is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 35, 1922-1923, no 1821, 30-08-1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35e JAARGANG. OCT. 1922- OCT. 1923

No. 1821

DONDERDAG 30 AUGUSTUS 1923

Ds (9mforimüriïi? Keitk

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Dr. Th. L. HAITJEMA te Apeldoorn; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwoid; Dr. H. SCHOKKING te 's-Gravenhage; Dr. A. TROELSTRA

te 's-Gravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te 's-Gravenhage.

:: Dit blad verschijnt wekelijks. ::

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter reeensie zende men aan Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum, en alle berichten omtrent „Kerknieuws" aan Ds. J. JELLSMA te Wageningen. Voor advertentiën en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN

wageningen POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Abonnementsprijs f 5.— per jaar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f 2 —, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar.

INHOUD: Het 25-jarig jubileum van onze geëerbiedigde Koningin. — „Het evangelie" der Modernen. — Nog eens de plannen van het Convent. — Kinderen in de kerk. — Vragenbus. — Uit de Synode, III. — Leestafel. — Kerk en School.— Advertentiën.

HET 25-JARIG JUBILEUM VAN ONZE GEËERBIEDIGDE KONINGIN.

Want de schilden der . aarde, zijn Godes. ; :; '

Psalm 47 : 10m.

Hoe beeldend is de taal, die .de Bijbel ons spreekt.

De overheden des lands worden hier genoemd „de schilden der aarde."

Wij, in onzen tijd van moderne bewapening, weten eigenlijk niet wat een schild is.

Oudtijds wist men dat beter. Zonder schild stond men bloot aan de zwaardslagen of pijlen van den vijand. Zonder schild was men geen oogenblik veilig. Maar het schild was voor den krijger als een bewegelijke muur, midden in het gewoel van den krijg. Wie er achter school, hoorde en zag wel den vijand en zijn wapenen, maar voelde die niet.

Ja, van zóó groote beteekenis was het bezit van een goed schild, dat het zelfs als beeld op den Heere wordt toegepast. Immers:

„Als God mijn hulp en schild wil wezen, Wat zal een nietig mensch mij doen?" zoo klinkt het de eene maal. En in een anderen geliefden psalm zingen wij het, nog altijd en telkens weer, uit, dat:

„God de Heer, zoo goed zoo mild,

Is t' allen tijd' een zon en schild."

En daarmee wil de Bijbel ons dan dit leeren: wie den Heere tot Zijn God heeft, die is altijd veilig en overal veilig.

Maar nu wordt in onzen tekst dat beeld van dat schild op vorsten en overheden toegepast. En dan wordt daarin zoo duidelijk uitgebeeld, waartoe de Heere God ze heeft willen geven.

Menigeen in onzen tijd is besmet met den geest van zijn tijd, droomt Socialistische of Anarchistische droomen en vraagt: waartoe nog langer dat Oranjehuis; of zelfs: waartoe nog langer die Overheden ? Maar wij hebben in onzen tijd van onzen God aanschouwelijk onderwijs ontvangen, en aan andere volken is het ons getoond: de Overheid verdwijnt alleen om, niet voor de vrijheid, maar voor de tyrannie en voor het wreedste geweld plaats te maken.

Daarentegen, de Overheden zijn als schilden gegeven. Dat wil zeggen: ze zijn niet ten kwade, maar ten goede. Zij dienen niet ten vloek, maar ten zegen. Zij dienen niet om een betamelijke vrijheid te ontnemen, maar integendeel om onrecht en tyrannie zooveel mogelijk te voorkomen en om het recht, ook van den zwakkere, te handhaven. Daarom noemt de apostel de Overheid ook: Gods dienares, u ten goede.

,,De schilden der aarde" hoe gepast wordt ons dat beeld, wanneer wij in 't bijzonder letten op de geschiedeni van ons eigen volk.

Of, is niet het Huis van Oranje, nu reeds eenige eeuwen ^ lang, voor ons volk in, waarheid tot een schild geweest ?

In den tij d van Spaanschen enRoomschen druk, toen ons volk en onze Kerk dreigden onder te gaan, toen heeft God de Heere ons een schild gegeven in den onvergetelijken en onvergelijkelijken Willem van Oranje. Die voor ons de slagen heeft opgevangen, totdat hijzelf eindelijk te Delft bloedende neerzeeg; en die zoodoende het middel is geweest, waardoor volk en Kerk zijn bewaard en tot bloei gekomen.

En als in latere dagen ons volk soms eigenwillig den band, waarmee God 't aan Oranje had verbonden, verbrak, dan heeft het ook ondervonden, dat het zijn schild had weggeworpen, want dan regende het slagen.

