is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 39, 1926-1927, no 2017, 02-06-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

band, dat zij1 naar haar wezen het lichaam is, dat Jezus Christus heeft tot zijn Hoofd?

Door dit innerlijk wezen nu wordt, als 't wel is, haar gansche uiterlijke verschijning, ook haar organisatie bepaald. Ook bepaald wat al of niet in haar thuis hoort. Naar haar uiterlijke verschijning behoort de kerk dus te zijn openbaring van het lichaam van Christus. In haar behoort niet, wat met die openbaring niet strookt, al wat Christus niet openbaart, maar verbergt, wat Christus niet belijdt, maar miskent en loochent. Is Dr. Niemeyer dat met ons eens of begint hier het verderfelijke confessionalisme ?

Wat in de kerk al of niet thuis hoort, leert ons ook de parallel, die we trokken tusschen Kerk en Heilige Schrift.

Een rijke verscheidenheid van boeken werd in den Bijbel opgenomen. Maar er was een grens.

De grens tusschen canonieke en apocriefe boeken. De apocriefe werden buitengesloten.

Deze grens was niet willekeurig. Waaraan onderkende en onderkent de Kerk de bijbelboeken als canoniek d.i. als gezaghebbend tot regeling van geloof en leven? Luther zeide terecht: hieraan, dat ze „Christum treiben". Dat is hun bestaansdoel geheel overeenkomstig Jezus' eigen verklaring, dat ze van Hem getuigen. Uitdrukkelijk wordt dan ook aan 't slot van het evangelie van Johannes omtrent den inhoud van deze Schrift verzekerd: „Deze zijn geschreven, opdat gij gelooven zoudt, dat Jezus is de Christus en dat gij geloovende het leven hebt in Zijnen naam."

Datzelfde geldt nu van de kerk als openbaring van het lichaam van Christus. Voor haar is, wat Christus niet belijdt en zeker wat Christus loochent, een vreemd bestanddeel, dat ze, gelijk ieder levend lichaam, door haar levensfuncties poogt uit te stooten. En, evenals een vreemd bestanddeel, dat in het lichaam blijft een verzwering werkt, die doodelijk kan zijn en 't lichaam tot ontbinding brengt, als dat bestanddeel er niet uitzweert, zoo wordt ook de kerk, als die uitstooting niet gelukt, zoo krank, dat het ten slotte tot haar dood en ontbinding moet leiden. Johannes zegt het immers met ronde woorden in zijn brief, dat zoo'n geest in de kerk niet behoort. „Alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de eeest van den Antichrist, welke geest

gij gehoord hebt, dat komen zal en is nu aireede in de wereld." Hier is niet een partij in het Christendom, maar de tegenpartij tegen het Christendom.

Beschouwt Dr. Niemeyer, dit dan als

PASTORALE BRIEVEN

door J. C. Ryle.

Hebt gij den Geest?

IV.

Werkingen des Geestes. 1.

Waarde Lezer,

Laat mij nu ten slotte mogen beschrijven de bijzondere werkingen, die de Geest voortbrengt in de zielen, in welke Hij woont.

Dit deel van mijn onderwerp beschouw ik als het allerbelangrijkste. Tot hiertoe sprak ik in het algemeen over de groote beginselen, die ons bij het onderzoek naar het werk des Geestes moeten leiden.

Nu moet ik nader spreken over de bijzondere merkteekenen, waaraan de tegenwoordigheid des Geestes in een hart kan onderkend. Gelukkig zijn, met den Bijbel als onzen gids, deze merkteekenen niet moeilijk uit te vinden. Wil dan, mijn lezer, hieraan uw bijzondere aandacht geven, opdat het blijke of in uw ziel deze merkteekenen worden gevonden.

Voordat ik ten volle op het onderwerp inga, moeten enkele opmerkingen gemaakt om den weg te banen.

