is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1903, 26-03-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37e JAARGANG» OCT. 1924-OCT. 1925

No. 1903

DONDERDAG 26 MAART 1925

Du Kerk

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Contessioneele Vereeniging

Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Prof, Dr. Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold; Dr. H. SCHOKKING

te VGravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te VGravenhage..

:: Dit blad verschijnt wekelijks. ::

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter recensie zende men aan Ds.C.A.LINGBEEK te Reitsum,en alle berichten omtrent „Kerknieuws" aan H. VEENMAN Sr., Law. alleé 2e te Wageningen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN

wageningen POSTREKENING 12840 TELEFOON 184

Abonnementsprijs f 5.— per jaar Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f 2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar.

DIT NUMMER BESTAAT UIT TWEE BLAUEN

INHOUD:

le Blad: Petrus' berouw. — Het Tooropraam en al wat schoon en liefelijk is. — Amstelodamiana. — „Confessioneel" of „Gereformeerd." — Het „Christelijk volksdeel" en het verbond. — Buitenland. — Vragenbus. — Confessioneele Vereeniging. — Ingezonden. — Leestafel. Kerk en School. — Advertentiën.

2e Blad: Een schets van de Geschiedenis der beweging tot reorganisatie der Nederlandsche Hervormde Kerk, 2e Vervolg.

PETRUS' BEROUW.

En uitgaande weende hij bitterlijk Matth. 26 : 75c.

Wat wij verwacht hadden, dat ooit van Petrus zou zijn opgeteekend, deze woorden zeker niet, die wij vermeld vinden in 't allerlaatste vers van 't 26e hoofdstuk van Mattheus.

Deze man weenende!

Over tranen behoeft men zich nooit te schamen, ook al zijn 't tranen van smart over een verkeerde daad, zooals hier bij Petrus. Neen! daarover gaat onze verbazing dan ook niet. 't Gaat over 't feit, dat er in Petrus' leven zóó iets vreeselijks gebeurd is, dat hij nu z'n hart in tranen moet lucht geven.

Ziet! wie had dat nu kunnen denken, dat deze krachtfiguur, deze Simson, deze geloofsheld, deze man sans peur et sans reproche zoo diep kon vallen, er toe komen

kon om zijn geliefden meester op zoo allerdroevigste en zoo lafhartige wijze te verloochenen.

Had hij niet gezegd: „ik zal mijn leven voor XJ zetten!" ? Had hij niet plechtig verzekerd: „al werden allen aan U geërgerd, ik zal geenszins aan 13 geërgerd worden! 1

Ja, zeker! dat had hij gezegd.

Maar juist, omdat hij dat gezegd had, omdat hij zoo zeker was van zichzelf, daarom was hij ook gevallen. Jezus had er hem nadrukkelijk voor gewaarschuwd: „Zult gij uw leven voor Mij zetten ? Ik zeg u, dat, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal hebben verloochend."

Petrus stond te hoog.

Petrus dacht te goed van zichzelf.

Petrus vergat, en wilde er niet aan, dat in ons geen goed. woont.

In 't paleis van den Hoogepriester moet hij plotseling voor die waarheid bukken, onder dat vernietigend vonnis zich buigen, dat onteerend oordeel aanvaarden.

Dat is niet gemakkelijk voor den hooggevoelenden mensch. Dit is uitermate pijnlijk. Dan worden we immers onttroond. Dan moeten we afdalen van ons voetstuk. Dan moeten we ons af laten nemen de kroon, die we ons zelf om de slapen gevlochten hadden.

We droomen ons Koningskinderen te zijn op weg naar een land van geluk, van gouden zonneschijn en eeuwige lente. En ons wordt in 't oogenblik onzer bekeering, zooals hier bij Petrus, gezegd, dat wij slaVen zijn, slaven van zonde, zoekers van eigen eer, menschen, die ons zelf misleiden, Zoodat wij niet op weg zijn naar heerlijkheid, maar naar 't land van den eeuwigen dood.

Weent Petrus daarom ? Zijn dat de tranen in 't oogenblik, waarin wJj aan ons zelf ontdekt worden? Begint 't nieuwe leven met die droefheid ?

O neen! verre van dat!

Petrus krijgt daar op hesl zijn leven, dat achter hem ligt, maar vooral op zijn verhouding tot zijn Meester, zulk een geheel anderen kijk dan hij er tot nog tos. op had gehad, dat hij er als radeloos onder werd. Zóó had hij zich nooit gezien. Dat had hij nimmer van zichzelf gedacht. Zóó had hij nog nooit zijn gedachten en woorden, zijn overleggingen en spreken beoordeeld. Hij leerde hier op alles den dood schrijven, alles veroordeelen, alles overgeven.

Hij was niet voor Jezus geweest, maar tegen Hem. Hij had den Heiland niet gediend, maar in den weg gestaan. Al zijn woorden waren woorden geweest zonder inhoud, woorden zonder werkelijken achtergrond, woorden, goed bedoeld, maar zonder kracht, omdat zij niet voortkwamen uit een wedergeboren hart.

