is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 40, 1927-1928, no 2059, 22-03-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet; daar stel ik mijn vergadering tegenover! Zon zoo iets niet zijn een moedwillige verscheuring van het lichaam des Heeren ?

Ik zeg: zoo zou het antwoord moeten luiden onder normale omstandigheden. Helaas, wij leven niet onder normale omstandigheden. De broederlijke wettige tucht over de bediening des Woords is uit onze Kerk weggenomen; maar niet weggenomen, gelukkig, niet weggenomen is het persoonlijk oordeel over de prediking. Nog altijd geldt het Woord: beproeft de geesten of zij uit God zijn. En nu is 't in onze Kerk als met een mensch, die één zijner zintuigen, zeg: het gezichtsvermogen, verloren heeft en bij wien nu een ander zintuig, b.v. het gevoel of de tastzin, zich tes terker ontwikkelde. M. a. w. nu het kerkelijk oordeel of de kerkelijketu cht ontbreekt, moet noodzakelijk een ander oordeel, het persoonlijk oordeel zich te meer ontwikkelen, zelfs abnormaal ontwikkelen. Zoodoende is men er dan toe gekomen, omdat men persoonlijk de prediking te zijner plaatse afkeurde, tegenover de wettige diensten zg. Evangelisaties op te richten. Men had daarmee de prijzenswaardige bedoeling om de gemeente des Heeren, die dreigde te verwilderen en te verhongeren, bij het Woord des Heeren te houden. En ongetwijfeld is dit werk ook vaak gezegend geweest. Niettemin, 't had ook zijn schaduwzijden en daaronder deze, dat het kerkelijk besef er door verdween. Dat ging van stap tot stap. Eerst richtte men de Evangelisatie op, ten einde de plaatselijke gemeente voor geestelijken ondergang te behoeden en tot herstel te brengen. Daarna verloor men het laatste meer en meer uit het oog; men zag niet meer de Evangelisatie als hulpmiddel en als eigenlijk iets abnormaals; neen, die Evangelisatie werd nu het heilige huisje, waarin men veel knusser zat dan in de Kerk en men was tevreden als men 't daar maar goed had; om de Kerk en die daar nog vergaderden bekommerde men zich niet meer; men was geheel los van hen of beschouwde ze zelfs als vijanden. Eindelijk kwam het tot den derden stap; men werd nu geheel en al onkerkelijk. Wat kerk?! Christus heeft nooit een Kerk ingesteld, maar alleen losse discipelinnen en discipelen gehad, die elk op zich zelf God dienden, zoo oordeelde men nu, lijnrecht in strijd met de Schrift, die ons wel degelijk leert van plaatselijke gemeenten, die alle ook met elkaar verbonden waren en die door de ambten werden geregeerd. Zóó las men echter zijn Bijbel niet meer; men las dien met individualistische oogen, alsof hij niet voor de Kerk, maar alleen voor losse Christenen was geschreven. En nu dwaalde men eindelijk zoo ver af, dat men eigenlijk alle idee van Kerk begon te verfoeien. Die nog van „Kerk" spraken en nog met de Kerk ophadden en nog kerkelijk wilden leven, noemde men nu (zooals wij t eenmaal hoorden) met den naam van „kerkelijken".,,Lijken"; dat wil zeggen: dat waren de doode Christenen, maar buiten de Kerk, ja, d&ar had men de levenden.

Natuurlijk, dat wie zóó voelden er niet het minste bezwaar in zagen om in de Evangelisatie Doop en Avondmaal te laten bedienen, 't Ging daar misschien nog veel mooier dan in de Kerk. Maar ook, die zoo ver niet gingen, dat zij principiëel de Kerk loslieten, raakten toch allengs mede het besef van het abnormale der Evangelisatie kwijt en gingen er allengs toe over om in zulke Evangelisaties, die toch eigenlijk niet meer waren dan particuliere kringen van Christenen uit een plaatselijke gemeente en min of meer tegenover die gemeenten, de Sacramenten te gaan bedienen, die anders nooit door particulieren, maar alleen door wettige ambtsdragers en dan in hun ambt mochten worden bediend.

Door een en ander wordt nu ons antwoord bepaald.

Wij voor ons achten die bediening van sacramenten in de Evangelisatie niet goed. Van een bediening van den Doop aldaar hebben wij nooit gehoord en wij gelooven ook niet, dat die veelvuldig zal voorkomen, want de naam van een gedoopte in een Evangelisatie kan natuurlijkin het plaatselijke kerkelijke lidmatenboek niet worden ingeschreven. Wel hoorden wij vaak van bediening van het Heilig Avondmaal aldaar, ook door ons overigens geestverwante personen, maar wij kunnen zulks niet goedkeuren.

