is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2113, 04-04-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het volk, juist in de brandpunten van het verkeer, snoest uitloopen.

Meer dominé's, véél meer dominé's voor onze groote steden zijn gewenscht; dat zijn wij dus met het Kampensche blad eens; al begeeren wij natuurlijk, dat dat dan goede Hervormde dominé's mogen zijn.

Toch meenen wij, dat de geestelijke achteruitgang van een zoo belangrijk deel van ons volk voor De Bazuin en voor ons allen reden mag zijn om te gaan nadenken over

de vraag: zijn wij met de behandeling van ons volk in dezen tijd wel op den rechten weg ?

Men heeft in „Christelijk" zich noemende kringen zich neergelegd bij en gewend aan de gedachte, dat de Openbare Scholen mogen of zelfs moeten worden losgelaten. Met loffelijken ijver heeft men zich geworpen op de stichting van bijzondere Christelijke scholen. En met een klank van triomf in de stem roept men u thans toe: „zóóver hebben wij het thans gebracht, dat reeds ruim de helft van ons volk godsdienstig schoolonderwijs ontvangt."

Ruim de helft, godsdienstig onderwijs.

Bat wil zeggen: bijkans de anderehelft : onderwijs zonder God of Zijn gebod.

En in die ruim-de-helft, die godsdienstig onderwijs ontvangt, zijn dan de kinderen, die Boomsch onderwijs ontvangen, begrepen. 'Die zijn er de meerderheid van en moet gij er eigenlijk, als gij spreekt van recht godsdienstig onderwijs, aftrekken.

En die bijkans-de-andere-helft, die zonder God of zijn gebod wordt opgevoed, bestaat juist uit niet-Roomschen, en behoort dus tot het in oorsprong Protestantsche deel van ons volk.

Is 't dan wonder, dat ons arme volk verwildert ?

Men doet als een moeder, die om het ééne kind gezond en blozend te krijgen hare andere drie kinderen van gebrek laat omkomen.

En als gevolg daarvan heeft men nu een bevolking van'onze groote steden gekregen, lichamelijk goed ontwikkeld, op het gebied

uer aardsche dingen wei-onderwezen, een bevolking, die kan foot-ballen en andere sport beoefenen, maar die van den godsdienst des Bijbels niet meer weet dan een Zulukaffer of een Zuidzee-eilander en die, door geestelijken honger gedreven lafenis zoekt bij een Heidensche theosophie of ten éénenmale van alle hooger leven afsterft.

Daartoe heeft de methode, waarlangs men van Christelijke zijde meende ons volk

te moeten behandelen, geleid.

Zou 't niet eens tijd worden ons zelf te gaan herzien ?

Om niet te blijven zweren bij zijn eigen theorieën, om ook niet hardnekkig te blijven volhouden en te zeggen: dat kan in onzen tijd niet anders.

Maar om bv. eens te letten op andere landen; op Amerika bv. waar men nog altoos den ouderwetschen Bijbel heeft op de Openbare Scholen. Of moet Holland tegenover het Boek der boeken vijandiger staan dan Amerika ? Dan is het tegenwoordig Christelijke Holland een land geworden, waarvoor het oude Holland zich zou schamen!

C. A. L.

EEN EN ANDER OVER WIJKARBEID IN ONZE GROOTE STEDEN.

V

Wordt de „Gereformeerde Kerk" druk gelezen? Hoe wijkbroeders en zusters gewapend moeten worden op den strijd. Sectewezen. De beteekenis van den doop der kleine kinderen, enz.

Voor ik verder ga, moet ik hier eerst even deze vraag stellen: „Wordt de „Gereformeerde Kerk" wel gelezen door hen, die geacht kunnen worden de confessioneele beginselen te zijn toegedaan V' Tot denallerlaatsten tijd heb ik mij nooit in deze vraag zoo buitengewoon verdiept. Ik val een weinig naief en meende waarlijk, dat in elk geval alle leden of nagenoeg alle leden der Confessioneele Vereeniging ons orgaan lazen. Ai mij, welk een ontgoocheling was mijn deel! Twee weken geleden ontmoette ik broeder A, een ijverig lid der gemeente, wiens naam ik niet noemen zal, omdat iedereen hem kent en hij ook op de algemeene vergaderingen zijn stem nog al eens doet hooren.