Petrus leert zich hier kennen als een vijand van God, als een afbreker van 's Heeren Koninkrijk, als iemand, die dubbel en dwars verdient, dat God hem loslaat, dat Jezus hem overgeeft, dat hij voor goed buitengesloten wordt.

Hij weent bitterlijk. Hij is zielsbedroefd, dat hij zich zoo aan zijn Meester vergrepen had, dat hij zoo de liefde van Christus met voeten had getreden, dat dit zijn antwoord was geweest op alles, wat de Heiland voor hem had willen zijn.

Hii weent, omdat hij zichzelf ziet als een

onwaardige. Hij weent, omdat hij geweldig

berouw heeft. Hij weent, omdat hij inziet, dat hij niet ongedaan kan maken, wat hij

daareven bedreven had.

Ach God!" zoo kermt 't in zijn arme

ziel, „hoe diep ben ik gevallen! Wat een ver¬

dorven zondaar, wat een onwaardig discipel, wat een allerdroevigst volgeling ben

ik!" , , Petrus moet 't gevoel gehad hebben, dat

hij nu hopeloos verloren was, dat er nu

aa.n redden eeen redding, voor behoud

geen mogelijkheid meer was, dat de toe

gang in Gods Koninkrijk nu voor nem vuu*

eeuwig was gesloten.

En ziet! toen juist was 't oogenblik van zijn behoud gekomen. Als Petrus bitterlijk weenende uitgaat, dan gaat hij zijn eeuwige zaligheid tegemoet. Want ook Hij zal straks knielen mogen aan den voet van Gol-

gotha's vloekhout, waar de Heiland ster¬

vend bad: „Vader! vergeef t hun, want zij weten niet, wat zij doen" en jubelend getuigde: „Het is volbracht."

O! alle gij bekommerden van hart! die

u van uwe zonde bewust wordt, van uw machteloosheid, van uw natuurlijke afkeerigheid: valt uw Heiland weenend te voet, belijdt den barmhartigen God al uw zonden. Gaat uit bitterlijk weenende. En gij zult ervaren, hoe heerlij k 't is in Christus dien Heiland te bezitten, die 't eens zeide: „Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden."

Leiden. Joh. W. Groot Enzerink.

HET TOOROP-RAAM EN AL WAT SCHOON EN LIEFELIJK IS.

Wij hadden gemeend over het Tooropraam geen woord meer te schrijven, daar

voor was ons de zaak niet belangrijkgenoeg. Maar nu moeten wij er toch nog eens op

terugkomen.

_ C:' . TT. Til ril

Dr. J. jp . neerens te utreent neeifc aezer rlarron P-ftn DTPP; k nahouden, ten einde de

ontrukte gemoederen in de bisscliopstfid

, .T TTÏ 1 _ ..J_ _1

wat tot bedaren te brengen. Uien itosteiijK pogen, als 't goed geschiedt!

Maar wat lezen wij nu in die preek?

„Het Katholieke hoort niet aan ééne kerk maar aan alle Christenen, aan alle kerken van alle eeuwen. Het is dan ook niet Protestantsch, maar echt Boomsch het Katholieke enghartig uit te sluiten. Gelijk ook de Boomsche kerk angstvallig hare leden tracht af te houden, van wat niet kerkelijk is goed gekeurd. Een echte Protestant wil niet in een cel leven. Die wil wijd om zich heen zien. Die wil genieten van al wat schoon en liefelijk is en welluidt, bovenal van al wat geschiedt ter eere Gods."

Dat is nu, in dit verband, o.i. een vertroebelen van de zaak waarom 't hier gaat. Want één van tweëen:

Of: in dat Toorop-raam is niets speciaal Roomscli te ontdekken; de voorstelling, die erop wordt gegeven, is zuiver Katholiek, dat is: algemeen Christelijk.

En in dat geval had de geëerde schrijver van de preek het ronduit moeten zeggen: „wij zijn natuurlijk óók tegen Roomsche voorstellingen in onze kerkgebouwen, maar zoo iets wordt in het Toorop-schilderij heel niet gevonden; de voorstelling is zuiver algemeon Christelijk,

Of: dat Toorop-raam levert, zooals alle diegenen, die er bezwaar tegen hebben meenen, wel degelijk een speciaal Roomsche voorstelling, 't ls niet de Zaligmaker, die hier op den voorgrond treedt, gezeten op den schoot zijner moeder; neen; 't is de Moeder Gods, Die hier praedomineert, en alle gezichten zien u aan met Boomsche devotie in de trekken.

En in dat geval vragen wij: waarom begint Dr. Beerens dan te spreken over „het Katholieke", dat niet toehoort aan een kerk, maar aan alle Christenen, aan alle eeuwen" ? En waarom durft hij in dat verband zeggen: „het is echt Boomsch het Katholieke enghartig uit te sluiten" ?

Immers, dan had hij behooren te zeggen: ,,het Roomsche behoort aan alle Christenen" en „het is echt Roomsch, als Protestanten het Roomsche enghartig buitensluiten".

