is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2123, 13-06-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41e JAARGANG — OCT. 1928-OCT. 1929

No, 2123

DONDERDAG 13 JUNI 1929

Os Iwk

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Dr. J. Ch. KROMSIGT te Rinsumageest (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Prof, Dr* Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr, P, J. KROMSIGT te Amsterdam; Ds. C. A. LINGBEEK te 's-Gravenhage; Dr. .

te 's-Gravenhage; Ds, A, B, TE WINKEL te 's-Gravenhage.

Dit blad verschijnt wekelijks. Alles wat de redactie aangaat en boeken ter recensie zende men aan Dr. J. Ch. KROMSIGT, Rinsumageest (Fr.). Vragen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. LINGBEEK, Sportlaan 95, 's-Gravenhage; Kerknleuws-berichten aan H. VEENMAN & ZONEN te Wagenlngen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

UITG.i FA. H. VEENMAN & ZONEN

WAGEN INGEN POSTREKENING 18940 TELEFOON 184

Prijs 15.—,buitenl. en kol. 16.-p. Jaar. Afzonderlijke nummers 10 ets. Prfls der advertentiën: Van 1—10 regels 12.—, elke reg«l meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers è 10 cents. Abonnementen worden b« leder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder Jaar.

INHOUD: Stil tot God.—Jeugden Kerk. — Tweeërlei kracht. — Een en ander over wijkarbeid in onze groote steden. XV. — Vragenbus. — Ingezonden. —Leestafel.— Correspondentie. — Kerknieuws. — Advertentiën.

STIL TOT GOD.

Immers is mijne ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek: ik zal niet grootelijks wankelen. Ps. 62 : 2, 3.

Een van onze gaarne door de gemeente aangeheven gezangen spreekt van: Juichen midden in de pijn,

Meer dan overwinnaar zijn.

Waarom wordt het lied, waarin die regels voorkomen, zoo gaarne aangeheven ? Heeft de gemeente werkelijk zooveel van een overwinnaar ? Is er zooveel reden tot zegevierend juichen?

Neen, zóó is het niet. Het is veeleer juist andersom. Er is veel pijn, veel strijd, veel teleurstelling, veel neergebogenheid, veel zieleworsteling. Maar wanneer dan dit lied op de lippen gelegd wordt, dan gebeurt er iets wonderlijks in die worstelende zielen. t)an wordt, al is het maar voor een oogenblik, al is het maar met aarzelende hand en met bevend gemoed, een greep gedaan Haar Gods almachtige hand, naar 's Heilands onwankelbare trouw, naar de vastheid van het genade verbond, naar de zekerheid der zegepraal over alle machten der duisternis. Dan is er werkelijk voor een iegelijk, die iets weet van Gods groote goedertierenheid in den Zoon Zijner liefde, voor elk hart, dat dorst naar het water des levens, een juichen midden in de pijn, en een verzekerdheid van de overwinning, omdat er is een zien op den sterken Held,

uion God ons heelt verkoren.

Zoo is er dus in het leven van den geloovige eene eigenaardige mengeling van jubelen en lijden, van zegepralen en ontmoediging. Het is niet een juichen, nadat de pijn, gestild is, maar een juichen midden in de pijn; een juichen, dat wellicht straks Weer verstomt, omdat de pijn feller zich laat gevoelen dan tevoren, maar dat later, zij het misschien heel zwak, zich toch weer Verheft.

Wij stellen het ons meestal anders voor. In de wereld, zoo meenen we, daar is strijd en moeite en onrust; daar knaagt de pijn pnophoudelijk aan de levensvreugde, daar is geen echte blijdschap. Maar als eenmaal de wereld ontvloden is, dan komt de stilte, de vrede; dan valt het schip, aan de ruwe stormen ontkomen, de veilige haven binden, waar geen gevaar meer dreigt; dan is alle zorg vergeten, en is er alleen reden tot dank en vreugde.

Maar zoo is het niet. Zeker, eenmaal zal die tegenstelling er wezen, als de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, die wij verdachten, gekomen zijn, als hier gerechtigheid wonen zal en alle tranen van de oogen afgewischt worden. Maar nu is het nog zoo niet. De kerk hier op aarde is de strijdende kerk en ziet wel den triomf in het geloof Van verre blinken, maar kan hier geen oogenhlik de wapens van den geestelijken strijd laten rusten, en mag er niet aan denken de Wapenrusting uit te trekken, ook al drukt die heel zwaar.

