch gedacht, een tusschenbestaan; achter ons ligt een gansche ! reeks van existenties, vóór ons een andere; van geen van beide kunnen wij de lengte overzien, het ( getal tellen. Die existenties zijn verbonden naar de wet van Karma, d.w.z. telkens valt de persoon- iijkheid uiteen, terwijl niets overblijft dan het onpersoonlijk Karma, het saldo, dat wordt overgebracht op de nieuwe levensrekening, het zedelijk montant van het vorig leven, dat nu zich zelf zal uitwerken. Wie zulk een leer aanhangt, aanvaardt toch eigenlijk zijn eigen ik niet; hij ontdoet zich eenvoudig van zijn verantwoordelijkheid en zijn schuld, legt deze naast zich neder, gaat zelf heen 1 zo ader er meer naar om te zien. 1

Wij Christenen zijn er in zekeren zin veel ongelukkiger aan toe. Wij kunnen de schuld, onze , schuld, niet werpen op onze vorige existenties, maar moeten die zelf dragen, moeten die geheel voor onze eigen rekening nemen. En nu staan wij 1 met die schuld tegenover een persoonlijk, heilig God. Waar zullen wij ons bergen? Hier komt die verbrijzeling des harten, die verslagenheid des geestes, waarvoor de Theosophie geen plaats kan hebben. Want, als wij, wij zelf, onze schuld aanvaarden, dan zijn wij verloren, dan sterven wij. Wij kunnen niet laten om het oordeel over ons zeiven te vellen. Maar uit den dood staan wij op, wij zijn behouden, als wij komen tot het geloof, dat God ons de zonden vergeeft. Voor de zonde is alleen hulp bij de genade, bij Gods verzoenende liefde in Christus.

Zeker, ook de Theosophie spreekt van verzoening, en weet in schoone woorden ons de waarde van het kruis te beschrijven. Maar het is boven reeds duidelijk geworden, dat de éénige beteekenis, welke Christus heeft voor het Christelijk geloof, onmogelijk in dit stelsel kan gehandhaafd worden; dat bovendien geen Middelaar noodig is, waar de mensch zelf in eigen natuurlijke ontwikkeling tot God wordt.

Het is ook hier het grootste verschil tusschen evolutie en revelatie. Bij de eene verlost de mensch zich zelf, en klimt tot God op; bij de andere daalt God tot den mensch neder en verlost hem.

Ik weet, wat men zal zeggen. Die genade is het juist, welke men op het Christendom tegen heeft. Men wil er niet van hooren, men acht zich boven haar verheven. Als de boodschap komt, dat God de zonden vergeeft, anttvoordt de mensch — wij zijn toch eigenlijk allan zoo hoogmoedig —: ik heb geen vergeving noodig; mijn rechtsgevoel komt er tegt*n op; ik moet en ik wil voor het kwaad, dat ik deed, gestraft worden. En zoo aanvaardt een mensch gaarne die lange reeks van nieuwe geboorten, dat haast eindeloos lang durend vagevuur.

Wij twijfelen er niet aan, of de theosophie vindt vele aanhangers onder ernstig denkenden, juist omdat zij aan dezen eisch der menschelijke natuur tegemoet komt. Rechtvaardigheid, ïechtvaardigheid, de gevolgen onzer daden: de leuze klinkt zoo schoon, zij is zoo aannemelijk.

Maar :oodra wij wezenlijk onzejj zonde gezien hebben, zoodra wij ons zeiven met onze zonde geplaatst zien tegenover den levenden God, krimpen wij ineen van schrik, als ons niets dan rechtvaardigheid gepredikt wordt. Wij kunnen de straf niet dragen zonder te gronde te gaan, wij kunnen geen penning afbetalen op de groote schuld. Daar is geen prediking, die den mensch zoo diep vernedert als die van de vergeving der zonden. Hierdoor en hierdoor alleen wordt hem het hart gebroken. In Christus te gelooven is inderaaad te sterven aan het eigen ik. Maar het is ook de opstanding uit dezen dood; de mensch wordt een nieuw schepsel, dat geen reeks van nieuwe geboorten voor zich ziet, maar een eeuwig leven.

