is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2132, 15-08-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit verrukt ? Wien heeft zij nooit doen bezwijken van verlangen of 't hart doen springen van vreugd?

Wien straalde zij geen hemellicht in de ziel als 't woord van verzoening weerklonk ? Wien toonde zij nooit haar gewaad in 't smetteloos-wit der sneeuw ? Wie ontdekt haar niet in een moeder die troost en een vader die zich ontfermt over zijn kinderen? Wie zag nooit haar vriendelijk wenken in al wat op aarde goed is en schoon ? Wie heeft haar handdruk nooit gevoeld in reddende liefde, haar Schrift niet gelezen in 't gewijde blad, haar stem niet vernomen in 't Evangeliewoord, of haar spraak niet bejuisterd bij 't volk dat 't geklank kent ?

Schoonheid van Zion, gij zijt eeuwig; gij zijt een vreugde der gansche aarde. Waar geendenkers gedachte Uw heerlijkheid bereiken en geen kunstenaarshand Uw Schoon malen kan, zijt gij den kinderkens geopenbaard en zingt der zuigelingen mond uw lof.

Schoonheid van Zion, Gij toeft hier op aarde als gast. Ons arme hart kan u niet bevatten. Maar wij schouwen u van verre en verlangen, en worden stil, en aanbidden.

Kom niet eer wij zijn bereid Uwe heerlijkheid 't ontvangen Tragen kinderen dooft de tijd Al te vaak 't vurigst verlangen.

Stille schouwen wij Uw schoon, Schreiend staren we op Uw gloren, Sidderend stamelen wij Uw schoon, God, Die Zion hebt verkoren.

Schaamrood schouwen wij het kwaad, Schuldigen, die Uw schoon schonden. Ach, hoe schoon was ons gewaad! Hoe afschuwelijk zijn zonden!

Zion, naar uw schoonheid smachten. Zielen, zonde- en zorgenzwaar Zuchtend uit hun donkere schachten Of hun oog Uw schoon ontwaar'.

Schijne Uw schoon in onze zied,

Buige Uw schoon ons ten gebede, Waar Uw licht door vensteren viel, Daalde schoonheids stille vrede.

Al wat kleuren mogen malen,

Al wat kennis ooit begeert,

Moog' ons van Uw schoon verhalen: Naar U is het al gekeerd.

Al wat talen ooit vertolken Welke toon de ziele streelt, Al 't vermogen aller volken Is ons van Uw schoon het beeld.

Zion, zoet zijn ons Uw zangen. Heerlijk Uw volkomenheid.

Zion, U groet ons verlangen.

Alle schoon Uw schoonheid beid'.

Ch. E.

„ CHRISTENGEMEENSCHAP.''

Zeker, ik ga ook in het algemeen schrijven over de gemeenschap van Christenen.

Voornamelijk in onze groote steden ontbreekt daar alles aan. En dat niet, omdat een Christen daar in doorsnee zooveel minderwaardig is dan elders; maar omdat de gemeenschapsband door afstanden, onbe-' kendheid met elkaar en gejaagdheid van het leven er niet onderhouden, niet eens aangeknoopt kan worden. Zoo is „de gemeenschap der heiligen" veelszins een dood artikel in de groote stad.

In het bijzonder bedoel ik echter de „Christengemeinschaft", zooals ze in 1922 door Dr Friedrich Rittelmeyer, op wien twee deelen van den geest van Rudolf Steiner, Anthroposoof, eerder paladijn van Mevrouw Annie Besant, de Theosofe, zijn neergedaald, in het leven is geroepen. En nu hebben we ook al afdeelingen in den Haag en Amsterdam, waar men dus spreekt van ,,de Christengemeenschap."

Wat men wil?

Laat Dr. Rittelmeyer zelf het antwoord geven: ,,De ziel der Christengemeenschap is niet een geloof, of een dogma, ook niet een streven of een program, maar de levende, scheppend-tegenwoordige Christus zelf, niet een Christus uit het verleden, waaraan men gelooft, noch een Christus in de toekomst, waarop men wacht, maar de op dit oogenblik werkende Christus in het j

hart der Christengemeenschap. De priesters der Christengemeenschap voelen zich als het bloed, dat om gereinigd en gesterkt te worden, steeds tot dit hart in meditatie en „inkeer" moet terugkeeren, om dan alle wijdten van het wereldlichaam met leven te kunnen vervullen. Dit is hun sacramenteel werken."

