Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloeien. En dat gaat dan telkens ingedeeld in reeksen van drie geslachten. Eerst uw grootvader, uw vader zijn kind, en gij zijn kleinkind. En over meer dan een eeuw spreekt men van u als den grootvader, is uw zoon de vader geworden, en is het kind van dien vader uw kleinkind.

En dat schakelt zich aldus voort en voort niet bij geval, niet naar het treft en uitkomt, maar naar vast, heilig en onveranderlijk bestel. Zóó, dat uw God u gezien, en u gekend, en u doorgrond heeft, nog eer de eerste in uw geslacht geboren werd. En niet alleen u, maar juist evenzoo uw kind, en met even Goddelijke klaarheid uw kleinkind, en dan weer het kleinkind van uw kleinkind, als weer tusschen beide reeksen twee geslachten zullen zijn ten grave gedaald.

En zulk een reeks van drie personen wordt niet later pas ineengeschakeld, maar ligt reeds in de voorbeschik king met banden van het besluit verbonden, en verschijnt achtereenvolgens in deze wereld, verbonden door den band van het bloed.

Voor God is niemand een op zich zelfstaande eenling, maar altoos een vrucht bloeiend aan

een bepailde twijg, en die twijg is altoos een tak

aan een bepaalden stam, en die stam is weer uit

een bepaald zaad opgekomen, en dat zaad

m een aangewezen bodem uitgestrooid. En die

heele stam van uw geslacht, met al die overige stammen van andere geslachten, vormt saam

Gods heiligen menschenboomgaard, aan welks

twijgen ae eennngen Dioeien, vructit zetten en

straks verdorren.

Door dit weefsel der geslachten nu weeft God vrijmachtiglijk zijn genadebestel heen. Daarin is het Verbond de band. En zoo wordt deze band

van het Verbond en die band van uw her

komst dooreengeweven. En zoo blijft er altoos

een volk dat onzen Koning toebehoort.

En het is daarom dat God op het heele geslacht beslag legt, en op een ieder in dat geslacht, voorzoover hij geroepen is ten eeuwigen

leven, na daarom Komt Orods heilige ordiaan

tie niet eerst tot u alleen, en misschien straks ook tot uw zoon en kleinzoon. Neen, maar

onmiddellijk gaat het gebod des Heeren uit

dat gij en heel uw geslacht na u Hem dienen zullen; gij en uw kind en uw kleinkind; en daartoe behoort natuurlijk weer heel het geslacht

dat uit en na uw kleinkind komen zal.

Het is een heilige band die m;ê uitrolt zoo

ver uw geslacht zal uitrollen, en op heel dat

geslacht dat er nog niet is, maar straks er komen zal, legt de Heere uw God tientallen

van jaren vooruit zijn Goddelijke hand.

Dat alles is Zijns. Dat alles moet Hem niet

toebehooren, m*ar hoort Hem toe. Ea elke

schakel, die er uit valt, is een roof gepleegd

aan z,ijn uoddelijk eigendom.

Voor wat de innerlijke genadewerking betreft,

ligt hierin een geheimnis, dat we nooit door¬

gronden zullen. En in wat opzicht ge ook'later

blijken mocht, instrument (jrodes voor de toe¬

brenging van u,v kind en uw kleinkind geweest

te zijn, de diepste werking der genade, die t

innerlijk leven omzet, gaat toch altoos recht¬

streeks van uw God uit, ongezien en nooit

voor het menschelijk oog blootgelegd noch ont leed in zijn werking.

Ge kunt en moet er om bidden, dat die ge¬

nadewerking in uw geslacht doorga. Het is uw roeping, uu het leven van uw geslacht weg te nemen en te vermijden, al wat aan die genade¬

werking in den weg kan staan. Het is uw hei

lige plicht, alles in het leven van uw geslacht te bevorderen en in stand te houden, wat die

genadewerking bevorderen kan in het uitkoncen. Maar die de wederbaring tot stand brengt, is en

blijlt bod de Heilige beest.

Maar heel anders staat het met het boog gebod: „ Opdat gij den Heere uwen God vreezet, gij, en uw kind en uw kleinkind."

Dit toch ziet niet op die inwendige werking

van de genade, maar op het onderhouden van

een leven m de vreeze Gods, voor wat het zicht

bare in uw ssamlevine met uw kinderen en

kindskinderen aangaat.

