is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 39, 1926-1927, no 2015, 19-05-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuur''', toen weer een poging tot rechtsherstel der classicale vergaderingen was mislukt, aan op het allereerst zoeken nu van rechtsherstel der plaatselijke gemeenten. „De plaatselijke Kerkgemeenten", schreef hij (blz. 68), ,,kunnen bij de Synode aandringen op herstel van recht en een verklaring afleggen in den geest, waarin zij 16 Juli 1888 van Nijland is uitgegaan."

Eerst de plaatselijke gemeente, eigen gemeente. Of juister nog, gelijk ook in de reorganisatievergadering werd gezegd: eerst eigen ziel en laten we er in overeenstemming met 1 Tim. 3:4 en 12 maar aan toevoegen eigen huis.

Dit dan de goede volgorde: eigen ziel, eigen huis, eigen gemeente, eigen kerk.

Als daarbij dan n.1. maar ernstig gewaakt wordt tegen het: eigen ik, eigen positie, eigen zaakje, eigen partij, eigen partij kerk — tegen alle eigen verheerlijking van het „wij"-christendom.

Ernstig gewaakt tegen het „zielverdervend eigen", waarvan Gez. 68 : 2 spreekt, en wel bedacht, dat „wij uit ons eigen onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad."

Dat doet ons verstaan, dat het tot het rechte begin met het eigene alleen kan komen aan 's Heer en voeten.

Beginnen we met het eigene zoo op zichzelf staande zonder meer, dan is dat eigene verkeerd- Des te gevaarlijker, als het vroom wordt bij zichzelf, een vroom eigen ik en een vroom eigen zaakje evenals bij de Farizeërs.

Alleen aan 's Heeren voeten, in Zijn gemeenschap door 't geloof, wordt het verkeerde bekeerd. Dan toch gaat het bij al het eigene niet meer om het eigene, maar om Hem. Dan is Hij daarvan eind en einddoel, wijl Hij dan van alles is het begin. Hij de Alpha en de Omega, die als het Hoofd alles omvat en in de eenheid zijns lichaams samenvat.

Zóó wordt aan 's Heeren voeten het rechte herstel van alles gevonden, herstel van eigen ziel, van eigen huis, van eigen gemeente, van eigen kerk.

Want dan wordt al het eigene des Heeren-. „Gij zijt van Christus en Christus is Gods."

Dan draait het, wat eigen hart betreft, niet meer alles om eigen ik. Dan wordt het, naar het kostelijke eerste antwoord van onzen Heid. Catechismus, mijneenige troost in leven en in sterven, dat ik niet meer mijns, maar mijns Heeren eigendom ben. Dan komt het tot de rechte zielzorg, waarbij nu in ons blad de Pastorale schetsen en brieven ons bepalen. Dan wordt niet langer eigen belang slechts gezocht, maar eigen zielezaligheid en zieleheiliging, en dat niet om eigen vroomheid te verheerlijken, maar 's Heeren genade alleen (1 Cor. 1 : 18—31).

Dat brengt ook de rechte geest in eigen huis. Iets hoogers wordt er zoo gezocht, dan het: „My house is mycastle", mijn huis

is mijn kasteel, waarin ik baas ben. Immers in zoo'n huis breekt ten slotte de strijd der „opstandigen" uit, waarbij ieder baas wil zijn. Neen, eigen huis wordt dan ook 's Heeren eigendom. Hij ook daar het eenig Hoofd en het hoofd des huizes Zijn eerste dienaar, die namens zijn huis betuigt: „Mij aangaande, ik en mijn huis, wij zullen den Heere dienen."

Zoo krijgen we het rechte christelijke (wilt ge: gereorganiseerde, geheiligde, bekeerde) gezin, waarvan het schoone huwelijkslied zingt:

Welzalig 't huis, o Heiland onzer zielen! Waar Gij de vreugd, waar Gij de vriend van

zijt.

