is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2098, 20-12-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41e JAARGANG - QCT. 1928-OCT. 1929

No. 2098

DONDERDAG 20 DECEMBER 1928

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereenigiiitïj

Dr. J. Ch. KROMSIGT te Rinsumageest (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Prof. Dr. Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Ds. C. A. LINGBEEK te 's-Gravenhage; Dr. H. SCHOKKING

te 's-Gravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te 's-Gravenhage.

Dit blad verschijnt wekelijks. Alles wat de redactie aangaat en boeken ter recensie zende men aan Dr. J. Ch. KROMSIGT, Rinsumageest (Fr.). Vragen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. LINGBEEK, Sportlaan 95, 's-Gravenhage; Kerknleuws-berichten aan H. VEENMAN & ZONEN te Wagenlngen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

UITG. j FA. H. VEENMAN & ZONEN

WAGENINGEN POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Prijs f5.—,buitenl. en kol. f6.—p. Jaar. /Vfzoalarlijke nummers 10 ets Prils der advertentiën: Van 1—10 regels 12.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder Jaar.

INHOUD: Kerstmis. — Verkapt Materialisme. — Brieven uit Hongarije II. — Vragenbus. —7 Ingezonden. — Conf. Vereeniging. — Fonds v. Kerkr. gesch. — Bijz. Leerstoelen. — Leestafel. — Corresp. — Kerknieuws. — Advertentiën. •

KERSTMIS.

„Alle geest, die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch qelcomen is, die is uit God."

„Zoo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon Gods is, God blijft in hem en hij in God."

1 Joh. 4 : 2 en 15.

Met de herders staan wij heden in den geest bij de kribbe van Bethlehem, en aanschouwen met eerbied dat Kind, dat de engelen in blijden jubel deed zingen: „Eere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."

Met de wijzen uit het Oosten knielen wij, uit het Westen, neder bij datKindeke, van wien de ster in het Oosten de geboorte had verkondigd, en wij aanbidden Hem, en leggen onze Kerstgaven aan Zijn voeten.

Zien waarlijk uwe oogen den Koning in Zijne schoonheid ? Aanbidt werkelijk uw hart den Immanuël ?

Hij is het waardig!

1. Want dat Kindeke is Gods Zoon.

2. En Gods Zoon is in het vleesch gekomen.

Als gij die dubbele heerlijkheid niet ziet, en als gij in deze dubbele heerlijkheid Hem niet aanbidt, zijt gij ongelukkig, staat gij buiten God, en God buiten u.

Maar wie Hem aanschouwt en belijdt en aanbidt als Gods Zoon, in het vleesch gekomen, die is uit God en ook in God.

Johannes getuigt het in Gods Naam. Johannes, de apostel, die, in stille beschouwing van den Heere Jezus, het meest Hem had leeren kennen en beminnen.

Is er iets hoogers, iets heerlijkers te bedenken, dan uit God te zijn, en in God te zijn en het tegelijk te weten, dat God in ons is ?

Wie zichzelf leert kennen, ontdekt hoe langer hoe meer in zijn hart en leven, wat niet uit God is, wel uit den mensch, en uit Satan. En juist omdat hij zooveel bij zichzelf ontdekt, dat niet uit God is, verstaat hij het ook, dat hij met al dat ongoddelijke in zijn hart onmogelijk bij God wonen kan, hoeveel te minder in God wonen, en Godin hem, in dat booze hart.

Uit dien nood leert hij roepen: ,,0, heerlijke God, hoe kom ik ooit tot U, en hoe Word ik ooit een tempel waarin Gij wonen kunt ? O, Heere, mochten al mijn gedachten en woorden en werken uit U zijn en tot U!" _ Hebt gij ook zoo leeren bidden ?

Hoort dan Gods antwoord. Daar wijst Hij u het Kindeke in de kribbe en spreekt: "Alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus *n het vleesch gekomen is, die is uit God." kn ,,zoo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon Gods is, God blijft in hem en hij in

God."

Het is of God in uwen nood tot u spreekt: "Ziet gij dat Kindeke ? Geloof en belijd dat het Gods Zoon is, en dat Gods Zoon in het vleesch gekomen is. Dan zijt gij uit Mij en 1n Mij en Ik maak woning in uw hart."

Wij zijn door de zonde van God af, van God vervreemd, vijanden Gods geworden.

Daar daalt in den Zoon, God Zelf neer in ons vleesch. God en vleesch, van elkander gescheurd, worden hereend. „Het Woord is vleesch geworden," de „Immanuël", „God met ons"!

Maar dit is veel meer, veel hooger, veel dieper, veel innerlijker, dan een physische vereeniging van God en mensch.

Gods Zoon, God Zelf werd „vleesch".

En „vleesch" dat is onze schandnaam, onze zondaarstitel. Vleesch dat is niet slechts onze physische substantie. Vleesch, dat is onze geestelijke ellende.

Zóó diep daalt God tot ons, in onze ellende af, dat Hij onze ellende als mensch in Zijn ziel draagt.

Jezus Christus is in het vleesch gekomen.