Hier geldt het den dienst des Heeren. Het

leven in Zijn dienst. Het hebben en onderhouden van Zijn dienst in uw huis en in uw familieleven. De hoog ernstige roeping, om niet alleen zelf, maar met uw kinderen en kleinkinderen Hem de eere te geven, voor zijn Naam uit te komen, Hem te belijden, en Zijn inzet tingen in stand te houden.

Hiertoe liggen de middelen in het gezag, waarmee God u bekleed heeft, in de gehoorzaamheid waartoe Hij uw kinderen verplicht, in de liefde die Hij weeft tusschen uw hart en het hart der uwen, in het saamleven in eenzelfde gezin en in eenzelfden kring, in de macht der gewoonte en der traditie, in geheel den plicht der opvoeding.

Niet aanstonds, eerst van lieverlede weekt uw kind van u los, om een zelfstandig persoon te worden, En hoe eens die zelfstandige persoon zijn zsl, hangt voor o, zulk een groot deel af van den plooi dien gij aan de ziel van uw kind gaaft, in de jaren die aan die losweeking voorafgingen.

Nnoit dus: „Ik voor mij, ik zal mijn God dienen, en als mijn kind tot jarsn van onder scheid komt, moet het voor zich zelf kiezen." Die keuze moet zeer zeker later komen, maar die latere keuze van uw kind wordt voor verre¬

weg net grootste deel oeneersent, door wat m de voorafgaande jaren in uw kind is ingebracht.

ingeoracht ook zeer zeker door uw woord, door wat ge hem zegt en aanzegt, en door het

inzicht dat ge hem ontsloo„t in de heilsiny steries. Maar toch veel meer noe door de levens

wa: mte dtsgeloofs, waarmee ge uw kind gekoesterd

rebt m het verborgen leven van zijn hart. Door

wat ge als beeld van u zelf in uw kind hebt ingeprent. Door wat hij in u ziet, in u vond aan heilige realiteit. Door de stemming die uw

stemming van gemotu m ucm wanner nep. uoor geheel denyindruk dien uw Christelijk leven in den dienst van uw God op uw kind heeft gemaakt.

Uw kind neemt u instinctief waar. Veel beter

en scherper doorgluurt uw kind uw inwendig bestaan, dan de wereld dit kan. „Vreeze des Heeren" door bevel en vermaning maakt ook wel

indruk, maar hoofdzaak is en blijft toch, of de

vreeze des Heeren uw kind uit heel uw persoon als met geestelijke overmacht toespreekt. Vooral in de eerste jaren kent uw kind zelf zijn God nog niet. Hij ziet en kent zijn God bijna alleen door u. Straalt eu de vreeze des Heeren hem heiliglijk en krachtig uit uw persoon en uw wijze van leven toe, dan grijpt dat uw kind aan. Dan voelt het in de religie met een wezenlijke macht te doen te hebben, en het ondergaat een indruk, dien het nooit meer van zich kan zetten.

Nu moet ge natuurlijk den Heere vreezen allereerst om uw God. Maar toch, zoo ge uw kind lief hebt, is het voor uzelf een heerlijke aandrang, zoo ge tot uzelven zegt: „Laat mij toch gok om mijn kind nooit in de vreeze des

Heeren verflauwen." Dan is er een heilige wisselwerking. Dan dringt uw kind, de liefde voor uw kind u, om te meer in de vreeze des Heeren te volharden, en gij doet uw kind goed, door het steeds kiaarder onder den indruk van uw vreeze des Heeren te brengen.

Dan leeft ge ook in uw religie niet zelfzuchtig voor uzelf alleen. Maar dan voelt ge eiken morgen en eiken avond, dat ge het zieleheil van uw kind op uw ziel draagt, en juist dat heilig besef dost u te beslister in de vreeze des Heeren volharden.

Over uw kleinkind hebt ge gemeenlijk die macht nier. Slechts zelden zal uw kleinkind bij u inwonen. Gij geeft het over aan uw kind.

Maar ook dit weegt dan toch op de ziel. Ge weet vooruit, dat er voor uw kleinkind, en voor het geslacht dat daarna komt, zoo ongelooflijk veel van zal afhangen, of ge uw eigen kind bij de vreeze des Heeren hieldt.

Ge hebt niet alleen voor dit uw eigen kind te zorgen, maar door de diepe impressie van uw godsvrucht, hebt ge ook het verder liggend

doel te bereiken, om de vreeze des Heeren te bewaren in het na u komend geslacht.