Waar allen saam voor God als "Vader knielen,

En aan zijn dienst zich ieder heeft gewijd.

■■»«**«!?

Als onze tijd aan iets behoefte heeft dan is het aan zulke gezinnen en als in onzen tijd ergens tegen dient gewaakt, dan zeker tegen de ondermijning van het christelijk huisgezin, 'b Is daarom zeer van pas, dat Ds. Bakker aan deze zaak .verschillende artikelen ia ons blad wijdt.

Met het eigene beginnen aan 's Heeren voeten, dat brengt voorts ook de rechte gesteldheid in de eigene, de plaatselijke gemeente.

Dan geen autonome dominé, die de plaatselijke gemeente beschouwt als zijn domein, dienstbaar aan zijn positie, terwijl, als er meerdere dominees in een plaatselijke gemeente zijn, er dan ook evenveel van zulke domeinen zijn. Hierover klaagt Paulus, als hij schrijft: „Ze zoeken allen het hunne, niet dat van Christus Jezus is."

Geen autonome dominees, maar dan ook geen autonome gemeente, geen kudde, die in haar „zelfstandigheid" begeert, dat haar herder achter haar aanloopen en 't in alles naar haar autonomen zin maken zal.

Dan ook geen autonome gemeenten, die in haar verhouding tot elkaar op stoffelijk en geestelijk gebied slechts opkomen voor eigen ,,rechten", voor anarchistische „vrijmaking" van allen band, om van elkaar gansch los te zijn of ook een vrije overeenkomst en vrij partijverband aan te gaan geheel naar eigen autonomen zin, om ook desgewenscht te handelen volgens den regel: „Ben ik mijns broeders hoeder ?"

Neen, dan wil de herder en leeraar dienen, allereerst zijn dienaar des Woords, dienaar des Heeren en om zijnentwil dienaar Zijner gemeente Dan wil hij dit gaarne zoo praktisch en doelmatig mogelijk doen, gelijk dit door Ds. Berkelbach van den Sprenkel op een der vergaderingen zoo juist werd uiteengezet. Dan wil ook de gemeente met hem vragen naar 's Heeren Woord en Zijn alleen autonomen wil om daarnaar alleen zich te voegen.

Dat Woord en die wil zijn dan ook de band, die plaatselijke gemeenten welke alle des Heeren zijn, onderling verbindt, een in gemeenschappelijk dienen van Hem, één onder des Heeren heerschappij. Een

dan ook in het dienen van elkaar om Zijnentwil als leden van Zijn lichaam en ook elkanders leden. 1 Cor. 12 is evenzeer op de verhouding van individueele gemeenten als op die van individueele geloovigen toepasselijk.

Hier is nu tevens gegeven de weg tot kerkherstel.

Of wilt ge: „vrijmaking", 't Zij zoo. Maar dan vrij making nooit om onbelemmerd eigen autonomen wil, (ook niet met Dr. Kuyper een democratische, autonome gemeentewil) te volgen. Vrijheid slechts om afzonderlijk en gezamenlijk onbelemmerd te dienen Woord en wil van Hem, die in dezen dienst alleen waarlijk vrijmaakt. Vrijheid voor het ambt om onbelemmerd te functioneeren, d.i. vrijheid voor den gezant om dienstbaar te zijn aan de eer van zijn Zender en aan den opbouw Zijner kerk.

Daartoe hebben dan ook de plaatselijke gemeenten saam te komen" in meerdere vergaderingen, om saam te openbaren hun eenheid in onderworpenheid aan aller Hoofd en Heer, om samen te vragen naar 't geen Hij door Zijn Woord en Geest zegt over dat dienen van Hem en van elkaar en over de bevrijding van alles, dat bij dien dienst belemmert.