Doch het heerlijke is, dat de oprecht geloovige wel altijd midden in het strijdgewoel staat, maar te midden daarvan verkwikt Wordt door een ademtocht uit den hemel. Sij weet, op Wien hij in al zijn zwakheid bouwen mag. Hij is er van verzekerd, dat Q°d het laatste woord zal hebban, en dat ~jezus Christus eenmaal zal blijken te zijn de ■Koning der koningen en de Heer der heeren.

■Dat is nu ook het heerlijke en daarom

altijd weer treffende, ontroerende en bemoedigende van de psalmen. Neen, wij hebben in onzen psalmbundel geen zangen van rust en kalmte en bevredigd verlangen. Dan zouden ze, hoe liefelijk ze ook klonken, op den duur geen voedsel kunnen zijn voor onze hongerende en dorstende zielen. Wie met aandacht, dat wil zeggen: met zijn heele hart de psalmen leest of medezingt, zal telkens merken, dat het liederen zijn van groote, diepe bewogenheid, van zielsontroering, van heftige smart, van vurig verlangen. De psalmdichters kennen de angsten der ziel, kennen den strijd van het leven, weten van schuld en verbrijzeling, weten van vlucht en beschaming. Maar — zij weten ook van een wonderbare zekerheid, die, trots alle onzekerheid om hen en in hen, telkens weer neerdaalt in hun zielen: de zekerheid, dat er een Eedder is, een Helper uit eiken nood. Dat er Een is, bij wien vergeving is; Een, die den zinkende optrekt uit modderig slijk; Een, die, zoover als het

West verwijderd is van t uosten, ae overtreding wegdoet van een iegelijk, die met verslagenheid de toevlucht bij Hem zoekt. De inhoud van den psalmbundel zou samengevat kunnen worden in de gezangregels:

Ruwe stormen mogen woeden,

Alles om mij heen zij nacht — God, mijn God, zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht.

Zoo is het, om iets te noemen, in den 23sten psalm. O, het klinkt zoo rustig: „De Heere is mijn Herder; mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden, Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren", en meestal blijven wij bij dat rustige tafereel staan. Maar staan ook in dien liefelijken psalm niet de weder- ' partij ders op den achtergrond, en weet deze zanger niet van een dal der schaduwe des doods? Ja, ook hier is een juichen midden in de pijn.

En zoo is het in het bijzonder in dien zoo geliefden 62sten psalm, waaruit ik enkele verzen hierboven schreef. Ook hier meenen wii zoo vaak te doen te hebben met een

_ , t J.J

lied, dat niets dan vrede en rust aaemt, wuwijl het toch geboren is midden in den strijd, toen groote wankeling dreigde, toen vijanden, leugenaars en valsche vrienden den psalmist omringden en hem het leven bang maakten.

Maar wat gebeurde toen? Toen zag hij, van alle kanten besprongen, dat er een Rotssteen was, waar hij veilig zou zijn; dat er een plaats van heil, van redding was, waar geen vijand hem kon deren; dat er een Hoog Vertrek was, ongenaakbaar voor allen die hem benauwden.

Rotssteen, Heil, Hoog Vertrek, hoe dikwijls komen die woorden voor in de psalmen. Wij zullen er nu niet op ingaan, wat die woorden beteekenden voor de inwoners van het bergachtige Kanaan, die in tijden van oorlog of vervolging hun toevlucht zochten achter de onvernielbare borstweringen of in de ontoegankelijke schuilplaatsen, die de rotsen met hun kloven en spelonken boden. Daar was heil, redding, uitkomst te vinden, zelfs tegen een machtigen belager. Maar de geloovige Israëliet zag hooger dan de bergen, en wist, dat, ook waar bergen zouden wijken en heuvelen wankelen, de trouwe God des verbonds een toevlucht zou blijken, zelfs in den grootsten nood. En daarom lezen wij hier: „Immers is mijne ziel stil tot God; van Hem is mijn heil."