„Doe mij een genoegen", zoo sprak ik, ,,en zeg mij uw meening over mijn artikelen betreffende den wij kar beid in onze groote steden'. Gij weet, ik stel uw oordeel op hoogen prijs en ik toets gaarne mijn zienswijze aan die van anderen.

— Waarin verschijnen die artikelen ?

— Wel natuurlijk in de „Gereformeerde Kerk."

— De „Gereformeerde Kerk"! Och die lees ik sinds jaren niet meer....

Enkélè dagen later sprak ik een zeer gewaardeerd bestuurslid der Rotterdamsche afdeeling. Wij hadden het over kerkelijke toestanden, bezwaren, moeilijkheden, en opeens riep ik uit: „O, daar heb ik net vanmorgen over geschreven. —

— Zoo, 'voor welk blad?

— Wel, natuurlijk voor de „Gereformeerde Kerk".

— De „Gereformeerde Kerk"! Wie leest dat blad nu ook?

—Hoe, zijt gij daar niet op geabonneerd ? En ge zijt zulk een ijvrig voorstander, niet alleen der confessioneele beginselen, maar ook der Confessioneele Vereeniging ?

— Ja, maar de vereeniging heeft met dat

blad niets te maken. Het is een domineeskrantje; maar wij, leeken (wat een onprotestantsche term!) hebben daar niets aan . J' En zoo, waarde collega hoofdredacteur, ben ik langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat men zich ten onrechte verbeeldt tot de leden der Confessioneele Vereeniging te spreken, als men schrijft in ons orgaan. Naar mijn overtuiging moet hiér iets aan gedaan worden, doch dat is mijn

zaak niet, en ik treed oiet gaarne in het werk van anderen. Laat ik alleen langs dezen weg het verzoek mogen uiten, dat aan het bestuur der Rotterdamsche afdeeling in elk geval de nummers, waarin mijn artikelen voorkomen, mogen worden toegezonden, want al die dingen, die ik ter sprake breng, zijn hier aan de orde van den dag en

wellicht liomt zulk een vriendelijkheid als waarop ik zinspeel öok nog wel het aantal abonné's in de stad onzer inwoning ten goede. x)

Wij hadden het over wijkbroeders en wijkzusters, die zich in dienst der gemeente stellen met ijver, met tact, willen wij hopen, doch het behoeft geen betoog, dat degelijke kennis van de stroomingen, waarmede men in aanraking komt een eerste vereischte is. Hoe komen onze medewerkers aan die kennis ? In elke wijk dient er te zijn een wijkgebouw, liefst in het centrum, en in dat wijkgebouw de noodige lectuur, allereerst bibliotheken. Wij mogen ons aan die verplichting niet onttrekken. Wat geeft het of wij al fulmineeren tegen slechte boeken

en bladen, wanneer wij zelf niet voor betere zorgen ? In „Geloof en Vrijheid", mijn wijkgebouw, heb ik een Hollandsche bibliotheek met vier afdeelingen:

a. belletrie voor ouderen;

b. kinderlectuur;

c. Protestantsche apologetiek en polemiek;

d. maatschappelijke vraagstukken.

De verschillende werken over allerlei

kerkelijke vraagstukken, die niet bij c of d behooren zijn bij a ondergebracht. Daar vinden onze medewerkers dus allerlei studiemateriaal; want hoe ernstiger zij hun taak opvatten, hoe duidelijker het hun wordt,

dat zij om nun werk goed te verrichten „bij moeten zijn. Doch behoudens dit studiemateriaal voor de vrienden, moet daar een flinke voorraad lectuur ter gratisverspreiding bij het huisbezoek in het wijkgebouw aanwezig zijn. Het hangt af van het stadsgedeelte, dat men bewerkt, met welke afwijkende stroomingen men het meest in aanraking komt; maar als algemeene regel