Ik stem toe, dat er sommige diepe geheimenissen zijn, wat het werk des Geestes betreft. De wijze, waarop Hij komt in het hart, kan ik niet verklaren.

„De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt noch waar hij heengaat. Alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is." Ook kunnen we niet verklaren, waarom hij in het eene hart komt en niet in het andere, maar we weten dat het zoo is. We kunnen immers evenmin verklaren, waarom wij in een christenland geboren zijn en niet in het heidensch Afrika. Het is ons genoeg te weten, dat al Gods werk goed gedaan is. Het is mij genoeg aan 's konings hof te zijn, zonder in 's konings raad te zitten.

De werkingen des Geestes zijn zeer verschillend. Er is verschil, wat de leeftijd betreft. Tot sommigen komt Hij in de jeugd, zooals bij Johannes den Dooper en Timotheus, tot anderen op later leeftijd, zooals bij Zacheus.

het verderfelijk confessionalisme, dat achter alle reorganisatiestreven schuilt, waarom aan dat streven in een of andere commissie geen oogenblik voet mag gegeven?

In ieder geval Dr. N. erkent, dat niet alle verscheidenheid in de kerk behoort, al heeft hij o dan daarbij ter synodevergadering verzwegen, welke niet. O.i. behoort toch zoo iets op een synode gezegd en als dan de Haagsche synode een vergadering is, waar dit niet kan gezegd (wat wij ook meenen), dan oordeelt daarmee de synode zichzelf, waar ze den schijn van een kerkelijke vergadering ophoudt, zander het te zijn. Is dat de oorzaak, waarom ze altijd weer met de helft + 1 de reorganisatie, ja zelfs het onderzoek naar haar, afwijst, omdat ze niet aan dien schijn wil zijn ontdekt, wijl dat haar doodvonnis zijn zou ? Zal ze daarom ook in 't vervolg van geen commissie van onderzoek zelfs willen weten? Zal zij het blijven verwerpen als verderfelijk confessionalisme, als haar de roeping op het hart wordt gebonden, om zich uit te spreken aangaande het belijdend karakter der kerk?

Dit zijn zeer ernstige vragen.

Door de orthodoxe leden der synode behooren toch zeker deze vragen met ernst onder de oogen te worden gezien.

Op hen rust, wat dit betreft, een zeer groote verantwoordelijkheid. Mag waarlijk een synode, die slechts administreert en krachtens haar wezen zich niet uitspreekt over de vraag, wat in een kerk van Christus thuis hoort en wat niet, zich als hoogste kerkvergadering aandienen en handhaven en zoo het samenkomen eener rechte kerkvergadering verhinderen ?

Is dit geen zelfhandhaving ten koste van Christus? En dat, terwijl ieder Christen, iedere kerk, iedere kerkvergadering geroepen is zich te verloochenen om Christus wil, opdat Hij niet worde geloochend, maar gepredikt en beleden ?

'k Had nog iets willen zeggen naar aanleiding van het zeer belangrijk referaat Christologie en Kerk, waarin Prof. Dr. Lindeboom dieper ingaat op de zaak, die Dr. N, slechts aanroerde.

Voor ditmaal willen we echter eindigen met deze vragen voor het geweten van de orthodoxe leden der a.s. Synodevergadering neer te leggen. Hun verantwoordelijkheid is grooter dan ooit, omdat ze ditmaal verre de meerderheid vormen.

Binde het levend Hoofd der Kerk zelf

hen deze verantwoordelijkheid op net hart. Geve Hij hen wijsheid, getrouwheid en geloofsmoed.

Stijge daartoe 't gebed voor hen op van allen, wien het geestelijk welzijn onzer kerk ernstig ter harte gaat.

J. CH. K.

Er is verschil, watbetreft de gevoelens.