Wat is 't verschil tusschen het leven van den geloovige en dat van hem, die den levenden God niet kent ? In beider leven is moeite en zorg, teleurstelling en strijd. Maar de eerste heeft — al beseft hij het in de kleinheid en zwakheid van zijn geloof vaak veel te weinig — een Toevlucht, en kan daarom stil wezen te midden van den huilenden storm.

God is een Toevlucht. En Hij is zulks op het allerheerlijkst in Christus Jezus, het Lam Gods, den Verzoener en Behouder. Hij is een Toevlucht, niet omdat wij ons zulks waardig gemaakt hebben, maar uit loutere genade. Doch daarom is die toevlucht ook iets zoo rijks, zoo onuitsprekelijk heerlijks. Wie bij God schuilt, dien is het als het kind, dat door eigen schuld tot honger en ellende vervallen is, maar dat, wanneer het met een door berouw verslagen hart terugkeert, een toevlucht vindt in vaders huis, aan moeders hart.

Mijn ziel is immers stil tot God! Kent gij dat stil zijn tot God, dat stil zijn temidden van al de aanvechtingen; dat stil zijn, omdat ge met al uw last en moeite, in weerwil van al uw dwaasheid en schuld, een toevlucht kent ? Een toevlucht, die er is midden in deze wereld van zonde en dood, al¬

leen om Christus' wil.

Als gij deze toevlucht kent, dan is de zorg en de strijd niet voorbij, maar de zorg zal het niet winnen, en de strijd zal u den moed niet doen verliezen. Dan is zelfs de dood geen schrik meer, want de Overwinnaar van dood en graf is een toevlucht, ook als de doodsschaduwen ons aan alle kanten omsluiten.

Wat is het een voorrecht, een rijkdom, wat is het een groote genadegave, dat wij mogen spreken van dat:

Juichen midden in de pijn,

Meer dan overwinnaars zijn.

Wat is het iets groots, dat God op onze donkere en stormachtige paden het lioht van Zijn blijdschap laat vallen. Wat is het iets onbegrijpelijks, dat wij, die in ons zelf telkens de nederlaag lijden in den strijd tegen wereld, vleesoh en Satan, mogen jubelen van een meer dan overwinnaars zijn.

Meer dan overwinnaars, niet omdat wij zoo sterk zijn, maar omdat God onze Rotssteen, onze Toevlucht is. Onoverwinnelijk, niet omdat wij beter zijn dan anderen, maar omdat Christus ons heeft liefgehad.

A. Troelstka.

JEUGD EN KERK.

n.

Ontwaking der jeugd.

Nu dan, allereerst een en ander over de jeugd.

Het hedendaagsche leven met al zijn jachten naar arbeid of genoegen, zijn werkplaatsen, zijn bureaux, zijn fabrieken, zijn beurzen, zijn altijddurende, immer groeiende onrust, zijn internationale treinen, vliegmachines,telefonen, radio's, bioscopen, motors en auto's, zijn voorstellingen en demonstraties van allerlei aard, zijn honderden-een vereenigingen en de vereenigingsplichten, daaruit weer voortvloeiende, is zoo heel anders geworden, dan het vóór een vijftig jaren in de rustige dagen van den conservatieven vader Coornvelt nog was. We zitten niet meer met onze kinderen om den haard. Dat eigen haard goud waard is, is helaas! een sprookje, waarvan vele gezinnen wel eens gehoord hebben, maar dat ze nooit bij eigen ervaring hebben gekend. Er heeft, niet alleen met ons ouderen, maar ook met de jongeren van dezen tijd een alseheele ommekeer plaats gehad.

In 't algemeen sta hier voorop, dat er een tijd in het menschenleven komt, wanneer ingrijpende verandering met hem plaats grijpt. Dat begint met de puberteitsjaren. De Duitschers spreken van de sturm- und drang-periode. Dan heeft er een opmerkelijk groeiproces plaats; t kind d

Armen en beenen worden knokiger de

gelaatstrekken verscherpen zich. Het geluid wordt zwaarder, ietwat onzuiver en schor, lichtelijk overslaande van he 7Ó(^

andere register. De aandacht v< P

eigenaardig veranderde lichaa ,_

telijk zelfbeschouwingsdrang . jj_

roept. De tijd van de zelfontled beschrijving vangt aan. Dan gaat J g

een dagboek houden; verzen en allerlei correspondentie is vaak 't resultaat van hun bijzonder interesse voor het zoo interessante ik. Gelukkig, dat een geweldige bewegingsdrift hier temperend werkt.