Kan ik wel zeggen, dat de kerk zich ten onzent op bijzondere wijze heeft schrap te zetten tegen: mormonisme, sabbatisme, spiritisme, nieuw-apostolischen, enz., enz. Ik laat hier het verzet tegen communisme

en anarchie eenerzij ds en Rome anderzijds buiten bespreking. Daar kom ik later op terug. Maar onze wijkbroeders en zusters moeten van de sectarische woelingen onzer dagen goed op de hoogte zijn, zullen zij niet met een mond vol tanden staan bij menig huisbezoek; en zijn zij zelf nog niet goed op de hoogte, dan geef ik hun steeds den raad om eenvoudig de brochures achter te laten, die hun steeds ter vrije beschikking staan om dan later op het geval terug te komen of den predikant te waarschuwen dat hier of daar een bepaald gevaar dreigt en het spreekt vanzelf, dat het eigen kerkeliik

standpunt der medewerkers vast en scherp belijnd moet zijn. Zeer veel voldoening heb ik in deze van de bekende uitgave der Pa. Veenman „Een onbegrepen denker". Men vindt daar in een kort bestek allerlei gedachten en wenken, die van het grootste belang kunnen zijn voor menschen, die weinig tijd hebben voor diepergaande studie en die hun menigmaal den rechten weg wijzen in den kerkelijken doolhof onzer dagen. Komen zij b.v. in aanraking met Gereformeerden, die zich afvragen (hetgeen zeer vaak gebeurt), of hun plaats wel langer

*) P.S. Ik deel deze gesprekken niet mede. om

onze redactie te ontmoedigen. Integendeel, hoop ik ook weldra op verblijdende verschijnselen te kunnen wijzen; maar ik moet toch even gewag maken van mijn ondervinding hier te R'dam en van harte hoop ik, dat de leden onzer afdeeling anders zullen gaan denken over ons orgaan, dat aller steun en medewerking verdient.

is in de Hervormde kerk, en of het hun plicht niet is zich te „organiseeren" in afwachting van een massa-uittreding ? Dan kunnen zij op pag. 91 van het aangeduide werk kernachtige uitspraken vinden als deze: „ln een kranke kerk leeft men niet uit en in de belijdenis. Het baat niet of men haar opnieuw oplegt, onderteekent, aajivaardt. Dat kan huichelaars maken, dienaars van den vorm, zelfbedrog voeden, maar het geneest niet.

In het kabinet van den geneesheer staat een hart op sterk water. Het is niet nagemaakt, friet geboetseerd.

Integendeel.

Zóó ziet mijn hart er uit en het uwe. Kameren, wanden, bloedvaten, alles is in volmaakte orde.

Wat ontbreekt er aan?

Dat hart behoorde in een lichaam. D&ar klopte het, daé,r is het geworden wat het is. Neem het weg en gij hebt alleen den vorm van het hart over. Zoo is het met de opvatting van de juridische belijdenis als akkoord van Kerkgemeenschap. Wie haar huldigt, ziet voorbij, dat de plaatselijke kerk niet

op zichzelve staat, maar, door de organisatie, geestelijk afgezonderd is van de gemeenschap met andere kerken, zoodat in

het beroep op het oordeel van de Kerk in haar geheel en de genezing van het lichaam

. y t.» c>

ais een geheel onmogelijk is,

En verder:

„Een broeder verzocht mij niet lang geleden „de Gereformeerden" saam te roepen. Ik schreef terug, dat ik ze zou oproepen indien hij ze aanwees, of mij verzekeren kon dat zij, die beweerden het te zijn, het werkelijk waren.

Wat hebben wij met deze schifting te maken ? Het lichaam is krank, krank zijn de leden, veel kranker dan zij zelf wel weten. Maar de kracht Gods is ec om te genezen. Zijn wij aanvankelijk gezond geworden ? Des te beter, dan kunnen wij de zieken verplegen. Geen waarheid behoeft verzwegen, geen leugen vergoelijkt te worden. Niets belet ons te getuigen. Maar laat ons de bestaande verwarring in ons Korinthe niet vermeerderen door de formatie van een „Christuspartij". Misschien zijn wij die sterken van wie Paulus gezegd heeft, dat zij geroepen zijn de zwakken te dragen.Wij doen den Ethischen b.v. te veel eer aan, indien wij ze tot een eigen groep maken in ons kerkelijk leven. De overgangen zijn zoo onmerkbaar, de onkennis is zoo groot, zoo weinigen weten wat zij willen en willen wat zij weten. Bij de Doleerenden van heden zijn mannen, die wij gisteren tot de Ethischen rekenden en omgekeerd.