De groote wet van het Christendom is de wet van het kruis, levensbehoud door levensverlies. De mensch wil er niet aan; hij wil zijn leven behouden zonder het te verliezen. Onder de stelsels, die uitgedacht zijn om het den mensch mogelijk te maken zichzelf te behouden, bekleedt de theosophie ongetwijfeld een voorname plaats, maar in de jOmschrijving, welke wij gaven, ligt reeds onze veroordeeling opgesloten.

^Het Evangelie van Christus is niet naar den mensch, en daarom alleen is het voor hem, en baat het hem in werkelijkheid (Gal. 1 : 11).

Het E v a n g e 1 ie d er T h e o so p h i e me t zijn godsdienst zonder persoonlijk God, met zijn Christendom zonder Christus, met zijn reïncarnatie zonder persoonlijkheid, met zijn rechtvaardigheid zonder schuldbesef, met zijn prediking zonder eisch van bekeering

Is een Evangelie naar den mensch, en daarom is het niet voor hem, en zal het hem in werkelijkheid niet baten.

Is de Theosophie een van de vele uitgangen der mystieke strooming, die tegenwoordig in literatuur en kunst, in denken en voelen door de wereld gaat, zij heeft met de andere gemeen, dat zij een surrogaat van religie op de wereldmarkt brengt, dat den waarachtigen godsdienst zoekt te verdringen. Wij waarschuwen voor de namaak en sporen aan tot het zoeken van het echte.

Hier is inderdaad geen woord te veel gezegd. Al mag de Theosophie zich onder een Christelijk kleed aandienen, ze staat lijnrecht tegenover het Evangelie Gods.

Christendom en Theosophie zijn niet te vereenigen.

Hoe klaarder en duidelijker dit wordt ingezien, hoe gemakkelijker het zal vailen dit surrogaat der ware religie te bestrijden.

^eticïjten.

De Raad der Gereformeerde keik te Leiden verzoekt zoo spoedig mogelijk mededeeling te mogen ontvangen van de namen benevens het wapen enz., waarbij zijn ingedeeld die militairen, wien Leiden als garnizoensplaats is aangewezen.

Namens den kerkeraad, G. Mizée, Scriba.

L. S.

De kerkeraad der Geref. kerk te NieuwBuinen verklaart dat, mocht het op zijn weg gelegen hebben een necrologie te schrijven van den W.Eerw. heer Ds. W. Bartels, em. pred. te N. Pekela, in leven v. d. m. te NieuwBuinen, dit niet is nagelaten uit opzet, maar wijl niemand er blijkbaar aan gedacht heeft.

Namens den kerkeraad voornoemd, : Joh. Jansen, Vcorzitter.

J. W. Scholtens, Scriba.

; z. S.

De classis Gouda heeft op hare buitengewone : vergadering van 13 Maart den candidaat A,

denis zou maken? Het pantheïsme heeft eigenlijk

Rolloos praeperatoir geëxamineerd en met alge < meene stemmen toegelaten om te staan naar c

den Dienst des Woords en der Sacramenten. 1

A. M. v. d Berg. h. t. Scriba. 1

Het gerucht, schijnt zich te ver-preiden, dat ondergeteekende zich onttrokken zoude hebben ; aan den dienst des Woords, en met opzet en ! willens tot een anderen staat des levens over ( gegaan zoude zijn. Hij gevoelt behoefte om dit ' ten strengste tegen te spreken. De finantieele 1 nood heeft hem gedrongen iets te doen, wat ' hij nooit zocht en wilde. Tot op dit oogenblik j heeft de classe Harderwijk, trots het besluit en 1 de uitspraak der Generale Synode, hem nog niet uitbetaald. Hij kon toen vrouw en kinde ! ren niet laten verhongeren 1

Niets zou hem liever zijn, dan in den dienst ' des Woords op te tredenj en in een der kerken ; beroepen te worden. Hij stelt zich dan ook bij ; den voortduur beschikbaar voor de kerken.

Zwolle, C. M. W. Plet,

Groenewegje 54 V. D. M. in ruste.

jBuilfnlaitd.

Frankrijk. Nadere bijzonderheden omtrent de officieuse Synode van Orlea ns.