Toch vinden wij, in onze Kerkelijke toestanden veel, dat zulk een bediening eenigszins verontschuldigt, al wettigt het ze niet.

En overigens bedenken wij hier het woord: „wie zijt gij, die eens anders dienstknecht oordeelt? Hij staat en valt zijn eigen heer!"

Dezelfde heeft te zijner plaatse in de Hervormde Kerk een Vrijzinnige prediking en verder nog een Evangelisatiegebouw en -kring, waarin een slap-orthodoxe, weinig beginselkrachtige geest heerscht. Ook be¬

weegt men zich daar in de richting van een onkerkelijk Christendom. Nu heeft vrager het gewaagd om, uit beginsel, dewijl hij meent de Kerk niet te mogen loslaten, eenige Zondagen op te gaan onder de Vrijzinnige prediking. Dat heeft in den Evangelisatiekring opschudding gegeven en men heeft verklaard, dat inzender geestelijkdood of met groote dwalingen behept moet zijn. Hoe daarover te oordeelen?

Antwoord. Wederom een moeilijke vraag! Dat inzender zijn gemeente niet loslaat en de ambten in die gemeente blijft erkennen prijzen wij natuurlijk in hem. Indien wij inzagen, dat hij door op te gaan onder de prediking, waarin (zooals hij ons te kennen geeft) weinig of niets is, waarmee hij instemt; wél veel, dat hem ontstemt, der gemeente tot nut kon zijn, zouden wij zeggen: ga er dan maar getrouw heen. Nu aarzelen wij met zulk een raad te geven. Zulk een opzettelijk opgaan onder een prediking, die men niet erkent als de ware, zij het ook gebrekkige, prediking van het Evangelie, werkt verwarrend. Vrijzinnigen zullen denken: wat hebben wij aan zulk een dwarskijker ? Rechtzinnigen zullen er door licht bedroefd of geërgerd worden. Zelf zal men er kwalijk onder kunnen gesticht worden. En den toestand der gemeente zal men daardoor niet verbeteren. Wij voor ons zouden, als wij op zulk een plaats woonden, den band met de gemeente niet doorbreken, ook als 't pas gaf met den leeraar ernstig en op broederlijke wijze spreken, maar wat het kerkgaan betreft, ons des Zondags liefst begeven naar een naburige gemeente.

Wat die Evangelisatie betreft, 't is daar blijkbaar ook niet alles „zuivere koffie". Goed, maar laat inzender nu niet zóó ver gaan, dat hij om die onzuiverheden de lieden van de Evangelisatie mijdt, maar die nog grootere onzuiverheden van de anderen over het hoofd ziet.

Laat ons bedenken wat Dr. Hoedemaker altoos zei, dat als één lid lijdt al de leden lijden en dat dus bij onze abnormale toestanden niemand gezond kan zijn; alleen de één wat minder ziek dan, de ander.

Dat toe te passen, ook op ons zelf, maakt ons klein en stemt ons vriendelijk jegens anderen.

Daarbij echter hebben wij ons te wachten voor een beginselloos vergoelijken van iedere dwaling en ;voor de meening, dat er eigenlijk geen waarheid is.

Neen, wij zijn wel allen leugenaars, maar het Woord des Heeren blijft toch in eeuwigheid!

Dat brenge ons, bij alle verdraagzaamheid, tot de gedurige bede van een Luther:

„Behoud ons, Heere, bij Uw Woord."

Als wij dat waarlijk bidden, kan 't ook niet anders of wij moeten de rechte prediking van dat Woord zoo veel mogelijk zoeken.

Als 't niet hier is. dan elders.

C. A. L.

GOUDEN APPELEN OP ZILVEREN SCHALEN.

De Heere weet het rechte uur. Ook het wachten is een ongemerkt voortgaan. Moedeloosheid is een vrucht van eigenliefde .

G. Tersteegen.

Wij lazen onlangs een artikel, waarin de schrijver betoogde, dat rozen op hun eigen stam behoorden te groeien. Naar zijn gevoelen waren zulke rozen krachtiger en gezonder, en dat ze daardoor de uiterste volmaaktheid van hare schoonheid ontwikkelden. Zoo staat het ook met ons Wij zijn van Gods geslacht. Leef in gemeenschap met Hem; dan groeit ge op uw eigen stam; dan groeit ge voor de eeuwigheid.