Ge zijt er dus niet mee van af, dat ge uw eigen kind, zoo kwaad zoo goed 't dan ging, bij de vreeze des Heeren hebt gehouden. Neen, het is uw plipht en roeping, zoo diep, zoo ernstig, zoo doordringend en zoo intens die vreeze des Heeren in uw eigen kind te brengen, dat ook in hem straks als vader, de nawerking van uw liefdedrang werke, om ook uw kleinkind te zegenen.

Het inoet een geslachtstraditie in heel uw familiekring worden, dat gij en heel uw geslacht niet afdoolt met de wereld, maar stand houdt bij den Tabernakel des Heeren. Allen saam moet ge gevoelen, dat wie van de vreeze des Heeren onder u afweek, ook uw geslacht hoont, uw famiiie-eere te na komt, en verraad pleegt aan de heiligste traditiën van uw geslacht.

Het mag niet zijn, dat ge het uitvallen van een kind of kleinkind als de gewoonste zaak ter wereld opneemt, u daarbij neerlegt, en daarin berust. Al is 't er ook maar één, hij breekt

den gouden keten die u saamsnoerde. Ea is eenmaal dat heilig snoer gebroken, dan breekt het zoo licht al verder, tot heel uw eeslacht

aan zijn heilige roeping ontglipt.

En daarom : „God heeft op mii en ot> miin

geslacht beslag gelegd,' moet het tooverwoord

van uw saamleven blijven Niet alleen ik moet den Heere vreezen, maar met mii miin kind. en

het kind van mijn kind.

Amsterdam, i Maart 1907.

Heel ons volk heeft meêgeleefd in het

ontzettende treurspel, dat od onze kusten

plaats vond.

Een kreet van ontzettin 2 steee- od toen

de eerste mare kwam van het offer, dat de zee had gevergd. Aan rampen van aard-

Devingen, van verstikkingen m mijnen, van

stormen, die veel schepen doen vergaan, rampen waarbij niet minder menschen omkwamen, waren we in den laatsten tiid

schier gewend geraakt. Maar dat alles vond

in het buitenland plaats en sprak niet zoo machtig tot ons gevoel. Maar nu dat sterkgebouwde schip, met zijn talrijke beman¬

ning en passagiers, dat bijna de haven

binnen was, vlak bij onze kust werd oope-

1' 1. .. 1 « « - _ M. O

iiciu Goor ae solven en oo ae hazalthlnk--

ken werd neergeploft, om in twee stukken

te breken en weg te zinken in de diepte,

zagen we ais voor onze oogen dien dood¬

strijd der bemanning en werden de snaren der

ziel met innerlijk medelijden bewogen.

n,n aat diepe meaehiclen met ken die

zoo plotseling den dood in den golven von-

uen, ging gepaard met die angstige soan

ning of de weinige schipbreukelingen, die

op het wrak een schuilplaats hadden Pe-

1 O

vonuen, nog gered zouden kunnen worden.

We zijn trotsea op die kloeke zeehelden.

die geen doodsgevaar ontzagen om u/nrctp.

, , . _ ö

ende door de brekers heen die mannen en

vrouwen te bereiken. Oaze Prins Hendrik.

die zelf toeijlde om het reddingswerk te

leiden, heeft daardoor de liefde en dank

van heel ons volk verworven. En een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst, toen

eindelijk het bericht kwam, dat de laatste

tevenden waren gered.

Bevreemdend is het echter, dat met de

reddingboot alleen een pastoor der Roomsche Kerk uittoog om eeesteliike hum

en bijstand te bieden. Voor den moed van dien pastoor hebben we allen lof.

Bij hem althans leefde het besef, dat in

zoo bangen nood niet alleen voor het lichaam, maar ook voor de ziel hulp noodig was.

ïviaar voor ons, Protestanten, ligt hierin

iets beschamends. Niet éen predikaat ging mee aan boord Zelfs hoorde men niet van

eenige geestelijke vertroosting, die aan de

geredaen ot aan de diepbedroefde familie* leden der gestorvenen gebracht werd. Rome

trad terstond handelend on. maar Hf» Pr-.->-

testantsche Kerken lieten alleen bij de begrafenis van zich hooren.