Zoo verliezen we aan 's Heeren voeten al het eigene, verkeerd als het is, waar het staat op zichzelf. We verliezen dat alles aan Hem, eigen ziel, eigen huis, eigen gemeente,eigen kerk, om het dan te hervinden en te herkrijgen alles in zijn gemeenschap gesteld en aldus bekeerd en hersteld. Het eigene te hervinden als het Zijne, eigen ziel als Zijn lid en eigen kerk Zijn lichaam, vrij en zalig onder Zijne heerschappij.

J. Ch. K.

BUITENLAND.

Rusland. Kentering in Kerk en religie. In het bolsjewistisch Rusland valt een onmiskenbaar geestelijk gistingsproces waar te nemen. Wij zouden niet durven beweren dat dit verschijnsel op zichzelf beschouwd winst beteekent voor het Koninkrijk Gods, maar het is merkwaardig genoeg om er nota van te nemen.

Het is bekend hoe de revolutie zich gekeerd heeft tegen de heerschappij der Kerk; hiervan onderging natuurlijk allermeest den invloed de Orthodoxe Staatskerk, die door hare verhouding tot den Staat en door hare rijkdommen groote macht had en op hare beurt een gewillig instrument van de regeering was geweest. Haar bestaan was dan ook met de Czarenregeering nauw verbonden. In hare gebeden duidde zij den Czaar aan als „de meest autocratische groote Heer"; deze moest zijn goedkeuring hechten aan de benoeming van bisschoppen, terwijl de opperprocurator der Heilige Synode staatsambtenaar was. Uit de staatsmiddelen ontving de Kerk jaarlijks ongeveer 150

millioen roebel. Het totaal aantal geestelijken bedroeg omstreeks 190000. Op de scholen was het godsdienstonderwijs in den geest der Orthodoxe Kerk verplicht.

Bij de revolutie ging het niet het minst om het breken van de politieke, economische en geestelijke macht der Staatskerk. De Grondwet sprak daartoe formeel de scheiding uit van Kerk en Staat en van Kerk en School en erkende tegelijk „de vrijheid van religieuze en anti-religieuze propaganda." De Kerk verloor hare inkomsten uit de staatskas en door de verbeurdverklaring der kerkelijke goederen ook de baten hiervan, zoodat zij werd aangewezen op vrijwillige bijdragen harer leden. Sommige kerken en kloosters werden aan den dienst onttrokken en als wèlonderhouden musea ter bezichtiging gesteld.

De Orthodoxe Kerk zelf is in twee groepen uiteengevallen; het eene deel is teruggekeerd tot het patriarchaat van vóór Peter den Groote, het andere heeft het synodaal bestuur behouden, de huwbaarheid der bisschoppen ingevoerd en het Russisch inplaats van het kerkslavisch toegelaten. Dogmatisch bestaat tusschen beide deelen nauwelijks verschil.

Het communisme in Rusland is principieel tegen elke religie gekant; de staat heet in de grondwet neutraal ten opzichte der religie. Maar het nauw verband tusschen staat en communisme heeft tengevolge, dat de neutraliteit van den staat op godsdienstig terrein een welwillend karakter toont jegens het anti-religieuze, met dien verstande evenwel dat de uitoefening van den openbaren eeredienst volkomen vrijgelaten wordt. Het communistisch partijprogramma verplicht de partij tot organisatie van de „allerbreedste wetenschappelij k-verlichtende anti-religieuze propaganda," maar voegt er als voorbehoud aan toe dat het noodzakelijk is zorgvuldig „alle ergernis van de gevoelens der geloovigen te vermijden, welke slechts leiden kan tot versterking van het religieuze fanatisme."

Nog onlangs heeft in dienzelfden geest het centraal bestuur der Russische communistische partij een circulaire gericht tot de plaatselijke afdeelingen, om deze erop te wijzen dat de anti-godsdienstige propaganda toch vooral een „rustig karakter" moet dragen. Het onhoudbare en onjuiste van den godsdienst in de praktijk aan te toonen is, zoo heet het in bedoelde circulaire, beter dan polemiseeren. Niet slechts ten opzichte van de boeren, maar ook met het oog op de arbeiders dient groote voorzichtigheid betracht te worden wat betreft de antigodsdienstige actie, omdat in de laatste jaren vele boeren, die van huis uit „alleszins gelijk als godsdienstiger" zijn, tot den arbeidersstand zijn overgegaan.