Want, zooals gij wel zult weten, de Rittelmeyerianen volgen de zeven sacramenten van de Roomsche kerk. Zij spreken van Doop, Jeugdwijding (vormsel), Priesterlijke Zielszorg (biecht), het heilige Maal, Huwlijkswij ding, Priesterwijding, Stervenswijding (laatste oliesel). In het middelpunt van het gemeenschappelijk religieuze leven staat de Menschen-Wijdingsdienst, waarin het heilige Maal wordt gevierd.

Gij bespeurt, dat men van de Roomsche kerk zeer getrouwelijk, zij 't onder ietwat andere namen en woorden, den heelen altaardienst heeft overgenomen. Rittelmeyer zegt ook: ,,De Christengemeenschap brengt een nieuw sacramentalisme"; doch volgens hem, mag men hier niet „het dorre begrip van het Protestantisme", noch „het magische van de Katholieke Kerk" aan hechten. De sacramenten zijn, volgens „Mededeelingen omtrent de Christengemeenschap", mij in Amsterdam door één harer leden verstrekt, handelingen, waardoor de mensch zich aansluit aan Christus; hij ontvangt Zijn kracht, die hem tot in zijn lichaam en bloed herstelt en vergeestelijkt!

Ook deze geestelijke beweging, die niet minder dan „religieuze vernieuwing" wil, dienen wij te kennen en te beoordeelen. Vooral ook, omdat zij op jongelui, studenten, artisten en dergelijke, een zekere bekoring uitoefent. Het gevaar is wel niet groot, dat de Christengemeenschap de kerk op zij zal dringen; daarvoor is ze te vaag en te gemaakt. Nochtans onderschatte niemand de zucht van onzen tijd naar „religieuze vernieuwing"; en dan de nadruk gelegd zoowel op het eerste als op het tweede woord,

In het Rittelmeyeriaansche streven is ongetwijfeld, wat een belijdend en belevend Christen te waardeeren heeft.

Dat men in de kringen der Theosofie (want de band van Rittelmeyer met den Anthroposoof Rudolf Steiner is onmiskenbaar; en de band van Steiner aan de Theosofie is wel door dezen ontkend; niettemin is hij na te speuren en ook geheel te verklaren) din naam van Christus noemt; ja dien naam weer in het middelpunt van zijn gelooven en beleven zet.

Dat men naar den levenden Christus vraagt. Al doet het „schèppend-tegenwoordige" vreezen, dat die levende Christus voor den Rittelmeyeriaan niet de Schulddelger en Verlosser van Golgotha is; doch veeleer een wereldrealiteit, een goede gedichte, een doorwerkende en allesbeheerschende idee.

Dat men zoekt naar de unio mystica, de verborgen gemeenschap met den Christus. En de wegen van meditatie (d.i. stille overpeinzing) en inkeer tot zichzelven daartoe wil bewandelen. Artikelen, die onze sportieve, technische, nuchtere tijd broodnoodig heeft.

Dat men het niet louter zoekt in het innige leven, doch ook „alle wijdten van het ! wereldlichaam" van het Christus-leven vervuld wil zien. Dus, de praktijk van het Christelijke leven. Het leven der dankbaarheid, zooals onze Heidelbergsche Catechismus het betitelt.

Dat men weder vraagt naar de gemeenschap der Christenen, als één van de voorwaarden tot religieuze vernieuwing. Dus, 't artikel van „de gemeenschap der heiligen" niet louter leerstuk; maar levenswerkelijkheid. Thomas onder de medediscipelen. En niet op z'n eigen houtje.

Wie de punten, door mij genoemd, in oogenschouw neemt, zal niet kunnen ontkennen, dat ook ,,de Christengemeenschap" de kerk van onzen tijd in haar verdeeldheid en geesteloosheid een ernstige prediking brengt.

Niettemin denken wij er niet aan om „de Christengemeenschap" op een of andere wijze te steunen. Wij gelooven, dat Rittelmeyer, met al zijn goede bedoelingen, aan het Christelijke leven, om maar niet te spreken van de Christelijke Kerk, veel kwaad doet.

Men zet de H. Schrift op zij. Zij wordt niet eens genoemd. Slechts Christus wordt genoemd; alsof de naam van het vleeschgeworden Woord tot ons gekomen zou zijn, wanneer niet het eene geslacht aan het andere het geschreven Woord had overgereikt.