Genoemde Synode was eene indrukwekkende samenkomst, waaruit bleek hoe diep de tegenstellingen geworden zijn in hetgeen men het groote Protestantsche huisgezin van Frankrijk noemt. Eenige maanden te voren hadden de liberalen die te Montpellier vergaderden, verklaard, dat zij de bekende „geloofsverklaringen van 1872'' principieel wilden aannemen, maar alleen als een theoretische formule; niet als uitdrukking van hetgeen zij beleden. De orthodoxen of Evangelischen waren bereid geweest om den Liberalen belangrijke concessiën te doen, toen dit besluit van Montpellier de hoop der rechterzijde in rook deed vervliegen. De leiders der Orthodoxen besloten aanstonds door dit positie nemen der Liberalen, de in de „broederlijke" samenkomst te Lyon en in de Synodes van Andure en Reims gedane conces siën terug te nemen, of minstens door eene plechtige vernieuwing van de geloofs verklaring van 1872, aanstonds bij de opening der Synode te Orleans, de opname der liberalen in de nieuwe kerkelijke organisatie onmogelijk te maken. Hiervan was aan het z. g. liaker-centrum, dat is de partij die geneigd is om met de liberalen saam te gaan, niets gezegd. Toen nu na de opening der Synode de predikant Picard van Parijs het voorstel deed om eerst van instemming met de geloofsverklaring van 1872 getuigenis af te leggen, werd dit door de Linkerzijde als verraad tegenover de vroeger genomen besluiten beschouwd. De Orthodoxen antwoordden, dat de concessiën op de synoden van Andure en Reims gedaan waren in een tijd toen de Gereformeerde kerk van Frankrijk nog een staatsinstelling was en daardoor het karakter droeg vaneen volkskerk, waarin geen waarborg bestond dat men zich aan esne geloofsbelijdenis zou houden, en dat deze nu in de nieuwe verhoudingen van een van den staat gescheiden kerkelijke gemeenschap niet gehandhaafd konden worden. De debatten bewogen zich daarna over de hoofdvraag: zou de Gereformeerde kerk van Francrijk al dan niet eene belijdenis hebben, die voor allen bindend zijn zou. Gelukkig bleef de discussie strikt zakelijk en van alle persoonlijkheden vrij, doch hoe welsprekend er van weerszijden gepleit werd, het werd maar al te zeer duidelijk, dat het ondoenlijk was zich met de Liberalen, ja zelfs met het linker centrum in eene kerke lijke organisatie te vereenigen, want het kwam aan den dag welk een niet te overbruggen kloof er door de moderne Theologie ontstaan was, zoodat aan verzoenen geen denken was. Het was een pijnlijk oogenblik toen de beide leiders der Christelijk sociale beweging in de Gereformeerde kerk, Wilfred Mcnod en Elie Gounelle, aan het slot der zitting zeiden dat zij opgehou den hadden lid der Synode te zijn. Met hen namen nog drie predikanten en ouderlingen, die lang lid "der permanente commissie geweest waren, hun ontslag. De anderen zouden blijven, totdat de kerken hare „associations cultuelles" zouden gevormd hebben; welke vereenigingen zich dan moesten uitspreken welke houding zij bij den nieuwen toestand zouden aannemen.

Er was een geweldig conflict tusschen de liefde die gaarne de breuk had voorkomen, en de waarheid, die het Evangelie nietj wilde prijsgeven en de toekomst der kerk in het oog hield. De grijze predikant Babut uit Nimes, de neef van Adolf Monod, een der oudste en bekendste leden der Synode, putte zich uit, om de tegenstelling weg te nemen en eene verzoening met de liberalen tot stand te brengen, overtuigd dat dezen een zwenking naar rechts gedaan hadden. Doch te vergeefsch. Mannen als de hoogleeraar Doumergue te Montauban, de bekende schrijver van het leven van Calvijn, Benjamin Couve van Parijs, Bruguièré te Marseille, gevoelden dat zij niet mochten toegeven, wanneer ïij het evangelie van Jezus Christus niet wenschten prijs te geven.

En wat nu verder? Binnen weinige maanden zullen de kerken die nog niet verstorven zijn, gesproken hebben. Dan zullen de afgevaardig den der kerken weder samenkomen, en het is te denken dat de rechterzijde, het behouden element, zeer versterkt ter vergadering zal komen. De liberalen zullen wel eene afzonderlijke ker kelijke gemeenschap vormen. Maar wat zal het linker centrum of de middenpartij doen? Dit is niet vooruit te zeggen; doch wij vermoeden dat zij het liberale leger zullen gaan versterken. Op de Synode te Orleans stond het 65 tegen 42.

