is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 39, 1926-1927, no 2033, 22-09-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar zegt," iemand — „wees nu in de gegeven omstandigheden eens praktisch."

Welnu, laat ik dan mogen herinneren aan 't geen Ds. H. Schokking in zijn voorlaatste brief aan Secundus schreef: Als met het voorstel aangaande de Walen tegelijk wordt aangenomen het voorstel over de groote Synode -van 45 leden, dan houden de Walen hun synodezetel en hun invloed, alleen dan één van een veel grooter getal zetels. Zoo hebben ze dan een positie, meer in overeenstemming met hun werkelijke beteekenis.

Waarlijk, wij willen de Walen niet van allen invloed beroofd zien.

Maar 't moet rechtmatige invloed zijn.

Op de beschreven wijze zou niemand kunnen klagen, dat er geen recht was geschied.

J. CH. K.

EEN ANDER OORDEEL.

't Bovenstaande kon wegens plaatsgebrek niet dadelijk worden opgenomen. Dat kan ook wel eens z'n voordeel hebben. Nu althans konden we vóór de plaatsing nog kennis nemen van een geheel ander oordeel over de genoemde zaak dan dat van Ds. H. voorkomende ook ('k zeg het tot eer van, dit blad) in het Weekblad voor Christendom en Cultuur, het oordeel nl. van prof. Brouwer, een serieus man, die ook als we soms van hem verschillen, 't ons nooit moeilijk maakt hem au sérieux te nemen.

In dit geval stemmen we geheel met zijn oordeel overeen.

Hier volgt een stuk uit het artikel, dat we als 't mogelijk was, wel gaarne geheel hadden opgenomen:

Er is, zullen wij voorzichtigheidshalve zeggen, kans, dat de Walen hun vertegenwoordiging in de Synode komen te missen.

Dit is genoemd: gebrek aan piëteit, rechtsverkrachting, minderwaardig partijgedoe. De Walen toch zijn „modern". Nu zet de rechtzinnige meerderheid hen er uit. En dat is een leelijke stieek, zeggen de modernen.

Om met dit laatste te beginnen: zeggen de modernen dit zonder eenige partij-overweging ? Is het louter belangeloos opkomen voor het verdrukte recht ? Of is dit oordeel even partijdig als het besluit der rechtzinnigen in hun oog ? Ik kan het niet helpen, maar de blanke onschuld van de eene en het zwarte verraad van de andere partij komt mij wat verdacht voor. Misschien is het beter, dat pot en ketel elkaar niet verwijten dat zij zwart zijn.

FRIESCHE BRIEVEN.

Bijbelvastheid.

Een der Friesche (kerkganger) karaktertrekken is ook nog zijn bijbelvastheid. Hij houdt er n.1. van dat de Schrift woordelijk wordt aangehaald. Een luk-raak citeeren of op den klank af aanhalen is hem een ergernis. Hij wil weten, dat en hoe 't er werkelijk staat.

Dit hangt natuurlijk samen met de eigen Friesche vastheid van weten-wat-je-aaniemand-hebt. De opvattingen van een Fries

wijzigen zich niet met het wassen en afnemen van de maan. Wat hij 's Maandagsmorgens beweert, wil hij Zaterdagavonds nog kunnen zeggen.

Deze vastheid is in den lande bekend als

de befaamde Friesche stijfkoppigheid. Dat een Fries vanwege deze stijfkoppigheid heel wat heeft te verduren gehad in den loop der staatkundige en kerkelijke eeuwen, is een waarheid als de Dom van Keulen. Als man van één stuk kan en wil hij tot het bitter end op zijn stuk staan en wil hij weten van bukken noch buigen.

Deze eigenschap komt op zijn sterkst uit bij geschillen. Als een Fries meent gelijk te hebben, dan zal hij nooit toegeven of wijken, zelfs al zal een „eeuwige" familie veete er het bitter gevolg van zijn. Zijn vasthoudendheid rekent hij tot zijn eer, en die „eer" gooit bij nooit te grabbel. Wee! zelfs, wie die „eer" durft aanranden. Om die „eer" waagt een Friesche „stijfkop" heel wat. Zelfs als 't moet een schier hopeloos proces. „Schikken" of „in der minne bijleggen" zijn zaken, die in het Friesche volksleven weinig of niet gevonden worden. „Het recht" moet ten slotte dan maar uitmaken, wie er gelijk geeft.