W. L. Watkinson.

Geestelijke zalf: 1 lood droefheid, 30 lood geduld, 20 lood gematigheid, 15 lood ootmoed, 30 lood mildadigheid. Stoot dit alles in den vijzel van het geloof met den stamper der standvastigheid; strooi daarin een half pond hoop; doe het in de pan der gerechtigheid; zet het op het vuur van Gods liefde, en roer het om met de lepel van het gedurig gebed; giet het daarna in den schotel der rechtvaardigheid. Doe het goed toe, opdat de schimmel van ijdele eer het niet aantaste. Smeer u hiermede dagelijks in, 's morgens en 's avonds. Het zal u baten.

G. Tersteegen.

V. O. G.

CORRESPONDENTIE.

Door mijn vertrek van Oostwold (Old.) naar Rinsumageest was ik gedurende enkele weken niet in de gelegenheid mij veel met de redactie bezig te houden. De, als altijd, ook nu weer zoo trouwe hulp van mederedacteuren en medewerkers en de goede zorgen van den uitgever

maakten het mogelijk, dat alles zijn goede gang

ging-

'k Was verrast, toen ik een paar weken geleden onder ingezonden een vers las op mijn vertrek uit O. door den uitgever opgenomen. Dank voor de vriendelijkheid en van hem, die het inzond en van hem die het opnam. Een lied, dat van vriendschap getuigt, ook al spreekt die in dichterlijke vrijheid wel eens wat sterke woorden, doet het hart goed. Ook aan de beide andere inzenders, wier verzen, wegens plaatsgebrek hier niet opgenomen, ik elders las, mijn vriendelijken dank. Aan alle vrienden te Oostwold mijn hartelijken groet, 'k Hoop dat er te Oostwold, Midwolda en omgeving al meer lezers komen van ons blad. Ook daardoor kunnen we de oude, door vertrek niet verbroken vriendschap, onderhouden.

Mij werd gevraagd door den heer K. te D. onder correspondentie een paar bijbelverklaringen op te noemen, 'k Ma,g hem wel verwijzen naar de rubriek Yragenbus (adres Ds. Lingbeek, Sportl'aan 95, 's-Gravenhage), waar telkens op door mij niet te evenaren, zeker niet te verbeteren, wijze al dergelijke vragen worden beantwoord. Wat mij aangaat, het treft mij altijd, dat er geen objectieve bijbelverklaringen bestaan, hoewel vele verklaarders zich juist zoo sterk op hun wetenschappelijke objectieviteit laten voorstaan, 'k Heb het meest op met zulke verklaarders, die het licht bij hun verklaring niet verwachten slechts van z.g. objectieve wetenschap, maar vóór alles van den Schriftverklaarder bij uitnemendheid, den Heiligen Geest. Met het biddend inwachten van dien Geest moet ieder bijbelonderzoeker beginnen en dan Schrift met Schrift vergelijken, dan brengt hij het vaak ver zonder veel boeken. Persoonlijk had ik in mijn studententijd een tegenzin tegen exegese (verklaring) gekregen, door exegetische werken, waarin de tekst werd verdronken in een zee van grammatica en allerlei soort van kritiek, 'k Heb eerst weer liefde voor exegese gekregen door de prachtige bijbelverklaring van F. Godet op het evangelie van Johannes, vertaling uitg. Kemink en Zoon 1871. Al zijn werken zijn aanbevelenswaardig. Hij gaf mij weer smaak in wetenschappelijke exegese. Later leerde ik kennen de uitnemende, populaire bijbelverklaringen van J. van Andel over het evangelie vim Johannes, de brieven aan de Romeinen, Efeziers, Colossenzen, Timotheus. Aanbevelenswaardig blijft de oude populaire bijbelverklaring van Klinkenberg. Ook die van Dachsel moet niet vergeten. Als een bezwaar van vele verklaringen voelde ik steeds haar groote uitvoerigheid, waardoor men geen indruk krijgt van den gedachtengang en het overzien van den geheelen inhoud van een bijbelboek wordt bemoeilijkt. Daarom waren mij indertijd zeer welkom de Beschouwingen over de brieven van Paulus, uitg. tl. N. Voorhoeve te 's-Gravenhage. Deze doen de hoofdgedachten van de brieven scherp uitkomen, geven daardoor een helderen indruk van het geheel, ook hier blijkt echter het nietobjectieve van bijbelverklaringen in de darbistische negatieve houding tegenover kerk en kerkelijk ambt. Later vond ik in Tekst en Uitleg, praktische verklaring van het Nieuwe Testament door Prof. Van Veldhuizen, uitgave J. B. Wolters, Groningen, hetzelfde als wat mij in bovengenoemde uitgave aantrok, gelijk ook in de Korte verklaring der Heilige Schrift met nieuwe vertaling, uitgekomen bij J. H. Kok te Kampen. We mogen niet verzuimen hier te noemen de verklaring, van de evangeliën door Joh. Kalvijn vertaald door Brummelkamp uitgave Zalsman, Kampen 1895 en wat stichtelijke omschrijvingen betreft de uitnemende „Uitleggende gedachten" over de verschillende evangeliën door J. C. Rijle, uitg. Höveker en Zoon. 'k Deed maar een greep uit het vele, dat hier te noemen zou zijn. Meerdere der genoemde boeken zijn slechts in de oude boekhandel, bv. van Wristers te Utrecht, te krijgen.