Maar ook, na loutering, gaf een God van genade ons dat schild weder. Oranje kwam weer en, met Oranje, verlossing en bescherming.

Maar hoe zouden wij van die schilden kunnen spreken, zonder dat onze gedachten werden heengeleid naar de geschiedenis van het laatste tiental jaren? Waarin, onder de ons omringende kleine en goote volken, het is gekomen tot een vernietigenden strijd niet alleen, maar ook tot een wegwerpen van alle schilden, maar waarin 't dan óók is gekomen tot een ellende, waarvan wij nog dagelijks hooren en die wij ons eigenlijk niet eenmaal kunnen voorstellen.

En dan verrijst te midden van zooveel schrikkelijks, voor onzen geest het beeld van haar, die God de Heere, nu vijf en twintig jaren geleden, aan ons volk ten schild heeft willen geven, en die Hij onder alles ons ten schild heeft willen laten: onze geëerbiedigde, maar ook zoo hartelijk geliefde Wilhelmina van Oranje, die wij door Go'ds goedheid nog mogen noemen: Hare Majesteit, onze Koningin.

Was zij niet, tot op dezen dag, ons een schild om trotsch op te wezen; neen liever, om onzen God daarvoor nederig te danken ?

Ja, „de schilden der aarde zijn Godes".

Daarom zullen die God waarlijk vreezen op een gedenkfeest als thans gevierd wordt allereerst ootmoedig voor hun God nederbuigen, om den Naam Zijner goedheid te danken, die ons zulk een schild heeft willen geven.

Maar dan zullen zij, al is het slechts in den geest, den troon van onze lieve Koningin een oogenblik komen omringen, en zij zullen met elkaar Haar een warmen dank en hulde gaan brengen, daarvoor, dat zij ons in zoo bangen tijd tot schild heeft willen strekken, waarbij zij het zeker ook heeft ondervonden (meer dan menigeen vermoedt) dat een schild te zijn wel een eere is, maar dat 't ook inheeft: zelf slagen op te vangen, om die van anderen te weren.

Maar dan eindelijk zullen zij 't ook manmoedig tegenover elkander en tegenover ieder ander uitspreken: wij willen Neerland houden, maar wij willen ook onze Koningin houden, want zij is een schild, van God ons gegeven. Met Oranje staan of met Oranje vallen wijl

Maar dan, nog eens: „de schilden der aaide ?ijn Godes".

Dat wil in ons geval zeggen: wij hebben een drievoudig snoer, waarvan niet één draad kan worden gemist; dat is het snoer van God, Oranje en Nederland.

Maar èn Oranje èn Nederland zijn Godes. Dat wil zeggen: Hij wil, Hij moet daarin de eerste zijn.

En zonder Hem vallen ook Nederland en Oranje uiteen en kunnen ze nooit bestaan.

• Welaan, zij er dan op de naderende

uJZi. ° -tëb safe JSL x

gedenkdagen éénerzijds geen valsche jubeltoon, die bij den ernst der tijd niet past. Maar ook anderzijds geen mokkend nederzitten en voorbijzien van wat God de Heere ons heeft gegeven en gelaten.

Maar bovenal, worde dit besef gewekt en levendig gehouden bij ons volk van Nederland, hetwelk zoo veel gunsten heeft genoten, dat wij dan alleen, maar ook dan waarlijk, veilig de toekomst kunnen tegengaan, als wat eenmaal een Aldegonde aan Vader Willem in den mond legde ook mag zijn en blijven de grondtoon van ons volksleven:

Mijn schilt ende betrouwen Syt ghij, o Godt mijn Heer! Op u soo wil ick bouwen,

Verlaet mij nimmermeer....

C. A. L.

„HET EVANGELIE" DER MODERNEN.

Naar aanleiding van de procedureMiddelie kon men in den laatsten tijd in Moderne bladen de verzekering vinden dat de predikant van Middelie toch „het Evangelie predikt".

Nu is het Evangelie niet een vormeloos stuk leem, waarvan de één kan zeggen: ik kneed er zulk een beeld van, en een tweede: en ik een ander. Neen, het is een vaststaande grootheid, die in den Bijbel tot ons komt, die wij hebben aan te nemen of te verwerpen, maar waarvan niemand iets anders kan maken. Of, indien iemand het toch doet, dan verkrijgt hij eenvoudig wat anders dan het Evangelie, maar dan is het „Het Evangelie" niet meer.