Deze eigenschap heeft echter haar lichtzijde ook.

Want zij bewijst, dat je op de menschen aan kunt. Van een vandaag-zegenen en morgen-vloeken is bij den-in-doorsneeFries geen sprake. Als men hem heeft, dan heeft men hem heelemaal, van boven tot beneden en van binnen naar buiten.

En pakt hij eenmaal iets mee aan, dan «eeft hii zich ook geheel aan de zaak.

Nu dient opgemerkt, dat „dadelijk" of „aanstonds" „aanpakken" niet in zijn aard ligt. Hij mag eerst heel graag „de kat uit den boom kijken". M.a.w. eerst neemt hij een afwachtende houding en wil (eerst) weten „of 't gaan zal". Vandaar het ver¬

schijnsel, dat een Fries niet licht het initiatief tot iets neemt.

En deze natuurlijke eigenschap openbaart zich op kerkelijk terrein eveneens. Dat spreekt van zelf.

En ook hier toont zij hare goede zijde.

Zij heeft die getoond vooral in de doleantie-dagen. Waar er op voorgang van don plaatselijken predikant een zekere Kuyper-navolging gekweekt was, ging men welbewust met de doleantie mee. Waar deze ontbrak kwam van de doleantie niets terecht. Het „blijven" of „heengaan" was — gegroepeerd om den plaatselijken predikant dan —- betrekkelijk zelfbewust.

Maar de eigenschap van vasthoudendheid toont zich wel op het aantrekkelijkst waar het de bij bel vastheid betreft. Bijv. een gezond Friesohe hoorder hoort iets in de preek, wat hem, wat de verklaring betreft, „verdacht" voorkomt. Dadelijk ziet hij, thuis gekomen, de statenbijbel er op na en zijn vertrouwen keert terug als de „kantteekenaren" er precies zoo over denken.

Nog treffender komt dit uit bij een theologisch dispuut. In Friesland stelt men geen meening tegenover meening zonder meer. Maar elke meening moet gestaafd met een beroep op de Schrift.

Wie de Schrift aan zijn zijde heeft of krijgt, heeft het gewonnen. Men heeft ontzag voor wat het „Boekje" zegt. De uitspraak der Schrift is einde van alle tegenspraak.

Met de Schrift kan men iemand overtuigen en dan ook zoo, dat diegene zijn stuk royaal loslaat. Want „bijbelvastheid" wordt tot een eer gerekend. Daarvoor of deswege een opgevatte meening prijsgeven of loslaten is voor den Fries geen „heksenwerk".

Een stoere Fries (wij beluisterden 't zelf) zei eens, niet te1 kunnen begrijpen, dat Luther —- en Luther was toch de eerste de beste niet — zóó kon denken over den Jacobus-brief als hij er over dacht. „Dan moest er toch wat aan den Jacobus-brief mankeer en."

Een handige spreker gaf toen als tegenopmerking dit: „dat hij ook niet kon begrijpen, dat er van Jezus' discipelen waren, die, bij de dure zalving van Maria, Judas gelijk gaven. Zij waren toch Jezus' discipelen! En zij dwaalden toch!"

„En als nu discipelen van Jezus met dwaling behept waren, dan kon Luther zich toch ook vergaloppeeren."

Met deze bijbelsche parallel was 't pleit beslecht: Luther kon dwalen.

Deze bij bel vastheid kan ook weer te ver gaan. Want als men een preek enkel met een aaneenrijging van bijbelteksten juist daarom mooi vindt, dan wordt het bedenkelijk.

Doch daarover wellicht later eens.

Insider.

VRAGENBUS.

VRAGENBUS.

Zijn de Roomsche Kerk en Hervormde Kerk de valsche Kerk. Geldt voor ons nog de Wet van het opbrengen van tienden?