Omdat er onder Correspondentie meer te vermelden was gingen we bij wijze van uitzondering hier op de gestelde vraag een weinig in, echter, we herhalen, het vriendelijk verzoek, al zulke vragen direct aan den Vragenbusredacteur te adresseeren.

J. Ch. K.

■ Zoo juist verscheen I een prachtig

GESCHENK

voor hen, die belijdenis des geloofs afleggen, nl.

BIJ

BIJZONDERE DAGEN

Uit den inhoud:

Ds. K- H. E. Gravemeijer,

Bij den Heiligen Doop. Ds. A. B. te Winkel,

Bij de belijdenis des geloofs.

Ds. D. A. van den Bosch, Bij de voorbereiding voor het Heilig Avondmaal. Dr. J. P. de Bie,

Bij denAvondmaalsdisch. Ds. J. Ravesloot,

Bij de dankzegging na het Heilig Avondmaal. Dr. H. Schokking,

Bij het Huwelijk.

Dr. E. J. W. Posthumus Meyjes.

Bij dagen van smart.

Pr. ing. f 1,90, fr. p. p. f 2.— „ geb. f2.60, „ „ „f2.74

Verkrijgbaar in eiken boekhandel en bij de uitgevers

H.Veenman & Zonen

Wageningen I Postrekening 12940 I

Men leze de bespreking in dit nummer.

LEESTAFEL.

Bij bijzondere dagen. Uitg. H. Veenman en Zonen Wageningen, ing. f 1.90, geb. f 2.60.

'k Haast me dit boek aan te kondigen. Straks zal door velen belijdenis des geloofs worden afgelegd. Laat men da'n toch vooral aan dit boek denken als aan een uitnemend belijdenisgeschenk. Het samen te stellen was een uitnemende gedachte. Van den uitgever of van iemand anders? In ieder geval zorgde de uitgever voor keurige uitvoering, een mooie, stemmige band, heldere druk, solied papier. Maar vooral de inhoud is bijzonder goed, zooals het bij bijzondere dagen behoort. Karakteristiek het motto op het titelblad: Aanschouw het Verbond! Wat God aan Zijn gemeente in Zijn genadeverbond en in de bondszegelen geeft, wordt hier heerlijk vertolkt. Al dadelijk in de eerste preek van Ds. K. H. E. Gravemeyer: Bij den Heiligen Doop, waarvan de laatste bladzijde mij zeer heeft getroffen. Dan de preek van Ds. A. B. te Winkel: Bij de belijdenis des geloofs, waarin de diepe ernst en tevens de hartelijke, feestelijke toon, die bij zoo'n feestelijke gelegenheid past, weldadig aandoet.

En zoo zouden we kunnen voortgaan. Elk van deze preeken ook die van Ds. D. A. van den Bosch: Bij de voorbereiding van het H. Avondmaal, van Dr. J. P. de Bie: Bij den Avondmaalsdisch van Dr. H. Schokking: Bij het huwelijk van Dr. E. J. W. Posthumus Meyjes: Bij dagen van smart; elk brengt op eigene wijze leering, vertroosting, waarschuwing, opwekking. Degelijk, maar toch niet zwaar te verstaan of zwaar te verteren. Een mooi geschenk om aan anderen, ook aan zichzelf te jjeven en dat niet alleen bij belijdenis, maar met 't oog op al de bijzondere gelegenheden hier genoemd.

J. CH. K.

Reisboek. Uitgegeven door de Ned. Christelijke reisvereeniging, gedrukt bij N. V. drukkerij ,,Vada". Wageningen.