Dan was de zaak niet verdraaid om haar aannemelijk te maken, maar voorgesteld zooals ze was en zooals Dr. Beerens haar verdedigt.

Wil men een zaak bespreken, men zegge vrij zijn meening, maar waarheid bovenal.

En nu nog één ding.

Dr. B. schrijft in het bovenstaande, dat „een echte Protestant wijd om zich heen wil zien en genieten van al wat schoon en liefelijk is en van al wat geschiedt ter eere Gods".

Dat nu is, o.i., wéér een vertroebelen van de za'ak, waarom het hier gaat.

Want zekerlijk; wanneer er in de Boomsche Kerk „schoone en liefelijke dingen" gevonden worden; wanneer aldaar iets geschiedt, „tot Gods eere", (en wij zullen geenszins ontkennen, dat er bij Boomsche Christenen zulke dingen gevonden worden!) dan verblijden wij Ons daarover, evengoed als Dr. Beerens.

Maar wij ontkennen, dat 't hier, in de questiö van dat kerkraam, gaat om zulke „schoone en liefelij keenGod verheerlijkende dingen".

Want dat is immers juist de bewering geweest van alle echte Protestanten, van Luther en Melanchton, van Zwingli en öalvijn, van Jan de Bakker en al onze andere martelaren, dat Boomsche voorstellingen, zooals op dat Tooropraam gevonden worden, héél niet schoon en heel niet liefelijk en héél niet Godverheerlijkend waren.

Zij verwierpen den geheelen Mariadienst als Godslasterlijk.

En juist daarom en daarom alleen was dan ook in den lande onder de Protestanten het bezwaar tegen dat raam in onze bedehuizen zoo groot. Men zag er niet iets schoons in, dat allen Christenen gemeen was; neen, men zag er iets niet-schoons, nietliefelijks en niet-godverheerlijkends in.

En wij gelooven, dat Dr. B., bij eenig nadenken nog wel Protestantsch genoeg zal zijn, om te erkennen, dat, hoe men ook over dat raam oordeelt, de strijd hier niet loopt over de al of niet erkenning van „het schoone het liefelijke, het Godverheerlijkende", dat nog in Bome wordt gevonden, maar over de toelating in onze bedehuizen van wat naar ons begrip, niet schoon, etc. mag heeten.

Of vergissen wij ons in deze in Dr. B.1

C. A.L.

AMSTELODAMIANA.

Ons werd ten kwade geduid wat wij ironisch schreven over de Vrijzinnigen in de hoofdstad, die, nu zij bij de tegenwoordigen predikanten niet willen kerken, noodgedwongen zich bewegen langs 's heeren straten of zitten in café, concertgebouw of bioscoop.

Dat heette minder fair tegenover een verdrukte minderheid.

Wij wenschen geen mensch unfair te behandelen en willen dus ook zeggen wat ons recht gaf aldus te schrijven.

Toen in de dagen, die wij zelf niet beleefd hebben, maar waarvan wij in onze jeugd nog vaak hoorden verhalen, het orthodoxe deel der Amsterdamsche gemeente in de minderheid en in de verdruk- . king was, wat hebben die menschen toen gedaan ?

Dreef hun religieuze behoefte hen alléén tot klagen over hetgeen in de prediking hun onthouden werd, tot protesteeren daartegen en verder tot stilzitten?

Neen, omdat er waarlijk geestelijke honger bij hen was, moesten zij 's Zondags brood hebben.

En ze zochten 't dus op den Zondag, w&ar ze het vinden konden.

Wat zat die Schotsche Kerk, als Dr. Schwartz preekte, eivol!

En die Nieuwe Kapel, waar Ds. Brandt voorging, als was 't ook in een vreemde, in de Duitsche taal!

En als Da Costa bijbellezing hield, was bijkans zijn geheele huis, tot gangen en trappen toe, kerkgebouw.

En bij Ds. de Liefde verdrong men zich in diens eigen gebouwd kerkje op de Boommarkt.

Zoo toonde men het allerwege: het was maar niet alleen te doen om den baas te spelen in de Hervormde Kerk; neen, er was een levende behoefte.

En dat is nu iets, wat wij doorgaans missen bij de Vrijzinnigen.

Aan betuigingen van hun religieusheid (waarover een orthodoxe liefst zelf niet spreekt) en aan klachten over niet-bevrediging van de religieuze behoeften geen' gebrek.

Maar aan betooningen, dat er waarlijk levende behoefte was, o zoo weinig!

Daarmede ontkennen wij niet, dat er onder de aanhangers der Moderne leer, ook onder de predikanten, lieden zijn met godsdienstige aspiratiën.

Maar wat de uitwerking der Moderne prediking betreft: hoe anti-orthodoxer zij de menschen maakte, des te indifferente? in den regel ook tegenover Kerk en godsdienst. Van dat fijne gedoe moeten de meesten niets meer hebben.

Baadpleeg de cijfers maar eens in de z.g. Moderne gemeenten.

En denk aan de drie laatste Moderne predikanten, in de hoofdstad, wier aan-