Een lezer schrijft ons:

Voor eenigen tijd vond ik toevalligerwijze in het Gereformeerd Jongelingsblad de volgende vraag beantwoord:

Vraag: Kan en mag men, volgens art. 29 onzer Belijdenis, de Roomsche, maar ook de Hervormde Kerk als valsche kerk verklaren ?

En op die vraag was in het Gereformeerde Jongelingsblad het antwoord : Ge leest de kenmerken van de ware en valsche kerk in het door u genoemde artikel. Op grond van dat artikel hebben onze vaderen in de 16e eeuw met de Roomsche kerk in haar organisatie gebroken, wijl deze niet was naar den woorde Gods, gelijk die uitkwam in het pauselijk stelsel. En op grond van ditzelfde art. zijn onze vaderen in verzet gekomen tecfen bet Hervormd Kerkgenootschap in

zijne organisatie van 1816; en toen zij de kenmerken der ware Kerk wilden handhaven, werden zij uitgezet. Onze vaderen scheidden zich dus niet van het genootschap af: omdat er geen kinderen Gods meer in zouden zijn; ook niet omdat er geen predikanten meer waren, die de waarheid verkondigden, noch omdat er een officieele verklaring van de synode zou gegeven zijn, dat de Schrift niet meer was de grond van het Christelijk geloof en het bindend gezag der beliidenis was opaeheven, maar omdat

na 1816 het lichaam der kerk, zoowel in leer als in kerkregeering, niet was in overeenstemming met Gods Woord, maar strijdig was met het Koningschap van Christus.

Voorts wilt ge wei voortaan spreien vau het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap. Dat is de naam dien wij aan de Hervormde Kerk toekennen sedert de organisatie van 1816.

Antwoord orazerzijds. Zooals ge ziet, wordt in het antwoord om de zaak heengepraat.

De vraag was pertinent, of en de Roomsche Kerk en de Hervormde, op grond on zer belijdenis, voor de valsche Kerk zijn te houden. In het antwoord wordt gezegd, dat de Vaderen in de 16e eeuw met de Roomsche organisatie hebben gebroken, wijl ze niet was naar het Woord en dat evenzoo de Gescheidenen met de Hervormde Kerk braken, omdat ze „in leer en kerkregeering niet was in overeenstemming met het Woord van God."

Merkt nu om te beginnen, hier wel op, dat die „Gereformeerde" schrijver wel spreekt in afkeurenden zin over de leer der Hervormde Kerk, hoewel de officieele, nooit afgeschafte leer der Hervormde kerk is die der drie formulieren van eenigheid, maar dat hij, wat de Roomsche kerk betreft, alléén afkeurend spreekt over hare organisatie „gelijk die uitkwam in het Pauselijk stelsel", en dat hij zwijgt over hare leer; en dat hoewel de officieele leer der Roomsche Kerk een zwaren vloek uitspreekt over een ieder, die gelooft en belijdt wat Luther en Calvijn ter zaligheid beleden.

Daaruit alleen zien wij hoe schrikbarend Paapschgezind deze zich noemende „Gereformeerde" schrijver reeds is.

Merkt verder op, dat over de vraag, die toch gesteld was, of de Roomsche Kerk en ook de Hervormde Kerk als de valsche zijn aan te merken, met geen woord wordt gerept.

Dat zwijgen over wat gevraagd was heeft zijn redenen!

Ie. Dr. Kuyper heeft de leer uitgevonden van de pluriformiteit der kerken. Volgens die leer is er eigenlijk geen ware en valsche kerk, maar zijn er vele ware kerken van verschillend gehalte en is dus eigenlijk ook de Roomsche Kerk niet meer de valsche. Wat men echter, gezien wat de belijdenis ervan zegt, niet zoo rondweg durft uitspreken.

2e. Als men de vraag zou moeten beantwoorden, of de Roomsche Kerk voor de valsche is te houden en de Hervormde even goed; zou men aan het vergelijken moeten gaan.