Nu kan dat aan toevallige omstandigheden liggen, omdat aan den Hoek van Holland juist een pastoor woont. Maar dit feit staat toch niet op zichzelf. Onze soldaten in A'jeh spreken met de grootste

bewondering en liefde over een pastoor, die hun gevaren deelt, voor hun geestelijke behoeften zorgt, hun zieken verpleegt. Telkens leest men in de dagbladen, dat gekwetsten of verongelukten op straat in een roomsch gesticht worden binnengebracht en daar met de grootste zorgvuldigheid verpleegd worden. Een ijver, waartegenover Protestantsche onverschilligheid vaak maar al te droef afsteekt.

^ Met zekere laatdunkendheid op dezen „ijver in goede werken" van de Roomsche Kerk neêr te zien, baat u niet. Rome wint daardoor in de publieke opinie aan invloed en kracht. Veeleer hebben onze Protestant sche Kerken tot zichzelf in te keeren, en te vragen of het woord van Christus ook niet tot ons gesproken is: Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat zij uw goede werken moeren zien en uw Vader.

die in de hemelen is, verheerlijken.

Ook onzerzijds mag het zilveren feest, dat Dr. Wagenaar van Middelburg in de afgeloopen week vierde, niet onopgemerkt voorbijgaan.

Al kan niet elke herdenking van25jarige ambtsbediening in de pers afzonderlijk gememoreerd worden, toch zal niemand het wraken, dat we voor dit jubilieum een uitzondering maken Dr. Wagenaar heeft meer gedaan dan vijf-en-twintig jaren trouw de kerken te dienen, die God aan zijn zorg had toebetrouwd. Met „vader Ploos" is hij de bezielende kracht geweest, die in Friesland den stoot tot de doleantie heeft gegevers; en hij heeft trots veel zivakheid van lichaam met wonderlijke energie de F/iesche Kerken in die dagen van veel spanning en beroering geholpen, waarom zijn naam in de historie dezer Kerken steeds met eere zal worden getioemd. Toegerust niet alleen met rijke kanselgaven, maar ook met uitnemend organiseerend talent, heeft hij Leeuwarden's pas tot reformatie gekomen Kerk opgebouwd en gesticht; de kerk van Arnhem, die door den droeven afval van haar leeraar wel in neer moeilijke omstandigheden verkeerde, met vaste hand geleid, en gaat er ook thans van zijn persoon een bezielende invloed uit, die niet alleen Middelburg, maar heel Zeeland ten zegen strekt. A's vaardig strijder heeft hij daarbij niet alleen met Jiet gesproken, maar ook met het geschreven woord de kerken niet weinig gediend. De Kerkboden, die onder zijn leiding stonden, gaven nooit een onzeker

geluid. Ln al is te groote voorzichtigheid zeker geen euvel, waaraan deze schrijver mank gaat, aan de oprechtheid en trouw

zijner overtuiging brengt ieder gaarne hulde

En niet minaer dan voor het leven onzer

Kerken, heeft Dr. Wagenaar zich verdienste

lijk gemaakt voor de historie. Reeds ziin

dissertatie over Jxeveil en Afscheiding toonde

aat op mstortscn gebied de liefde van zijn hart ligt. Het beeld, dat hii van Fontanus

en raukelius teekende, gaf met krachtige trekken de beteekenis dezer Helden des

geloofs weer. Maar vooral blijft ons volk

nem dankbaar, dat hij ia zijn Willem Lode-

wijk een eere monument oprichtte voor den

kloeksten Calvinist uit Nassau» geslacht

die niet alleen voor Friesland, maar voor

neel ons land tot een „vader" is geweest

In die vrucht van jarenlange studie toonde

Dr. Wagenaar als historieschrijver zich in

zijn volle kracht. Daar vereenigden zich op zeldzaam gelukkige wijze grondigheid van.

nistoriscti onderzoek met de gave om de

historie voor het zielsoog te doen herleven

Voor d.e rijke gaven van geest en hart brengen we bij dit zilveren feest dank aan

Hem, die dezen dienaar aan zijn Kerken

schonk. En we voegen er van harte de bede

bij, dat nog' lange jaren Dr. Wagenaar en zijn hem zoo trouw ter zijde staande gade

voor ons volk worden gespaard.

Ia de Bazuin sch-ijft Prof. L Lindeboom

een zeer sympathiek woord over de pogingen

aie zuuen aangewend worden om tot oprich

tmg van eea kliniek te Amsterdam te komen

waaraan dan een leerstoel voor de psychiatrie

zou kutinen verbonden worden.