En tenslotte:

„Wij zijn geroepen te prediken, te getuigen, te arbeiden, te protesteeren tegen de dwaling in iederen vorm. Maar wat wij te zoeken hebben is de zuivere toepassing van het Gereformeerde beginsel, recht afgaande op ons doel, zonder ons zeiven tijd te gunnen voor nieuwe partijformatie. Wat

mij betreft, ik behooren wensch te behooren tot eene Gereformeerds Kerk; tot een Gereformeerde partij tot geen prijs! Er is een

weg van ontkommg. Slechts een. Indien men iedere indeeling naar partijen kan laten varen, indien men zich op een zuiver Gereformeerd kerkelijk standpunt kan plaatsen, indien men bereid is eenvoudig van deze waarheid uit te gaan: Wij zijn het onderling niet eens omtrent de belijdenis, zelfs niet ten aanzien van de Schrift, wii

zijn in één woord hopeloos verdeeld, „wij keeren ons een iegelijk naar zijnen weg", sommigen zijn zeer ver afgeweken en er zijn schijnbaar geringe afwijkingen, die rampzalige gevolgen hebben. Wij moeten niemand zoeken te verdringen of te verdrijven, maar eenvoudig terug gaan naar het begin van den weg, waarvan het einde

zal zijn: de belijdende Jcerk, die, als uitdrukking van hare eenheid, hare belijdenis heeft, maar die beliidenis onderzocht, gehand¬

haafd, vernieuwd, ja dan en dan alleen is er hoop voor Nederland.

In de gevangenpoort te 's-Gravenhage toont men den bezoeker een plank met twee gaten op zoodanigen afstand van elkander aangebracht, dat de twee kijvende vrouwen, om wier halzen de plank zich sloot, en wier hoofden boven die gaten uitstaken, elkander geen kwaad konden doen, hoe lang het haar ook behaagde elkander uit te schelden. Het eigenaardige van deze inrichting bestond evenwel hierin, dat het voedsel haar tot levensonderhoud verstrekt op deze plank zóó was geplaatst, dat het buiten beider bereik was, maar dat zij het elkander konden toedienen.

Het komt mij voor, dat wij hier het beeld hebben van den toestand waarin wij verkeeren. Zoolang wij als kerken, partijen en richtingen tegenover elkander staan, — geen hoop! Hoop alleen, wanneer wij beginnen elkanders recht en welzijn te zoeken."

Van grooter beteekenis blijft gelukkig nog de doop in ons kerkelijk leven. O, ik kan mij zoo bezorgd maken over de piëtis¬

tische zienswijze, die van het geloof der ouders laat afhangen de doop der kinderen, onder voorwendsel, dat die doop blijkens het opschrift van ons formulier aan „de kleine kinderen der geloovigen" wordt toegediend. Wee den Kerkeraad, die als keurmeester over het geloof der ouders gaat

optreden! Laat ons blij zijn, dat zelfs bij zeer ver afgedwaalden nog deze gedachte leeft: „Ik mag mijn kind den doop niet onthouden."