Hiermede is weinig in overeenstemming dat volgens een bericht in de Times in verband met het laatstverloopen Paasch-

PASTORALE BRIEVEN

door J. C. Ryle.

Hebt gij den Heiligen Geest?

II.

Het beslissende gewicht dezer vraag. 2.

Waarde Lezer,

Vergeet niet, dat als gij den Geest niet hebt, gij een ongereinigd hart hebt en niet bereid zijt voor den hemel.

De hemel is de plaats waar alle menschen na den dood hopen te komen. Maar het zou voor velen goed zijn eens rustig te overdenken wat voor plaats de hemel is. Het is de woning van den Koning der koningen, die te rein van oogen is om het kwade te aanschouwen, het is dus een heilige plaats. Het is de plaats, waarvan de Schrift zegt: „daarin zal niet komen, dat ongerechtigheid werkt." Het is een plaats, waar niets zondigs of onreins zal zijn, niets wereldsch, dwaas of lichtzinnigs. Daar zal geen geld meer zijn, voor den gierigaard.

Daar zullen geen wedrennen, tooneelvoorstellingen of bals meer zijn voor den wereldling.

Daar zal geen drank, geen spel meer zijn voor den wellusteling.

De altijddurende tegenwoordigheid van God, van de heiligen, van de engelen, het altijd doen van des Vaders wil, dat is het, wat den hemel tot hemel maakt. Het zal een eeuwige Sabbath zijn.

Voor den hemel zijn wij van nature allen ongeschikt. Wij kunnen het geluk en den zegen ervan niet op prijs stellen. Wij hebben geen oog voor zijn schoonheid. De hemel zou voor ons slavernij zijn inplaats van vrijheid. Inplaats van een prachtig paleis zouden wij het een gevangenis vinden. Een visch op het droge, een schaap in het water, een arend in een

kooi, zouden zich beter op hun plaats voelen dan een natuurlijk mensch in den hemel. „Zonder heiligheid kan niemand den Heer zien."

Het werk des Geestes is om de menschelijke ziel te vormen voor dezen hemel. Hij alleen kan het aardschgezinde hart veranderen. Hij alleen kan het stemmen voor het eeuwig durend samenzijn met God en Christus, met heiligen en engelen. Hij slechts kan u doen beminnen, wat God bemint en haten, wat God haat. En dat doet Hij voor een ieder, die gered is. Er staat van geloovigen geschreven, dat zij „door Gods genade zijn gered" maar het is „door de vernieuwing des H. Geestes". zoowel als door het „geloof in de waarheid".

Lezer, laat u dit in het geheugen zijn geprent. Geen ingaan in den hemel, als niet op aarde de Geest in uw hart is ingedaald. Geen toegang tot de heerlijkheid van het leven hiernamaals zonder voorafgaande heiliging in dit leven. Gij zoudt er niet geschikt voor zijn. Gij zoudt er niet van genieten. Het woordje „heilig" wordt veel gebruikt. Men spreekt van „heilige kerk", „heilige doop", „heilige dienst". Maar er is iets veel belangrijkers en dat is om door den Geest te worden gevormd tot een heilig man. Wij moeten in dit leven deel krijgen aan de goddelijke natuur. Wij moeten in den Geest zaaien als wij het eeuwige leven willen maaien.

Als gij den Geest niet hebt, hebt gij geen recht om een waar christen genoemd te worden.