Nu is het voor hen, die zich deze weelde kunnen veroorloven, de tijd om reisplannen te maken. Een prettig werk. Wil men zich dit werk nog prettiger maken en daarbij komen tot goed resultaat dan schaffe men zich bovengenoemd reisboek aan. Een mooi boek, zelfs voor hen, die niet op reis gaan, maar zich in herinnering van vroegere reizen willen verdiepen, door de mooie in echt christelijken geest gestelde artikelen o.a. over: de symboliek der vlakte, de sprake der bergen, Gletscher, Bergmeer, Herinnering, De Grootvorstin onzer vloeden enz., enz. Het telt niet minder dan 100 zeer fraaia illustraties en bevat de meeste programma's, welke den leden dezer vereeniging in 1928 worden aangeboden. Het reizen met deze vereeniging schijnt ons zeer aanbevelenswaardig. Wie niet van gezelschapsreizen houdt, kan toch dit boek gebruiken om voor zich zelf een reisplan te ontwerpen. Er zijn programmas met prijsopgave voor reizen in bijna alle landen van Europa.

J. Ch. K.

Ds. J. J. Buslces Jr., Gedachten over den geestelijken achtergrond van het kerkelijk conflict. Uitg. door Bosch en Keuning te Baarn. ƒ 0.30. 48 blz.

We lazen dit geschrift, dat handelt over het. kerkelijk conflict, waartoe ,,de zaak Geelkerken" geleid heeft met groote belangstelling en veel instemming. Dat is niet te verwonderen, want veel van 't geen hier wordt opgemerkt over het partijdrijven en de strijdwijze van Dr. Kuyper, over „Gereformeerde zelfoverschatting", ook over meer algemeene beginselen is van onze zijde reeds telkens opgemerkt. Maar 't wordt hier op uitnemende wijze gezegd en 't krijgt meer waarde, omdat 't gezegd wordt door iemand, die deze dingen nog meer van nabij en meer door eigen ervaring kent dan wij. 't Is zeer nuttig om dit geschrift te lezen. Onze kerk heeft haar groote geestelijke gevaren, maar ,,de Gereformeerde kerken" hebben ze ook, andere, echter niet minder groot. Hervormde, lauwe, laffe zelfwegwerping is niet goed. „Verlagen wij ons zeiven niet," vermaande Gunning terecht. Gereformeerde zelfoverschatting is evenmin goed. Zeer gaarne zagen we deze brochure in veler handen, in 't bijzonder in handen van al onze predikanten, evangelisten, studenten. We hopen er in ons blad een paar bladzijden uit aan te halen.

Vlot geschreven en in korte hoofdstukken verdeeld (o.a. over de Barth-beoordeeling, N.C. S. V., Dogma-overschatting) leest het geschrift zeer gemakkelijk.

K J. Ch. K.

KERKNIEUWS.

Ned. Herv. Kerk.

Beroepen te: Akkrum: H. W. M. Hupkes Jr. te Zwaagwesteinde. Boxum en Blessum (toez.): L. de Baan te Garmerwolde. Drachtstercompagnie: F. C. de Vries te Ureterp. Vlissingen: J. S. Hartjes te Rilland-Bath. Wassenaar: (vac. ds. A. A. Dönszelmann): P. G. de Vey Mestdagh te Rotterdam. Parrega c.a.: J. F. Berkel te Schoonebeek. Den Helder: F. W. J. v. d. Poel te Tiel. Wons en Engwierum: G. van Hoeven te Longerhouw en Schettens.

Aangenomen naar: Oudshoorn c.a.: Dr. J. P. Cannegieter te Middelburg. Oene (bij Epe): J. J. van de Pol te Oud-Alblas, Stevensweert: J. D. Derksen te Meedhuizen (Gr.). Katwijk aan Zee: P. Pras te Klundert (N.-Br.). Goudriaan en Ottoland:

F. Anker te 's-Gravemoer.

Bedankt voor: Hooge Zwaluwe: F. G. H. Nicolaï te Voorhout. Giethoorn: A. A. Wildschut te Hoogersmilde. Beesd: J.

G. L. Brouwer te De Meern (U.). Hilversum : Dr. H. W. Obbink te Geldermalsen. Loon op Zand: A. van der Kooy te Kampen. Hillegersberg: J. G. L. Brouwer te De Meern (U.). Hemelum (Fr.): P. Pras te Klundert (N.-Br.). Den Ham (Ov.): J. Enkelaar te Ouderkerk a.d. IJssel. Kage: J. C. Fontein te Hurwenen. Opperdoes: