is toegevoegd aan je favorieten.

Jaarboekje, 1936, 01-01-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„in het belang van het onderwijs" moest afvloeien. Zulke dingen zijn al eens voorgekomen. Een schoolbestuur is volgens het standpunt van de grootste commissie van beroep immers vrij in zijn keuze bij het ontslag, behoudens kennelijke onredelijkheid en onbehoorlijkheid, een paar rekbare begrippen, die onze noodzakelijke rechtszekerheid maar al te zeer op losse schroeven zetten.

* *

*

Hiermee hebben we ons jaarlijks overzicht weer gegeven van de „faits et gestes" onzer Unie. Dat er gewerkt is, zal wel niemand ontkennen. Dat er nog heel wat werk te doen over blijft voor het komende jaar, zal ook wel duidelijk zijn geworden.

Daarin ligt een taak voor ieder van ons persoonlijk. We moeten aanpakken, waar zich de gelegenheid voordoet: actief zijn. Dat ligt in de aard van ons mens-zijn. Doffe berusting en een geest van defaitisme zijn onmenswaardig. Ook hierop wordt gewezen door Carlyle in zijn lezingen, die ik in het begin van mijn overzicht aanhaalde. „Ieder mens", zo zegt hij, „is niet alleen een die leert, maar ook een die doet; hij leert met de geest, die hem geschonken werd, wat geweest is, maar met diezelfde geest ontdekt hij meer". Alleen de geest-lozen versuffen op de duur, worden sleur-mensen.

„Voegen wij" — zo gaat Carlyle voort, „hierbij het droevige feit, dat als het geloof wankelt, ook de praktijk onvast wordt, en overal dwalingen, onrecht en ellende meer en meer toenemen, dan zullen wij voldoende stof voor een omwenteling vinden. Ten allen tijde moet hij, die eerlijk en trouw wil doen, vast geloven. Indien hij bij elke schrede 's werelds oordeel moet vragen, indien hij zich niet kan losmaken van 's werelds oordeel en zijn eigen oordeel daaraan onderwerpt, dan is hij een armzalige ogendienaar; het hem opgedragen werk zal slecht gedaan worden. Zulk een mens draagt dagelijks bij tot de onvermijdelijke ondergang".

In het nieuwe verenigingsjaar zullen we het 40-jarig bestaan onzer Unie herdenken. Die gelegenheid moeten we aangrijpen om ons te bezinnen op de vraag, wat onze taak voor de naastbije toekomst is. De stichters van de Unie wisten wel, wat ze begonnen, alleen maar niet, waar