Naar wereldschen maatstaf is iemand spoedig een christen. Als hij gedoopt is en een eereplaats inneemt, dan is de wereld voldaan. Hij mag een geloof hebben als een Turk en niets van den Bijbel weten. Hij mag handelen zóó, dat een eerlijke Hindoe hem beschaamd zou zetten. Wat

doet het ertoe ? Hij is gedoopt, gaat af en toe naar de kerk. Wat wilt ge meer? Als ge hem geen christen noemt, zijt ge zeer liefdeloos.

Maar er is veel meer noodig om een christen te zijn overeenkomstig Gods Woord. Daartoe is noodig: de verkiezing van God den Vader, het bloed van God den Zoon, de heiliging van God den Geest. Deze drie moeten te samen het werk doen om een kind van Adam te maken tot een waar christen. „

Dit is een diepzinnige waarheid, die met eerbied moet besproken worden, maai' als de Bijbel er beslist over spreekt, spreken wij er ook beslist over. „Niemand" zegt Gods Woord „kan zeggen Jezus de Heer te zijn dan door den H. Geest". Ware christenen zijn geboren uit den Geest, zij worden geleid door den Geest. Door den Geest dooden zij de werkingen des vleesches.

Hun goede werken zijn vruchten des Geestes. Zij zijn tempelen des H. Geestes. Door den Geest worden zij gesterkt. Door den Geest verwachten zij de rechtvaardigmaking door het geloof. Dit zijn duidelijke uitspraken van de Schrift. Wie durft ze weerspreken ?

Het diepe bederf van de menschelijke natuur zou redding onmogelijk maken, als het niet was door het werk van den Geest. Zonder den Geest zijn 's Vaders liefde en de verlossing des Zoons vruchteloos. De Geest moet ze toepassen, zullen wij ze waarlijk bezitten en niet verloren gaan.

Niets minder dan het woord van Hem, die op den scheppingsdag zeide: „Er zij licht," en er was licht, — moet in onze harten klinken, voordat wij kunnen opstaan tot een nieuw leven. Hij, die nederdaalde op het Pinksterfeest, moet nederdalen in onze arme, doode zielen, voordat zij het koninkrijk Gods zien zullen. Verschillende aandoeningen kunnen de opper¬

vlakte van ons hart beroeren, maar ze bereiken nooit ons innerlijke wezen. Sacrament en prediking mogen ons een schijn van godsdienst geven, maar zonder den Geest is -er geen leven in. Predikanten kunnen lidmaten aannemen en de kerk vullen met hoorders, maar alleen de almachtige kracht des H. Geestes kan ware christenen maken en den hemel vullen met gezaligden.

Lezer, laat dit woord nooit vergeten worden: geen H. Geest, geen waar christendom. Gij moet den Geest in u hebben, zoowel als Christus voor u, zult gij zalig worden. God moet uw Vader zijn. Jezus moet gij kennen als uw Verlosser, de H. Geest moet gij hebben tot heiligmaking, of het ware u beter nooit geboren te zijn geweest.

Waarde lezer, dit is geen geheimzinnige of afgetrokken redeneering. Het is geen vraag waarvan het antwoord onbeteekenend is. Het is een vraag, waarin de eeuwige vrede van uw ziel ligt opgesloten: „Hebt gij den Geest?"

Gij kunt deze vraag onaangenaam vinden of veeleischend, maar ik houd vast aan de uitspraak van Gods Woord en dan zeg ik, dat God door den Geest in uw hart moet wonen hier op aarde of gij zult nooit bij God wonen in den hemel. „Hebt gij den Geest."

„Ja," kunt gij zeggen „ik weet er niet veel van, Ik hoop, dat Christus genadig zal zijn. Ik hoop eindelijk in den hemel te komen". Mijn antwoord is: niemand kreeg deel aan de genade van Christus, zonder den H. Geest. Niemand werd gerechtvaardigd zonder geheiligd te zijn. Niemand ging naar den Hemel, die niet was geleid door den Geest.

Lezer, den Geest te hebben, is van het uiterste gewicht. „Hebt gij den GeestV'