Sommigen worden door een weg van verschrikking geleid, zooals de gevangenbewaarder van Philippi, anderen worden zachtkens geleid als Lydia de purperverkoopster. Bij enkelen is de verandering plotseling, als bij Saulus van Tarsen. Anderen worden geleidelijk toegebracht als Nicodemus. Door verschillende middelen worden zielen opgewekt. Voor enkelen gebruikt de Geest een preek, voor anderen den bijbel, een tractaat, een ziekbed of ook er is geen bijzondere weg aan te wijzen, 't Is een groote vergissing te meenen, dat allen dezelfde ervaringen moeten doormaken.

Het begin van het werk des Geestes is vaak klein en onmerkbaar. De oorsprong van het geestelijk leven is vaak gering, evenals die van een groote rivier vaak niet meer is dan een onbeteekenend beekje. Daarom wordt de aanvang van het geestelijk leven in de ziel dikwerf door de wereld voorbijgezien, veelal niet genoeg gewaardeerd en aangemoedigd door andere christenen, en bijna zonder uitzondering niet verstaan door de ziel zelf.

Laat dat nooit vergeten worden. Degeen, in wien de Geest begint te werken, bespeurt doorgaans eerst veel later, dat zijn gemoedstoestand tijdens zijn bekeering werd gewerkt door den H. Geest.

Evenwel, zij die den Geest ontvangen mogen aanvankelijk langs verschillende wegen worden gevoerd, toch worden zij altijd vroeg of laat geleid in denzelfden smallen weg. Hun wenschen, hun wandel, zijn altijd gelijk. Zij mogen verschillen in karakter, maar de H. Geest heeft toch op ieder dezelfde uitwerking. Er moge al verschil zijn in de ervaring van hen in wier hart hij werkt, maar in geloof en leven zijn zij toch één.

Wat is dan de uitwerking, die de Geest heeft op allen die Hem bezitten?

1. Zij, die den Geest hebben, worden door Hem geestelijk levend gemaakt. „De Geest is het, die levend maakt," zegt de Heere Jezus. Wij zijn allen dood in zonden en misdaden. Wij hebben geen geloof, geen hoop, geen liefde. Onze harten worden in

HUWELIJKSGELUK.

Wanneer Gods Woord zijn macht over het geweten van den enkelen mensch en de samenleving in haar geheel verliest, dan worden tenslotte alle banden verscheurd en de trouwen werpt men van zich. Dan is het niet te verwonderen, integendeel het wordt ons door datzelfde Woord voorzegd, dat ook zelfs de teedere en toch hechte band van het huwelijk straks niet meer bindt en, gelijk ik het dezer dagen ergens heel euphemistisch las, ..het liefdeleven als een verstikkende rook" binnendringt in alle geledingen der maatschappij.

Ja, het liefdeleven!

Maar niet van die liefde, die nimmermeer vergaat. Neen, het „liefdeleven", gelijk ons dat in schelle kleuren voor oogen wordt geschilderd in Spreuken VII. Een „liefdeleven", dat de meest tegennatuurlijke vormen kan aannemen. Een „liefdeleven", dat gelijk staat met dierlijke hartstocht. „Haar huis zijn wegen des grafs, dolende naar de binnenkameren des doods."

Dezer dagen kreeg ik een brochure toegestuurd over de vraag of wij voor „een nieuwe liefdes-ethiek" komen te staan. De schrijfster, die zich „een gewone huismoeder" noemt, zegt zeer goede en gezonde dingen. Daarin vond ik o.a. ook de volgende statistiek. Dorre cijfers, maar met eene heele geschiedenis in den zak.

De drie laatste volkstellingen, in 1900, 1910 en 1920 leerden dan, dat er in ons kleine Nederland respectievelijk het volgend getal ongehuwde vrouwen waren tusschen de 30 en 55 jaar.