Het bestuur van de Vereen. „C. V. Kz

heeit den afdeelmgen en corpc-ratiën kennis

gegeven, dat de alacmsene vergadering, die ee

woonlijk in Sspt. worde gehouden, nu reeds in

April moet samenkomen, en wel D. V. Don

derdag 11 April, te Zwolle.

De voornaamste leden van deze vervroerin

der A, V. is van zeer groot belang. Leest slechts

punt a van de „dringende belangen , die een

spoedige samenkomst der A. V. noodig maken

„Plannen tot inrichting van een kliniek'in verband ixet een op te richten leerstoel in de

Psychiatrie en Neurologie .

„Op de Agenda zullen daaromtrent bepaalde

voorsteden in overweging woraen gegeven .

int kunnen wij nu wel reeds zeggen, dat. dit

plan en voorstel een gevoli? is, van de drin

gende behoefte aan Christelijke opleiding van geneesheeren, en bijzonder van geneesheeren vcor de Sachtingen tot Christelijke verzorging

vau JtvranKzinni^en en z.euuwnjaers.

Naar het oordeel van het Bestuur der Ver

eeniging mag er niet langer gewacht en gedraald

worden, maar is het nu de tijd, dat het van woorden tot daden kome. En er is uitzicht

j _ * — _ ? v. . . i '

aat nog in au jaar, met medewerking van de

Vereeniging, een leerstoel in de Psvcaiatrie en

Neurologie, op Gereformeerden grondslag, worde

opgeiïcni, en daaraan veroonden een kliniek, d. i. een inrichting tot verzorging van krank en,

01e ue praiuiscne ïeerscnooi kan ziin

t Is nu de eerste "vraag, of de Vereeniffinp

: j _ -1 T - . • . . . ü c*

ucrciu zaï zijd, ae met geringe kosten hieraan verbonden te dragen. Voor zulk een kliniek Z3.1 allicht een nieuwe leecting van b.v. a der-

1 * , 1 • "

naive ton nooaig wezen.

Maar — zuilen met vele eeaoeden in den

lande bereid gevonden worden, zich te verbin

den tot een extra oijdrage voor dit doel? Vijf

en twintig jar<:n lang is er al sprake van een

medisctie tacuiteit: zal men door bovenbedoel

den leerstoel en daarmede verbonden kliniek mogelijk te maken, niet medewerken om voor

zulk een faculteit den weg te effenen

een begin mee te maken ?

en ei

Met bmdschap zal deze goede tiidinp

, - * , _ " J O

zeKer vernomen woraen. De Vereemging voor Christelijke verzorging van krankzinnigen heeft daarmede een grootsch werk

aangevangen. En we verheugen ons, dat

Prof. Lindeboom, wiens krachtige invloed

op dit gebied zooveel tot stand bracht, zijn schouders onder dit werk gezet heeft.

De eerste stap op den weg naar een Christelijke medische faculteit is daarmede giïzet.

Genade-verbond en

zelfonderzoek.

XIX.

Ten slotte wijzen we nog op het eigenaardige gebruik, dat in het Nieuwe Testament van het woord volk gemaakt wordt, omdat ook daaruit duidelijk blijken kan, dat van een nationaal verbond onder de

nieuwe testamentische bedeeling geen sprake meer zijn kan.

Ia het Oude Testament wordt het begrip volk door twee woorden uitgedrukt, die een scherp onderscheiden beteekenis hebben; en het is v/el te betreuren, dat in onze Statenoverzetting dat fijne verschil niet beter is uitgedrukt. Bijna altijd wanneer van Israël, het volk Gods, sprake is, gebruikt het Oude Testament voor volk het woord am\ 'de heidensche volkeren daarentegen worden, met een enkele uitzondering, nooit am genoemd, maar gojim. Beide woorden zijn ook onzen lezers wel bekend, al hebben ze nooit Hebreeuwch geleerd. Het woord am komt voor in Hosea 1:12 waar de profeet zegt, dat Lo Ammi (niet mijn volk) door God tot Ammi (mijn volk) zal gemaakt worden. En de uitdrukking Gojim wordt nog in de jodentaal gebruikt om daarmede de christenen aan te duiden. Deze onderscheiding tusschen am en gojim diende om aan te duiden, dat de Israëlieten een gansch apart volk waren; een volk dat met de andere volkeren niet op één lijn mocht gesteld worden, een volk, dat eigenlijk het volk bij uitnemendheid was. Nog noemen de Joden zich bij voorkeur de natie, en als ge iemand vraagt, of hij „tot de natie" behoort, denkt ieder, vooral wanneer ge de a wat gerekt uitspreekt, en de t minder scherp hooren laat, dat ge hem voor een jood houdt. Zoo was Israël voor zijn eigen bewustzijn het echte volk, de ware natie, terwijl de andere volkeren