En dan zou men vinden:

Wat de Organisatie betreft: dat de Roomsche Kerk heeft aan haar hoofd een Paus, die zich aanmatigt te zijn de Stedehouder van Christus op aarde, onfeilbaar in al wat hij leert, aan wiens leer zich dus ieder Christen blindelings heeft te onderwerpen. Dat daarentegen de Hervormde Kerk van Koning Willem I een bestuursinrichting ont¬

ving, die geen bevoegdheid. verKreeg om zien in leerzaken te mengen, die dan ook in geen enkel reglementsartikel er aanspraak op maakt in zake de leer krachtens haar eigen gezag iets aan de leden te kunnen voorschrijven, en die er dan ook altijd op uit is geweest zich, zooveel mogelijk, buiten leervragen te houden en een ieder daarin vrij te laten. Nu zeggen wij geenszins, dat dit laatste de gewenschte kerkregeering is,

maar wel wijzen wij op het groote onderscheid tusschen een Organisatie, die zich in leer- en kerkregeering openlijk in de plaats van Christus stelt en ééne, die bloot

de kerk administreert en bij eiKaar nouat. (De laatste is eigenlijk geen kerkregeering, maar een zaakwaarneemdster, zoolang de bij de Kerk passende regeering ontbreekt). Dat groote onderscheid echter wil de

/ V''KO QÖT»/"1 O ' ' TTQ.n VllAI' Vinvpin ver-

j HU" ^'

zwijgen; hij wil het doen voorkomen alsof de Pauselijke regeering eigenlijk met die der Hervormde Kerk op één lijn stond. En daarom vermeldt hij alleen, dat ze beide niet deugen. Nu moet de eenvoudige lezer daaruit maar opmaken, dat dus de Hervormde Kerk in deze op één lijn staat met de Roomsche.

Verder zou men bij vergelijking hebben gevonden:

wat de leer betreft: dat de Roomsche Kerk in haar officieele leer o.a. den banvloek heeft uitgesproken over een ieder, die gelooft en belijdt, dat een mensch door het geloof gerechtvaardigd, wordt, zonder de werken der Wet. In de Roomsche Kerk is het dus feitelijk ongeoorloofd en onmogelijk het Evangelie naar de Sc hriften te prediken, te gelooven en te belijden.

Daarentegen heeft niet alleen de Hervormde Kerk nooit de officieele belijdenis der Gereformeerde Vaderen afgeschaft, zoo¬

dat die belijdenis (ook volgens de verklaring van Dr. Kuyper) nog altoos de alleen wettige belijdenis is der Hervormde Kerk, maar wordt in de Hervormde Kerk ook niemand een stroo in den weg gelegd, als hij

die Gereformeerde of Bijbelsche leer predikt, gelooft en ter zaligheid belijdt.

Dus nog eens: m de Roomsche hk.erK de Bijbelsche Evangelieleer officieel vervloekt. InVie Hervormde Kerk, de Evangelieleer

wel niet overal gehandhaafd, maar toch officieel nog erkend en dan ook door tienen tienduizenden gepredikt, geloofd of ter zaligheid beleden.

Dat zou men gevonden hebben, als men aan het vergelijken was gegaan, maar de

„Gereformeerde" schrijver had gewichtige redenen om juist niet te vergelijken.

Welke redenen ?

Hij wilde: le. het verkeerde van de Roomsche Kerk zooveel mogelijk bemantelen.

En hij wilde: 2e. hetgeen de Hervormde Kerk ten goede onderscheidde van de Roomsche zoover mogelijk op den achtergrond dringen. Want er mocht voor den vrager geen gelegenheid overblijven om te vragen of men dan, evengoed als men in de 16de eeuw scheidde van de Roomsche Kerk, die het Evangelie veroordeelde, nu in dezen tijd ook reden en recht had om te scheide i van de Hervormde Kerk.

Om deze redenen zwijgt de ondervraagde in het Gereformeerde Jongelingsblad wijsselijk, als men hem vraagt naar de valsche Kerk. En hij maakt er zich af met te zeggen, dat beide, de Hervormde Kerk en de Roomsche, om hun organisatie zijn verworpen.

Maar uit alles blijkt de verlegenheid.