In 1900 130.424 1910 157.187 1920 185.671

Het totaal aantal vrouwen van dienzelfden leeftijd bedroeg:

in 1900 683.510 1910 817.665 1920 996.234

Daaruit blijkt dus, dat in Nederland de drie laatste decenniën het aantal ongehuwde vrouwen van dien leeftijd elke 10 3 aar met ± 30.000 is toegenomen, en dat op elke 5 vrouwen van dezen leeftijd er 1 ongehuwd is; indien men iets juister wenscht te cijferen ± 2 op elke elf. Ik geef opzettelijk hierbij niet de getallen van ongehuwde vrouwen tusschen 25 en 30 jaar, omdat de verhoudingen dan nog veel ongunstiger zouden lijken, en omdat een groot aantal vrouwen van dien leeftijd nog in het huwelijk treedt.

Het aantal ongehuwde mannen van dienzelfden leeftijd was voor

de Schrift met steenen vergeleken. Wij mogen leven voor geld, voor politiek, voor genot, maar voor God zijn wij dood.

Dit alles wordt anders, als de Geest in het hart komt. Hij wekt ons op en maakt ons tot nieuwe schepselen. Hij neigt onzen wil tot God. Hij geeft ons een nieuw hart.

Hoe groot was het verschil tusschen Lazarus in het graf, en Lazarus op 's Heeren bevel uit het graf uitkomende. Zoo groot is het verschil tusschen iemand, in wien de Geest niet woont, en iemand, die door den Geest levend is gemaakt.

Oordeel zelf, of iemand wiens hart vol is van alles behalve van God, den Geest kan hebben.

2. Zij, die den Geest hebben, worden door Hem onderwezen. De Heere Jezus beloofde: „Hij zal u alle dingen leeren." Wij zijn van nature onwetend; „de natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Zij zijn hem dwaasheid." Onze oogen zijn verblind. Wij zien alles in een valsch licht. Maar de Geest verandert dit alles. Hij opent onze oogen. Hij verlicht ons. Hij schijnt in onze harten en doet ons de dingen zien, zooals zij zijn. Geen wonder, dat ware christenen elkander dadelijk begrijpen en eenzelfden grond van vertrouwen hebben. Zij hebben allen dezelfde taal geleerd van iemand wiens lessen zij nooit vergeten.

Lezer, kan iemand, die niets weet van de waarheden der Schrift en die blind is voor zijn toestand, den H. Geest hebben?

3. Zij, die den Geest hebben worden door Hem geleid tot de Schrift. Dat is Zijn werktuig. De Schrift is: „het zwaard des Geëotes." Zij, die wedergeboren zijn heeten „geboren uit het Woord". Alle Schrift is door Hem ingegeven. Hij doet, dengene, in wien Hij woont, „zijn vermaak vinden in de wet van God". Zooals de kinderen Israëls gevoed werden met manna in de woestijn, worden de kinderen Gods door den Heiligen Geest gevoed met Gods Woord.

Kan iemand, die den Bijbel niet of alleen uit gewoonte leest, den H. Geest hebben ?

4. Zij, die den Geest hebben worden door Hem overtuigd van zonde. Dit is de

1900 124.627 1910 140.661 1920 157.671

Deze cijfers zijn in de jaren na 1920, naar te vreezen staat, nog veel ongunstiger geworden.

Natuurlijk zijn hieronder, zooals men dat noemt, pathologische gevallen. Mannen en vrouwen, die door hun gezondheidstoestand op geen enkele manier in de termen vallen voor het huwelijk. Niettemin zal ieder, die het er mede eens is dat men, tot een bepaalden leeftijd gekomen, het huwelijk als de normale levensbetrekking mag aanmerken, toegeven, dat het beeld, door de bovengegeven cijfers uitgedrukt, een treurig beeld geeft van de tegenwoordige maatschappij. Vooral, wanneer men daarbij weet, dat deze cijfers hoofdzakelijk drukken op de meer ontwikkelde, daofe hw?xi"witueerde kringen in ons . volksleV{iiV:erafïiuïers, onder het volk trouwt in den gewonen regel de jongeman, wanneer hij in de buurt van de 25 is aangekomen; doch diezelfde jongeman uit meer intellektueele kringen vindt het niet geraden zich al den last en de zorg van een huishouden op den hals te halen; tenminste, hij ziet er tegen op en wacht.