Hij is den broederen in alles gelijk geworden, verzocht als zij, zonder zonde. Waarlijk is Hij verzocht, en niet in schijn! Waarlijk werd Hij vleesch en niet in schijn.

O, denk toch nooit: „Jezus had het heel wat gemakkelijker dan wij in den strijd, in de verzoeking, want Hij was Gods Zoon en kon niet zondigen."

Dan gelooft ge niet, dat Hij ,,vleesch" werd.

Dan doet ge Hem oneere aan.

Met bloed en tranen heeft Hij in de verzoeking gestreden, met sterke roeping en tranen heeft Hij gebeden en heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft. Medelijden kan Hij met u hebben, omdat Hij verzocht is als gij (Hebr. 2 en 4).

Geloof en belijd, dat Gods Zoon waarlijk vleesch werd, zonde werd voor u, een vloek werd in uw plaats.

Dat is het heilgeheim der verzoening en der verlossing.

Hij, Gods Zoon in uw vleesch, in uw zonde, in uw dood, droeg Gods toorn over uw ellendigen, schuldigen staat.

En waar Hij voor u Gods toorn droeg, in dood en hel, en gij in Hem gestorven zijt voor God — daar zijt gij in Christus met God verzoend, en God met u.

In Immanuël kwam God tot u, in Immanuël komt gij tot God.

Maar gij hoeft niet voor de poort te blijven staan, dicht bij God. En de Heere God blijft niet voor de deur van uw huis staan, dicht bij u. Hij neemt Zijn intrek in uw hart en blijft in u.

En gij zijt in God! En ook uit God!

„Want alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God. En zoo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon Gods is, God blijft in hem en hij in God.'^

OOKTHTTYS.

VERKAPT MATERIALISME.

In een tijd, dat men zegt het materialisme, de stofleer, overwonnen te hebben, mag men zich over dit feit verblijden. Doch men doe het met vreezen en beven; in alle geval met voorzichtigheid.

Wie met pek omgaat, wordt er door besmeerd. En 't zou wel een wonder zijn, wanneer ons intellectueel geslacht, dat eertijds zulk een innig verbond met de leer van Darwin en Hackel had, dat het schrijven kon: „Een waarlijk gezond mensch weet niet, dat hij een ziel heeft; wat heb je te

maken met zulke weelde-artikelen" (Rudy? ad Kipling), daarvan nog niet het een en het ander meedroeg.

Men noemt zich nu Spiritist; of nog liever Spiritualist. En men zal het den ongeloovigen tijdgenooten nu eens bewijzen, dat er nog wat anders tusschen hemel en aarde is dan hetgeen wij zien en tasten en tellen kunnen. Men heeft 't druk met de geestenwereld en staat ieder oogenblik met haar in rapport. Daarvan moet de wereld rondom ook overtuigd worden en dan zal er geen materialisme meer zijn.

Gelooven is niet noodig; dat vraagt de kerk. En 't Spiritisme spreekt graag over „de muffe, verouderde formaliteiten van de kerken, de uitdooving van allen aandrang naar geestelijk leven en de verloochening van deze nieuwe openbaring." Neen, 't Spiritisme wil weten en zal 't daadwerkelijk bewijs van de wereld des geestes en der geesten leveren. „Tusschen gelooven en weten is een heel verschil. Ik houd veel lezingen. Maar ik doe nooit moeite om mijn gehoor te bekeeren. Ik geloof niet in die plotselinge bekeeringen; die zijn veel te oppervlakkig en lichtzinnig. Alles wat ik beoog, is 0111 den menschen de zaak zoo helder en duidelijk mogelijk uit te leggen. Ik vertel hun de waarheid en waarom wij weten, dat het de waarheid is. Dan is mijn taak afgeloopen. Zij kunnen het opvatten zooals zij willen. Als zij verstandig zijn, kunnen zij het in de door mij aangegeven richting verder onderzoeken. Als zij niet verstandig zijn, dan loopen zij hun kans mis. Ik wil geen invloed op hen uitoefenen of aanhangers werven. Het is hun zaak, niet de mijne."

Zóó redeneert het Spiritisme.

Precies als bij de Theosofie geeft het weinig om het woord van den Heiland tot Thomas: „Zalig zijn zij die niet gezien en nochtans geloofd zullen hebben." De Theosofie belooft inzicht. En het Spiritisme vraagt verstand. Precies als bij het oude, afgedankte materialisme, komt het bij deze moderne geestelijke stroomingen aan op het intellect; zij het dan obk, dat men dat woord tegenwoordig graag camoufleert; want „intellect" en „intellectualisme" etaan nu eenmaal in onze dagen niet in de gunst.

Derhalve worden toch weer de methoden en praktijken van het sterk verfoeide materialisme toegepast; en redeneert men heelemaal over en om het hart van den mensch heen; en vergeet, dat uit het hart de uitgangen des levens zijn.

In die lijn ligt het dan ook, dat het Spiritisme druk met „materialisatie's" werkt. Ha! met materialisaties! De naieven! Ze bemerken in hun ijver om „daadwerkelijk" te bewijzen, dat de geest en niet de stof heerscht, niet eenmaal, hoeveel dit woord op dat andere, „materialisme" lijkt; en evenmin, hoe de materialisatie volkomen past in het systeem van het materialisme.