En dat Evangelie, het woord-zelf zegt het ons reeds, het is een goede of blijde boodschap, die God aan ons menschen laat verkondigen; dat er nog troost en genezing en redding en uitkomst voor onze arme zielen is te vinden.

Luisteren wij naar Johannes, dan omschrijft die het ons zóó, dat God, „alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet zou verderven, maar het eeuwig leven hebben."

Of hoort iemand 't liever van de andere Evangelisten, dan zullen zij 't ons verhalen, hoe de engel des Heeren, nog voordat de Heere geboren was, het aangaande Hem is komen verkondigen: „Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonde."

En dan hoort hij 't daar den Zaligmaker zelf verzekeren, dat Hij is gekomen, om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.

En in allerlei schoone gelijkenissen hooren wij den Heere verhalen van dien goddelijken bruiloftsmaaltijd, dien de Vader heeft aangericht voor Zijn Zoon, en waartoe nu de gasten moeten worden genoodigd. En als zij, die zichzelf te waardig achten, op die noodiging geen acht slaan, dan worden armen en blinden en kreupelen en lammen genoodigd. Want de Koning wil Zijn groote goedheid betoonen en Zijn huis moet vol worden.

En dat Evangelie, — wat het ons brengt

als wij het geloovig aannemen, Paulus omschrijft het aldus: „wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof hebben vrede met God." En „zoo is er dan nu geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn."

En Petrus verhaalt ons van den Zaligmaker, dat Hij „zelf onze zonden in zijn lichaam heeft gedragen aan het hout", door wiens striemen gij genezen zijt."

Dat komt het Evangelie ons brengen: redding en genezing voor onze door de zonde verloren, zielen!

Welaan, om te bewijzen, dat hij, naar de belofte afgelegd bij de aanvaarding der Evangeliebediening, ook waarlijk het Evangelie predikt, komt nu in het Moderne blad de Hervorming de predikant van Middelie ons zijn Evangelie bekend maken.

„Het evangelie van Jezus is allerminst prediking van eenig dogma, maar opwekking tot dat hooger leven hetwelk eeuwig heeten kan wijl het uit God is en voor alle tijden en alle menschengeslachten gelden zal. Want de oproep tot liefde en rechtvaardigheid, tot het dienen.Gods en van den naaste, moet ook onder ons weerklinken en zal eeuwig worden herhaald zoolang onvolmaakte menschen een weg des behouds zoeken. Nimmer verouderd zal ook de prediking zijn der wedergeboorte als eerste voorwaarde om tot het hooger leven te kunnen stijgen, terwijl tevens de waarschuwing niet overbodig blijkt, dat het hooger leven niet gelegen is in eenigen vorm, of leer, maar in die gezindheid des harte welke liefdevolle overgave aan God zal kunnen heeten.

Deze oproep tot verwezenlijking van een leven uit en tot God is de kern van het evangelie.

Men hoort het: géén troostboodschap; niets van de aloude verkondiging van Gods genade in Christus geopenbaard, bevat dit z.g. Evangelie. Niets anders vindt ge er in dan een „oproep tot liefde en rechtvaardigheid" en tot „een hooger leven". Met andere woorden: wat hier „Evangelie" heet is bij ons een Wet, omdat het wel eischt, maar niets brengt of belooft of geeft.

En als dan verder gevraagd wordt, waarom het Evangelie nog het Evangelie van Jezus Christus zal heeten en wat dan het leven en lijden des Heeren erin te beduiden heeft, dan antwoordt de predikant van Middelie ons alzoo:

„Nog wordt gesproken van Jezus Christus. En vergankelijk is hier de gedachte dat de historische Jezus van Nazareth in realiteit als Zone Gods gekruisigd is en ten derde dage lichamelijk uit het graf verrezen, Maar onvergankelijk is het symbool"....

Met andere woorden: al wat de Kerk belijdt aangaande het kruislijden en sterven, de opstanding en verheerlijking van den Zaligmaker mist historische waarde en heeft nog alleen waarde als een zinnebeeld.

En waarvan is het dan een zinnebeeld ? De predikant van Middelie zal het u verhalen:

„In ieder menschenkind is een hooger, goddelijk zelf, dat Christus kan worden genoemd, daar het uit God zelf is. Het lijden van Christus is zinnebeeld van wat eeuwig wederkeerend plaats vindt in het leven van den mensch en in het leven der menschheid. Het goddelijk zelf wordt gekruisigd, het wordt geborgen in het graf en toch — eeuwig herrijst het in ons en om ons."

Nu is deze quasi-diepe zinnebeeldige verklaring van het lijden van Christus o.i. niets dan reine onzin. Want wat uit