slecrits „scharen" of „menigten," minderwaardige volken waren. En waar alleen Israël den waren God kende en diende, maar d»e andere volken onbesnedenen waren, afgodendienaars, volkeren die God niet

kenden, kreeg am de religieuse beteekenis </an bondsvolk en gojim van heidensche vol¬

keren, of zelfs zonder hierbij aan bepaalde volkeren te denken, van heidenen in 't algemeen. Onze Statenvertaling geeft het dan

ook meest door „heidenen" weer en slechts

ee?i hoogst enkele maal door „volkeren". Zoo zal men ook begrijpen, waarom een Jood, als hij nijdig is, den Christen voor een gojim scheldt. Ia dat woord ligt de diepe minachting, die hij, de zoon van het

uitverkoren volk, voor u als heiden voelt

De Grieksche overzetters van het Oude Testament hebben het onderscheid tusschen deze beide woorden zeer nauwkeurig gehandhaafd. Overal waar sptake is van Israël.

gebruiken ze het woord laos, een woord dat

in t gewone Grieksch verouderd was en

daardoor gemakkelijker zich er toe leende

01x1 er een heiager beteekenis in te leggen;

het duidt evenals am aan het uitverkoren

voiic. Voor de andere volken, de gojim, ge

ui u i-.tcu uc zeventigen een meer gewoon Grit ksch woord et/mos, dat op zichzelf alleen volle bet eekent, maar nu, door de tegenstel-

nng met israei, de oeteekenis kreeg van heidensche volken. Het woord laos hebben

wij nog over m den naam Nico-laos of

Nikolaas, wat letterlijk völkso ver winnaar be-

teekent, en ook in het woord leek, datoor-

spronKi ijK xaiKos tuidde en beteekent: tot

het volk behoorende. En evenzoo gebruiken

we nog net woord ethnos in ethnographie

en etar.ologie, volkerenbeschrijving en

volkcrenkunde.

De schrijvers van het Nieuwe Testament

hebben zich bij dit spraakgebruik der Zeventigen aangesloten. Wanneer in het

Nieuwe Testament van Israël als volk

sprake is, wordt overal het woord laos gebruikt; zelfs ontbreekt hierbij gewoonlijk

elke nadere bepaling van dit volk of ons

volk; Israël is laos, het volk zonder meer.

V..-1 de andere volkeren, Grieken, Romeinen, enz., wordt daarentegen nooit als laos gesproken, maar als etlmos. Alleen in hoogdichtsrlijke taal, wanneer het doel is vele

synoniemen naast elkaar te zetten om de

volheid van het begrip uit te drukken,

zooals in Openbaringen ? : 9 enz., wordt

laos in meervoudsvorm ook voor de ae-

wone volkeren gebruikt. Maar zondert men

dit poetische spraakgebruik uit, dan is laos

de vaste, constante naam voor Israël, evenals

ethnos voor de andere volken. Men kan

dat vooral scherp zien uitkomen in de beroemde rede, die Paulus voor Koning Agrippa hield en die Lukas in Handelingen 26 ons

opteekende. la vs. 17 staat letterlijk: „ver

lossende u van den laos (de natie, de loden)

en van de.ethnè (de volkeren, de Grieken.

ea Komeinen;. nn evenzoo 111 vs. 2% „be¬

tuigende dat de Christus een licht zou ver¬

kondigen aan den laos (aan de natie, de

oden) en aan de ethnè (de volkeren in 't

algemeen )" Onze Statenvertaling heeft op

uc:ue plaatsen ïaos weergegeven door dit.

u o

spreek en zwijg niet, want ik heb veel v° (laos) in deze stad." (Hand. 18 :9, lCTtop woord volk, laos, ziet hier natuurlijk de inwoners van Corinthe, maar beteeke > gelijk onze kantteekenaren terecht optR®r.. g „vele uitverkorenen, die door uwe Prc , re zullen bekeerd worden." Ook op de aflö ^ plaatsen in het Nieuwe Testament, waar woord laos in geestelijken zin gebruikt ' zoo als 2 Cor. 6 : 16, Titus 2 : 14- k' 4 : 9! 8 : 10; 1 Petrus 2 : 9, 10; Ope". 18 : 4; 21:3, slaat het nooit op ee°

paald volk, maar wordt daardoor altijd 3d'

geduid de gemeente, het volk Gods. Dit eigenaardig spraakgebruik van

TM iAiiuro.