Men is al weer bezig den geest te vermaterialiseeren. Men rijdt terug in het oude spoor. En dat onder de leus, dat 't naar een nieuw station gaat.

Kijk, dat gaat dan op deze wijze.

Men onderstelt bijv. een zeer fijne stof: „ectoplasma" wordt het genoemd. Door dat ectoplasma wordt 't den geesten mogelijk zich uit hun geestenwereld zichtbaar te maken in de menschenwereld; en op die

wijze wordt 't den menschen weer mogelijk, zich van de werkelijkheid der geesten te overtuigen. Men kan nu ook photo's nemen en de geestverschijning, dankzij het extoplasma, vastleggen.

Gij bemerkt, hier is 't nu maar een kwestie van zien. Daarna is geen verweer meer mogelijk. Ja, als dat zóó was! Een medium is dan in trance, d.w.z. in een slapenden toestand. Nu gaat de uitstraling van het ectoplasma beginnen. „Dat veroorzaakt altijd pijn als 't uitgestraald wordt" (Conan Doyle). Dan kan 't gebeuren, dat in het donker op eenmaal een witte gedaante, duidelijk of minder duidelijk, zichtbaar wordt

voor de oogen van hen, die de séance bijwonen.

Hierbij spreekt men onder Spiritisten druk van de trillingen. „Sympathieke trillingen" heeft het medium noodig om hem of haar te helpen. Teneinde dat te bevorderen, speelt men bijv. op een orgel. Want de trillingen kunnen soms „niet erg in harmonie" zijn. Dat gebeurt bijv. wanneer er twijfelaars in het gezelschap zijn. En hebben deze laatsten de overhand, dan valt er op goede'resultaten niet te hopen. Zoo komt het voor, dat men aan de séance-tafel zeggen hoort door het medium: „Het spijt mij, maar het schijnt erg verward — tegentrillingen misschien en een aantal boodschappen, welke elkaar kruisen evenals wanneer telegraafdraden over elkaar hangen" (Conan Doyle). Ook is het niet geoorloofd voor een goed contact, wanneer men met elkander om de séance-tafel zit, de beenen te kruisen; „dat verbreekt den stroom".

Dat is dan de weg, de waarheid en het leven van den Spiritist. Soms haakt hij aan zijn trein ook nog den Heere Jezus Christus; vooral wanneer, zooals bijv. bij Ds. Huet, geloof en traditie beiden dat meebrengt. Evenwel, 't is dan niet de Middelaar en Veilosser; maar het medium bij uitnemendheid, 't Gaat niet om verlossing van zonde en dood, door den Zaligmaker buiten ons. Maar om loutering en volmaking van den mensch, door de kracht van dien mensch zeiven. „Onszelf voor te bereiden voor ons volgend leven," zeggen zij zelve.

En hiertoe moeten dan trillingen en stroomingen, precies of er electriciteitskrachten in het spel waren, dienen! Bij dit werk mogen de beenen niet gekruist worden! En photo's en manifestatie's zullen de bewijzen leveren en daarbij een goedgefundeerde overtuiging voor leven en voor sterven!

Hoe is 't mogelijk, dat zulke menschen het materialisme een „overwonnen" standpunt kunnen noemen! Laten zij liever zeggen, in stee van zich in te beelden, dat Spiritualisme nu hun leven is, hoe kleeft mijn ziel aan 't stof; ai zie mijn nood.

Hier gaan materialisatie en farizeisme hand aan hand. Hier zit de saddueeër met Thomas op één en denzelfden stoel.

Daar moet gij af, wanneer gij misschien ook op een puntje daarvan zit. Gij moet er af. Gij moet in het stof. Op uw bloote knieën. Met al uw heldere of al uw diepe inzichten, 't zij dat gij ze opgedaan hebt in de school van Moleschot öf op de séance's van het Spiritisme, moet gij gekruisigd worden. Gij moet sterven, o verstandig mensch. Uw bewijzen voor den geest en voor God, ze moeten sterven.

Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans geloofd zullen hebben. Niet zien, maar gelooven, dat Jezus is en Jezus leeft en dat gij met en door Hem alleen leven zult. Amsterdam. H. Bakker.

BRIEVEN UIT HONGARIJE.

II.

Hongaarsche studenten in Holland.

Men behoeft paert, swaert, schilt, voer

(noen speys,

't Water is den Hollanders genoegsaem

(geweyr,

Geregeert voor hun door den Heere der

(beerschaeren.

Zoo zong de heer Johan van der Does, de onbuigzame verdediger van Leiden, en hij werd niet in den steek gelaten. De Spanjaarden belegerden de aloude stad maanden lang in 1574. De nood klom hoogor en hooger, maar de vloot, die hulp zou aanbrengen, kon niet tot voor de muren der stad komen. Redding, in weerwil van de pogingen des Prinsen Willem van Oranje, scheen onmogelijk te zijn. Evenwel heeft de Heere, de Almachtige, hulp en redding