Maar dat is 't eenige niet, waardoor deze sturm- und drangperiode zich kenmerkt.

De jeugd komt dan in de gevoelige periode van eigen machts- en rechts-bewustzijii.

Zij heeft behoefte om zich in kracht door allerlei sterke toeren te openbaren. Zwak schijnen, is dan uit den booze. „Er onder zitten," 't hatelijkste woord dat ze kennen.

Daarbij gaan ze zich als rechtspersoonlijkheid voelen. Ze gaan eischen stellen omtrent hun behandeling. En wat voor eischen soms! Goedgeleide jongelui zullen zich tegen het gezag in huis niet verzetten; natuurlijk niet. Ook op de catechisatie niet. Niettemin dient hij die er de teugels in handen heeft, op te passen, dat hij ze niet al te sterk aantrekt. De jongens willen niet meer als kindertjes behandeld worden, anders springen ze uit den band. Tekort aan ouderlijke takt wordt niet licht weer goedgemaakt.

En dan nog dit.

De fantasie ontwaakt. Er komt perspektief in de jeugdige verbeelding. „Hun toekomstwereld is een heerlijk droomenland, 'n grootsche rol zullen ze daar spelen. Idealisme bruist in hun hart. 't Loopt schuimend over den rand. Ideaal-menschen verlangen ze nu ook rondom zich. Aan ideaal-menschen willen ze zich. in de hoogte trekken en zelf ook hoogstaande menschen worden. Wie dit ideale streven van de jeugd negeert of misschien wel nekt, grieft hen

vaak dieper dan wordt oedoeid. ïNeem neu daarom au sérieux en tracht het te leiden in de rechte banen van 's Heeren Woord.

De jeugd een oogenblik van den psychologischen, ook van den physiologischen kant te bezien, voert wel wat ver; maar heeft toch zijn voordeel voor wat nu gaat

volgen. , , ,

Wij begrijpen nu te lichter, dat de zucnt

om alles te organiseeren, uit de grootemenschen-wereld op de jongeren van onzen tijd is overgeslagen. Deze zucht heeft door den wereldoorlog nog een machtigen stoot gekregen, zoodat zij niet meer te houden is. Daarbij spreekt soms de revolutiegeest, die er waart door ons geslacht, een krachtig woord mee; want de jeugd is vlak voor radikale oplossingen en zou de samenleving liever in twee weken dan in twee eeuwen hervormen tot een paradijs, waar ieder vredig zit onder zijn vijgeboom en onder

zijn wijnstok. ..

De jeugd is, zeg maar, ontwaakt. Zij wil vrij zijn. Geen tradities. Geen gezag, ueen kluisters. Geen oude paden. Nieuwe wegen wil men op. Met vliegende vaandels en donderend geweld, als om alles wat staat 't onderste boven te loopen, komt de jeug

te voorschijn uit de stadspoort harer onbevangen jonkheid en toont zich m het vlakke veld van het praktische leven. We hoorei: van jeugdorganisaties, jeugdclubs, jeugdbladen, jeugddemonstraties, jeugdconterenties, jeugdcongressen, ook jeugddiensten

en jeugdkerken.

We mogen het onaangenaam en lastig vinden. Maar we redeneeren het niet weg. Want de jeugd staat, in het besef van haar frissche kracht, tegenover ons. Zelfbewust. Met eigen idealen.

Zelfs met felle aanklachten.

Want zij heeft den donder der kanonnen op de wijde slagvelden van Noord-Frankrijk gehoord; zij heeft den rossen gloed van de in brand gestoken steden en dorpen met eigen oog aanschouwd; de jammerkreten van gewonden en stervenden zijn tot haar doorgedrongen; de tranen, het onuitwischbare leed van duizenden bij duizenden oorlogsweduwen- en weezen hebben haar gemoed geschokt; en ... • zij heeft het begrepen, dat deze wereld, zonder het mom der beschaving voor het gezicht, het werk is van haar ouders, haar opvoeders, haar