Spreek die ouders zoo streng mogélijk toe, zoowel vóór als bij de plechtigheid; stel hen onder de tucht van het Woord, maar weiger dien doop, die begeerd wordt, nooit onder voorwendsel, dat gij de ouders daarvoor niet waardig keurt. Steeds meer hebben wij te vechten met de onverschilligheid van ouders, vooral in gemengde huwelijken, die de kinderen ongedoopt laten, opdat zij later „vrij" in hun keuze zouden zijn. Buitengewoon gevaarlijke strooming, waartegen wij ons bij het huisbezoek met kracht hebben te verzetten. Niet op 's menschen trouw of geloof, maar op Gods trouw en verbond kome de nadruk te vallen en wanneer jongelui zich „vrij" achten, omdat zij zelf geen toestemming tot dien doop hebben gegeven, dan dient met ernst te worden gewezen op het machtige feit der solidariteit, die ons vanaf de ure onzer geboorte tot een deel van het groote geheel heeft gemaakt. Wij hebben ook niet gekozen „om geboren te worden", evenmin om geboren te worden in een bepaalden kring

en in de omgeving, waar onze wieg eens stond. Zoo ook gaat de redeneering scheef, die de kracht van den doop zou willen ontzenuwen: de kinderen van Christenouders komen niet als kleine Heidenen, Joden of Mohammedanen ter wereld, maar zijn „mede in het verbond van Gods genade" begrepen.

Wanneer bij het huisbezoek met ernst en volle overtuiging op die onomstootelijke waarheid wordt gewezen, dan werpt men vanzelf een dam op tegen den geest van onzen tijd, die helaas steeds verder van God en Kerk afvoert.

(Wordt vervolgd.) F. J. Krop.

*) La critique est aisée; kritiek is gemakkelijk.

We willen hier geen oratio pro domo gaan houden, hoewel o.i. het oordeel van dezen niet-lezer niet uitmunt door billijkheid en we hier tegenover zouden kunnen stellen het oordeel van tegenwoordige lezers. Het komt zeker, omdat we hier met een gewezen lezer en een nietlezer te doen hebben, van wie we hopen, dat ze spoedig lezer zullen zijn. We houden ons aanbevolen voor opbouwende kritiek, die, in onderscheiding van louter negatieve, afbrekende kritiek. veel goed kan doen. Wat het abonnementental betreft, we kunnen tot onze vreugde melden, dat dit in de laatste jaren hooger is dan ooit. We zagen het echter natuurlijk gaarne verdubbeld, wat o.i. zeer wel mogelijk is, als ieder doet, wat hij kan. De actie in deze door sommige nieuwe afdeelingen ontwikkeld stellen we zeer °P PrÜs- Mogen velen dit goede voorbeeld volgen. We danken coll. Krop al bii voorbaat

voor zijn toegezegden steun.

Ook is er voor iemand, die zijn vrijen tijd aan propaganda geven wil, gelegenheid voor bijverdienste, waartoe hij zich schriftelijk vervoege bij de Uitgevers van dit blad.

De Redactie.

VRAGENBUS.

Vragen betreffende het oorlogsvraagstuk.

Mej. G. B. vraagt ons:

1. Hoe ver strekt zich de taak van het

zwaard van de overheid uit? Alleen als overheid tot onderdaan? Of ook tot vreemde oVsrheden?

Antwoord. Ten eerste merken wii od. dat.

wanneer wij spreken van „bet zwaard der overheid", wij dat ni.t uitsluitend moeten opvatten in een letterlijken zin. „Het zwaard der Overheid" is een soortgelijke uitdrukking als „de sterke arm" en beteekent dan niet in een letterlijken zin een sabel, maar de macht om desnoods met geweld, het recht te handhaven, het kwaad te straffen, etc. Tot „het zwaard der Overheid" behoort dus wel niet uitsluitend maar toch ook mede de taak of het recht om desnoods iemand te straffen in lijf en leven.

En aangezien de Overheid nu niet alleen

te doen kan krijgen met vijanden van het gezag of belagers van recht en gerechtigheid van binnen de grenzen, maar evengoed ook van buiten, heeft zij het haar toebetrouwde „zwaard", zoo noodig, in beide die gevallen te gebruiken.

't Zou wat vreemds zijn, als de Overheid wel tegen iemand, die een kleinigheid had gestolen, met haar macht mocht optreden om het geschonden recht te handhaven, maar lijdelijk moest neerzitten en toezien, wanneer iemand van buitenaf kwam, om het geheele land in bezit te nemen en al de inwoners te berooven.

De profeet noemt de Overheden dan ook „de schilden der aarde". Zij zijn gesteld om