Nog willen wij vermelden dat zoowel te Andure en Rrims als te Orleans besloten werd, dat zoodra de kerken zich georganiseerd hebben, de geheele Fransche protestantsche wereld eene algemeene vergadering houden zal, om op grond van het gemeenschappelijk verleden, al is het ook dat men niet eens geestes is, een soort van algemeene vertegenwoordiging van de protestantsche belangen in Frankrijk te vormen,

Daarbij werd te Orleans eenstemmig besloten een ondersteuningskas te vormen, waardoor predikanten, zonder te letten op hunne leerstellige overtuiging, zoo noodig geholpen zullen worden de vereischte bestaansmiddelen te vinden.

N.-Amerika. De bekeering van een hoogleeraar der Unitariërs.

Eenige maanden geleden was Schenectady, in den staat New-York, het middelpunt eener 1 Godsdienstige opwekking. De Engelsche evangelist Dr. W. J. Dawson was aan het hoofd der beweging. Onder de bekeerlingen telt hij door middel zijner prediking ook een hoogleeraar, met name Dr. Hale, Jr. Hij geeft van zijn : ommekeer het volgende verhaal.

Toen hij tot het bewustzijn ontwaakte, dat

een nieuwe wereld zich aan zijn geopend ziels¬

oog had ontdekt — eene wereld, die hem zoo¬

veel aantrekkelijker was dan de oude, waarin hij voorheen zich had zoeken te vermaken — en het hem daarbij duidelijk was geworden, dat Jezus Christus van die nieuwe schepping het middelpunt was, aarzelde hij niet langer om in het openbaar den Christus te belijden. „Ik ben een zondaar" — zoo sprak hij in een der meetings, verleden najaar — „ik heb mij voorgenomen mij over te geven en mij te wijden aan den geestelijken dienst van Christus." Hij zeide, dat hij ter elfder ure gekomen was. Hij is derhalve een mau van jaren. Hij had geene verwachting — zoe drukte hij zich uit — dat de roepstem van Christus ooit tot hem komen zou, en op de vraag, waarom hij zulks niet verwachtte, geeft hij zelf dit antwoord: „Ik ben in New England geboren. Ik ben een man van studie. Ik was Unitariër. Die Kerk staat bekend als eene, die meer klem legt op de rede en het verstand, dan op het hart. Wie zou het hebben kunnen denken, dat ik geleid zou geworden zijn, om Christus aan te nemen in eene opwekkings-vergadering in eene Methodisten Kerk?"

De eerste preek van Dr. Dawson, toen hij zijn werk te Schenectady aanving, was over het gebed, en zoo redelijk kwam die voorstelling aan Prof. Hale voor, zoozeer beval zich het bidden bij hem aan, dat hij besloot er de proef van te nemen, met het gevolg, dat hij nu het getuigenis aflegt: „Uit eigen ervaring kan ik zeggen, dat de weg tot het kruis door het gebed henen loopt."

Wij dachten toen wij dit lazen, aan hetgeen wij van een bejaard predikant vernamen, toen hij aan zich zei ven ontdekt en van zijn ongeloof genezen werd. Zijn ziel was gered; doch hoe beweende hij het met heete tranen, dat hij zoovelen had misleid voor de eeuwigheid. Zijn pastorie zag op het kerkhof uit, en het was hem alsof de dooden uit hun graven verrezen om hem te verwijten, dat hij hen niet had gewezen op datgene wat tot zaligheid noodig is. En nu zouden wij gaarne ook van Dr. Hale nog iets anders vernemen, dan dat „een nieuwe wereld" zich aan zijn zielsoog had ontdekt.

wlnckel.

Itar Jpiidmit

TWEE WEGEN.

XXVIII.

In goede handen.

Hoe lang nu Gilles op het hooi lag, heeft hij zelf nooit geweten. Toen hij uit zijn slaap ontwaakte was het morgenlicht reeds aangebroken. Hij wilde opstaan, maar tegelijk voer hem een huivering door de leden, als van een die de koorts heeft. Zijn tanden klapperden en 't was hem onmogelijk zich geheel op te richten. Hij bleef liggen, wel begrijpend dat hij ziek was. Dat was trouwens geen wonder.