xv.oiaiUV.rn, wat lil UU6W *•*' 4.

niet overal genoegzaam tot zijn recht ko'^ snijdt elke gedachte, alsof onder het NieuvV Testament nog met een bepaald volk e' nationaal verbond zou zijn opgericht, v° . goed af. De typische naam van het „ volk in onderscheiding van alle andere v° ,£( is onder het Oude-Testament am en on ,

het

alifl!»

het Nieuwe-Testament lans Dat

d

h e'

laos wordt door den Heiligen Geest Nieuwe-Testament öf in theocratische® ^ gebruikt van Israël als volk, maar 'dan °°_ van Israël alleen, öf wel het duidt aa geestelijk volk, de uitverkorenen naar » voornemen Gods, een volk, dat uit de etcr' ^ de volkeren verzameld wordt. Maar nerge!,t wordt dit woord in het Nieuwe-Testafl1^,11 gebruikt van een Christelijk volk of dat als zoodanig door God geroepen 2° zijn om zijn bondsvolk, zijn laos te zijn. _

De teksten, waarop men zich gewoo»'1^ beroept om zulk een nationaal verbofi" verdedigen, bewijzen dan ook niets, z0, men maar dit eigenaardig spraakgebruik 1 het oog houdt. Wanneer in het Nieu^ Testament telkens gezegd wordt, dat °° de ethnè worden geroepen, dat God ook ?

{"i"> 11 nril wilirr A .>

™malven, uaii JJCicc

niet de volkeren als zoodanig, maar heidenen, eeliik onze Staten-nvpr/e.tticg

overal volkomen juist heeft weergege^"' Laten we het doopbevel rusten, waarop

we een vnlcrpnH maal

óe

dit

is er in het Nieuwe Testament slechts

éét1

plaats, die schijnbaar tot moeilijkheid aaj?'

leiding geven kan, nl. Opeub. 21: 24- , wordt daar van het Nieuwe Jerusalem ge' zegd: „En de volken, die zalig word^' zullen in haar licht wandelen". Hier toch, zoo zegt men, uitdrukkelijk gesprojfvan volken als zoodanig die zalig z , * «orden, wandelen zuilen bij het licht a&, van Christus uitstraalt en wier heerlij khe! en eere in het Nieuw Jerusalem zal wof^ ingebracht. Vooral de vermelding van „Koningen" dezer volkeren, zoo meent in£l5' bewijst, dat hier aan bepaalde volkere° moet gedacht worden.

Nu zij vooreerst opgemerkt, dat de woOr' den: die zalig zullen worden, niet juist zv® vertaald. Er staat letterlijk: de natiën def' genen, die gered zullen worden. Bovend'^ ontbreken deze woorden ïn de meeste haflo' schriften, waarom dan ook de nieuwe»e uitgevers van het Nieuwe Testament parig ze als een interpolatie beschou^11 en ze weglaten. Op een zoo twijfelacht;gel1 tekst een dogmatische constructie te bouv;e!1' is reeds om die reden zeer gewaagd.

Maar nog meer, omdat de apostel h«e^ spreekt in beelden aan de Oud-Testame0' tische profetie ontleend. Heel deze pericoop' waarmede de heerlijkheid van

Jerusalem geteekend wordt, sluit zich bij Jssaja 60 :3, waar staat: „En de Heide^ zullen tot uw licht gaan en de koning^ tot den glans, die U 155 ^np■pcraan.J, ^

w ' — r >-* — . .

boie'

aai

vcik, en ethnè door heidenen, wat naar de

doding zeker niet onjuist is, ook al valt

het te betreuren, dat wij in het Hollandsch

niet, evenals in het Hebreeuwsch, het Grieksch en het Latijn, twee woorden voor volk be-

rdtten, waardoor dit eigenaardig onderscheid

kan worden uitgedrukt.