De Gereformeerden durven hun zaken nooit au fond behandelen, want zij weten

of gevoelen, dat zij zich wèl bewegen op de lijn van Dr. Kuyper, welke lijn zij wederrechtelijk de Gereformeerde noemen, maar dat zij leven in strijd met de beginselen der Gereformeerde belijdenis.

Dezelfde als boven vraagt:

In Maleachi 3 : 10 lezen wc;: „Brengt alle de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in mijn Huis;" enz.

Nu is mijn vraag deze: „Of dit schriftwoord in letterlijken zin dient te worden opgevat en als zoodanig dient nagevolgd ook in den tegenwoordigen tijd.

Antwoord. Neen, de profeet vermaant hier het volk der Joden (zooals de kantteekening schrijft) tot het getrouw opbrengen hunner tienden en hef offeren. Dat brengen van tienden en hef offeren gold, zooals de kantteekening terecht opmerkt, alleen voor de Joden, want het behoorde tot de "Wet der Ceremoniën, die met Christus' komst is afgedaan.

Dat neemt niet weg, dat, nu wij niet meer leven onder den dwang der Wet, maar onder de volmaakte Wet der vrijheid, ons nog wel mag herinnerd worden, dat vrijheid geen losbandigheid is (Romeinen VI) en dat dan ook in Maleachi 3 een aansporing voor den Christen ligt om, van zelf, ongedwongen, uit vrije liefde, mee bij te dragen voor onderhoud van het Huis des Heeren. En men bedenke : voor wie het Evangelie niet gelooft en naleeft geldt eigenlijk nog de dwang der Wet.

C. A. L.

EEN GOED GESLAAGDE VERGADERING VAN GEREFORMEERDE PREDIKANTEN

DER NED. HERV. KERK.

We hadden Donderdag 8 Sept. een recht goede Hervormde (Gereformeerde) Predikantenvergadering te Utrecht in het Hotel des Pays Bas. Dit was nu reeds de zesde samenkomst deze Predikantenvergadering, die poogt de Gereformeerde predikanten van verschillende nuanceering in onze Kerk zooveel mogelijk samen te brengen op den grondslag van Gods Woord en onze belijdenisschriften 1). Tot ons genoegen had ook Ds. van Grieken de vergadering warm aanbevolen in de Waarheidsvriend en dit was blijkbaar niet zonder uitwerking gebleven. Er was een goede opkomst en de zaal in Pays Bas was zoo goed als geheel gevuld. Alleen hadden we wel gewehscht, dat de opkomst van confessioneele zijde nog wat beter ware geweest. Velen gevoelen nog veel te weinig, dat dit inderdaad een zeer bijzondere gelegenheid is om elkander eens te ontmoeten, persoonlijk kennis te maken en ook van gedachten te wisselen op den „veiligen grondslag" van Gods Woord. Nu, we mogen zeggen, dat de samenbindende kracht van dat

Woord ook inderdaad ondervonden werd. Juist op zulk een vergadering wordt het duidelijk, hoe onze eenzijdigheden voortdurend gecorrigeerd worden en ook gecorrigeerd moeten worden door het veelzijdige Woord Gods. Wat was er vaak een worstelen om de verschillende waarheidselementen, die door verschillende personen in de discussie naar voren werden gebracht, in de rechte formule samen te vatten. En hoe bleek daarbij ook telkens, hoe gebrekkig vaak onze menschelijke formules zijn om de volle waarheid Gods uit te drukken en tevens, hoe ,,paradoxaal" in den hoogsten zin die waarheid telkens weer blijkt.

x) De beginselverklaring der leden luidt: Wij verklaren in te stemmen met de belijdenisschriften onzer Ncderl. Herv. (Geref.) Kerk, de drie formulieren van eenigheid, met dien verstande, dat wij overeenkomstig art. 7 der Nederl. Geloofsbelijdenis uitdrukkelijk erkennen, dat deze formulieren ten allen tijde toetsbaar blijven aan de Heilige Schrift als Gods Woord en mitsdien eenigen regel voor ons geloof en leven.