't Liep tegen tien uur in den morgen, toen Gilles bespeurde, dat een paar mannen in de wei kwamen, vergezeld van een kleinen jongen. Zij liepen den hooiberg voorbij zonder iets bijzonders te merken. Doch de zieke, die zich, even had verlegd, voelde daarbij zulk een pijn, dat hij een smartkreet niet kon weerhouden.

De knaap hoorde dat, hij zag om en bespeurde blijkbaar iets ongewoor s in het hooi. Althans Gilles hoorde hoe het kind zei:

„o Vader, daar beweegt wat in den berg. Ik moet eens even kijken."

Het drietal ging nu op den hooiberg toe, en het duurde niet lang of ze vonden onzen man. Nu was het niet zoo ongewoon — vooral in dien tijd — dat landloopers en zwervers een hooiberg tot nachtverblijf kozen. De boeren echter waren daar minder op gesteld, niet zoozeer om het hooi, als wel omdat die ongebeden gasten vaak er op loerden om in den donker hun slag te slaan en wat weg te kapen. Vandaar dit dan ook dat de boer, min vriendelijk, zei:

„Zeg eens kerel, wat doet je daar. Kom er uit en pak je weg."

Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, althans voor iemand die zich ziek en ellendig gevoelde. Gilles althans die merkte dat hij niet opstaan kon, antwoordde met smeekende stem:

„Och goede menschen, laat me hier liggen. Het zal niet zoo heel lang duren. Ik voel me doodziek. Jaagt me niet weg!"

De boer scheen uit den toon waarop dit gezegd werd, te begrijpen dat hij' hier niet zulk een 'ruwen, onguren gast voor zich had, als er anders wel kwamen. Hij kreeg medelijden en vroeg:

„Wil je ook wat drinken?"

„Och neen."

„Maar hoe kom je hier? Heb je geen huis?"

Nu wende Gilles voor het eerst zich om, zoodat de anderen zijn gezicht te zien kregen. Maar nauwelijks was dit geschied of de boer zag den zieke scherp in 't gelaat, sloeg de handen vol verbazing ineen en riep: „Is 'tmogelijk! zijt u mijnheer Schravers van Utrecht? Maar neen, dat kan toch niet."

„Ja man," sprak Gilles met doffe stem, „het is zoo. Ik ben Schravers uit Utrecht. Maar ik heb geen huis meer; ik ben door alle menschen verlaten. Laat mij nu hier maar sterven."

„Hoor eens," sprak de boer, „ik begrijp niet recht wat er met je gebeurd is, dat je hier zoo komt te liggen. Maar zoo op den hooiberg je laten, dat doe ik niet. We kennen malkaar te goed. Je moet in huis."

Een uur later lag Gilles in een goed bed in de bouwmanswoning. Doch hij wist er niet veel van, wijl hij al spoedig geheel bewusteloos werd. De boer, een man in wien de vreeze Gods woonde, zag met diep medelijden hoe vermagerd en jammerlijk Gilles er uitzag, die vroeger blozend en welgedaan en als een steedsch heer vaak bij hem was geweest om handel te drijven. Wel wist onze landman niet recht, wat er met Gilles was gebeurd, maar hij begreep er toch veel van, al kon zijn gast nu niets zeggen.

De dorpsheelmeester die gehaald werd, zei I dadelijk dat hij „ge®n zinnigheid" in 't geval had, waarop de boer antwoordde: „Wat je mijn slacht". Twee volle weken zweefde de zieke, zonder het zelf te weten, tusschen leven en dood. „Ik vrees dat het met Schravers anders i dan rechtuit is geweest" zei de boer soms tot , zijn vrouw, Schravers is misschien denverkeerden weg opgegaan en dat komt er nu van. 1 Maar we zullen het in des Heeren hand stellen en doen wat we nog kunnen".

Toen Gilles eindelijk weer tot bewustzijn

■ kwam, was het hem als had hij lang gedroomd. Zijn trouwe verzorger vertelde hem, hoe hij

■ hier kwam, hoe 'them gegaan was en toen

■ kwam over Gilles een diep gevoel van schaamte , dat hij door eigen schuld en door God te ver1 geten, zich zelf ia zoo groote ellende had gebracht. Als hij meende dat niemand hem zag,

; kon hij soms in bittere tranen uitbarsten.

Jezus Christus van die nieuwe schepping het

Sluiten