T\ rr . _ . * i-i « . « •«

maar naasi aiu constante gebruik van

laos voor Israël als bondsvolk komt in het

Nieuwe Testament nog een geheel ander gebruik van ditzelfde woord voor, nu niet in uitwendig nationalen zin, als aanduiding

van een bepaalde natie, miar in geestelijken zin, als aanduiding van het ware volk Gods,

de geloovigen, de uitverkorenen. Evenals

ethnè ten slotte de beteekenis van een be

paald volk verliest en de aandui¬

ding wordt voor de heidenen in 't alge¬

meen, zoo beteekent laos niet meer een bepaalde natie, maar de gemeente, de ge¬

loovigen. Zoo zegt Jacobus op het Apostel¬

convent te Teruzalem (Hand. 1 ? : 14"):

Mannen broeders hoort mij. Simeon heeft

verhaald, hoe God eerst de heidenen (ethne)

bezocht heeir, om uit hen een volk (laos)

aan te nemen voor zijnen naam. Er is hier

geen sprake van, dat God een der met Israelietische volkeren nu tot zijn bondsvolk

aangenomen had; maar dat God uil de hei¬

denen zich een gemeente, zijn volk, bereid heeft. En evenzoo wordt tot Paulus gezegd,

wanneer hu voornemens is om uit Lonnthe

opgegaan

L ..IJ 1 .1 .. " 0

ueeiuspraaK wil, uit de taal der sym

overgezet, dus niets anders zeggen, dan^ in het Nieuwe Jerusalem plaats zal zijn n'e alleen voor Israël, maar ook voor de heid^f"' Dat bewijst het woord, dat de Aoostel h'6*.

gebruikt, want hij spreekt niet van laoi 0 verbondsvolkeren, maar van ethnè de heiden^ Zoo wordt het dan ook door alle uitleggef® van naam verklaard. ..De Anostfl schild^

hier, zegt Meijer in zija bekenden cofflB1^' taar. i;l woorden aan rle niiH.^fMmpntiS^11

, .. ——«v \/M«a wv.Jlfttiiw»-

profeten ontleend, het volk dat in de komstige stad zal binnengaan. In 't meen zijn dit, zooals in vs 27 gezegd w°^ J alleen degenen wier namen in het Boek Levens geschreven staan, maar in vs 24 2 ^ worden uitdrukkelijk ook de heidenen geduid als degenen, die in die stad op^eJ nomen zuilen worden, in overeenstem^'0^ met de oude voorzeggingen." Niet ef, exegeet heeft uit deze woorden ^

dat bepaalde volkeren als volkeren ^ uitverkoren en zalig zouden worden. 2e' Küefoth, die nog 't meest tot deze opvai£ ting neigt, drukt zich zeer voorzichtig u en zegt dat de bekeerden uit alle naties ^ het Nieuwe Jerusalem als volkeren woonplaats zullen vinden, opdat aldus ^ „volheid der volkeren" in Jerusalem 1'°. vertegenwoordigd worden. Maar alleande

uitleggers verwerpen deze exegese als &

1 onjuist, en zien in deze pro1, „a

evenals onze Kantteekenaren niet dan een belofte, dat ook de heidenen a. .<■

- ' .

in

de zaligheid deel zullen hebben. Er is pl!

anders mee bedoeld dan wat Johanne^

ire 1 to rv > 7 • a s~\ P tli

nakel Gods is

T «. ïf t r 1 * —. 1 é"i r

ifeizeiue niosr. vs 3 zeet: ..Zie. de „1

bii de mensr.he.n en H'J _\

bij hen wezen en zij zullen zijn v°lk ('fnd

f±r\ I .aH rralf u:; L ^

-t/ v" V4UU Z.CU ULJ ilCIl CU

zijn." Tegenover het particularisme

rA<- 'i - _ TSlfeU

wuiuuici uinverbalisme van uc «i-

bedeeling gesteld. Niet een bepaald v° ' maar de menschen zullen Gods volk ZIJ

v?e

KCec^tafeï.

ik

1. Dr. H. Visscher. Stemmen uit dc ^ der getuigen. Uitgegeten te Utrecht door

A- Ruys- . Tiii'

2. Wat zegt de Schrift}—Gereformeerd J schrift. Redacteur: L. Lindeboom, Hoogle aan de Theol. School te Kampen. Medewer Ds. J. Bosch Jr., Prof. Dr. H. Bouwma-• ,

i G. Doïkes. Ds. N. T. Engelberts, Vs. •

jiz,

G. I'

bevreesd, maar Hetda, Dr. T. Hoekstra, Ds. L. S.

te scheiden: „Wees niet

Sluiten