185.000 vrouwen van 35 tot 55 jaar, door de volkstelling van 1920 als ongehuwd vermeld; en daarnaast 157.000 mannen! Hoeveel teleurstelling en leed zou zich achter deze getallen verschuilen ?

Geld en sexe, zijn de beide regeeringspersonen, die de wereld besturen, zegt men. Wie de wereld kent, weet dat die beiden waarlijk een hoofdrol op het groote levenstooneel vervullen. Die bittere waarheid dringt zich in het hedendaagsche leven krachtiger dan ooit tevoren aan ons op. „De veilige beslotenheid in twee sterke armen," zooals iemand het plastisch uitdrukte, is ook voor de vrouw dezer twintigste eeuw, ondanks de ruime plaats die zij dank zij emancipatie en wat daarmede samengaat in het maatschappelijke leven veroverde, nog altijd de hoogste levensvreugde. Is dat wonder, wanneer reeds op de eerste bladzijde van onzen Bijbel staat, dat het niet goed is dat de mensch alleen zij ? Een hulpe te wezen naast den man harer keu: e, kinderen te drukken aan het moederhart, de ziel te wezen van het gezin, haar door God geschonken, is dat nog niet veel mooier dan afdeelingschef te wezen op een kantoor, of jaar en dag voor de klas te staan, of de maatschappij te dienen in het ambt van dokter of advokaat ? Overeenkomstig de ordinantiën van den al wijzen Schepper is en blijft het huwelijk de vervulling van de hoogste en innigste wenschen der vrouw. Daar kan geen evolutie of wat ook, iets aan gebeteren.

belofte des Heeren: „wanneer de Geest komt zal Hij de wereld overtuigen van zonde." Hij alleen kan iemand de oogen openen voor zijn groote schuld tegenover God. Hij doet dat altijd, als Hij tot de ziel komt. Hij toont ons het bederf van ons hart en legt de tollenaarsbede op de lippen: ,,o God wees mij zondaargenadig."

Wij mogen al voor een oogenblik verontrust worden, ziekte kan ons hart verzachten, maar ons hart verhardt zich weer, tenzij het wordt verteederd door den adem des Geestes. Overtuiging, niet door den Geest gewekt, gaat voorbij als een morgenwolk.

Wie nooit de last van zijn zonde voelde en er nooit door werd verontrust en neergebukt, zou die den Geest hebben ?

5. Zij, die den Geest hebben, worden tot Christus geleid om redding. Wij willen van nature onzen eigen weg naar den hemel banen. Wij meenen, dat wij vrede met God kunnen maken. Van die blindheid geneest ons de Geest. Hij leert ons dat slechts het bloed van Jezus kan reinigen van zonde en dat alleen door Zijn voorspraak God den goddelooze kan rechtvaardigen. Hij toont ons de schoonheid van de rechtvaardigmaking door het geloof. Zooals de duif vliedt tot de rotskloof, zoo vlucht de ziel van hem, die den Geest heeft tot Christus om in Hem te rusten.

Lezer, wie niets weet van geloof in Christus kan die den Geest hebben?

6. Allen, die den Geest hebben worden door Hem geheiligd. Hij is „de Geest der heiligheid". Wanneer Hij in het hart woont, leert hij den vrede najagen en liefde, blijdschap, lankmoedigheid zachtmoedigheid, geloof, geduld, matigheid. De zonde heeft geen bekoring meer. Verzoeking is hun leed en het is hun tot schaamte, als zij er door overvallen worden. Hun grootst geluk is om te wandelen dicht bij God.

Lezer, wie zelfs niet tracht te leven naar de geboden Gods, kan die den Geest hebben ?

(Wordt vervolgd).