De geschiedenis van Gods kerk verw ar- I loost. Rittelmeyer. Zóó wordt 'them gemakkelijk naast en tusschen en tegenover de bestaande kerken zijn Christengemeenschap te zetten. Immers, „haar leden kunnen deel blijven uitmaken van het een of

andere kerkgenootschap." Och ja, want dat „een of andere kerkgenootschap" is niet anders dan de eerste de beste vereeniging. De „Christengemeenschap", dat is het ware. Zij is „geen sekte, zij is een uiting van de onzichtbare kerk van Christus."

Het dogma bestaat voor Rittelmeyer niet. Tenminste in theorie. Want opmerkelijk is, dat menschen, die zeggen geen geloofsartikel of leerstuk te willen, maar het leven alleen, steeds moeite hebben met zichzelven om zich niet als fanatieke leerdrijvers te openbaren. Rittelmeyer's Christengemeinschaft is op en top kind van dezen tijd. „Gefühl ist alles", leeraarde Goethe. Rittelmeyer en honderden mystiekers in onze dagen herhalen dat. En dat gevoel bergt men dan in altaarschalen en hostiekelken. En men behangt het met litteraire sluiers en draperieën. Dus gaat de Christengemeenschap in Amsterdam dan spreken over „Parzival's Graaltocht als weg van den christen" of „De Graalsburgt als levensbron." Gij merkt, dat het recept litteraire en aesthetische grondstoffen bevat. Maar het dogma is uit den booze! 't Zou de moeite waard zijn eens langs psychoanalytischen weg uit te maken, hoeveel dogmatiek Rittelmeyer nog wel meevoert. 't Kon blijken, dat de dosis verrassend groot was.

De rechtvaardig making uit het geloof wordt geschrapt. D.w.z. het hart uit het Christelijk geloof weggesneden. Immers, Rittelmeyer leert: „wanneer men de Christengemeenschap voorhoudt, dat vóór alle genade eerst het pijnlijke inzicht moet komen, dat slechts de zondaar rechtvaardig is voor God, dan verraadt zich in zulk een formule de geest van een individualistischintellectualistisch tijdvak, dat wij nu achter ons*hebben gelaten. Dat is de verkeerd begrepen Paulus." Met vage termen, met groote woorden denkt Rittelmeyer over dit stuk heen te komen; de stap van persoonlijke bewustzijnsontwikkeling tot „een omvattend wereldbewustzijn" moet worden gedaan.

Rittelmeyer verloochent Luther, de kerkhervorming, het echt Schriftuurlijke beginsel van de rechtvaardigmaking uit het geloof en ruilt dat alles in voor Roomsche praktijken. Hij moge dan zeggen, dat de Roomsche kerk zich al meer heeft vervreemd van den geest van onzen tijd. Maar het eind van het lied zal zijn, dat zijn Christengemeinschaft, zoodra de gevoelszwelging heeft opgehouden (en dat duurt geen 25 jaar!), uiteenstuift en haar leden eensdeels terugzinken in hun vroeger scepticisme, anderdeels zich werpen in de armen van Rome's kerk. En dat kwam dan alles zóó, onder de leuze: de levende, scheppendtegenwoordige Christus.

Amsterdam. H. Bakker.

WIJZE VAN BESTRIJDING.

Dat het ingediende reorganisatievoorstel op bestrijding zou stuiten was te verwachten.

In het verslag omtrent deze zaak, dat de N. Rot. Courant onder haar kerknieuwsgeeft, vinden we al dadelijk een zoo karakteristieke proeve van indirecte, maar toch zeer kennelijke bestrijding, dat we het gewenscht achten die eens onder het oog onzer lezers te brengén. Om de bestrijdingswijze beter te doen uitkomen onderstreep ten we eenige zinsneden en plaatsten een paar vraag- en uitroepteekens tusschen haakjes.

Hier volgt het:

HET REORGANISATIE-REGLEMENT.

Waarom de vrijzinnigen het terstond in behandeling wilden nemen en de orthodoxen daar tegen opzagen. — Uitstel van executie gegewenscht• ter wille van een plechtige uitvaart. De aantrekkelijkheid en de onaangenaamheid van een vruchteloos debat. — De hoofdlijnen van hat reglement.

Wij kunnen ons voorstellen, dat Dr. C. J. Niemeyer, die een voortvarend man is, het nieuwe Algemeene Reglement dat de z.g. reorganisatie-commissie bij de Algemeene Synode der Ned. Herv. kerk heeft ingediend, maar onmiddellijk m behandeling zou willen nemen. Het academisch debat, dat zich naar aanleiding van deze materie tusschen de leden der orthodoxe fractie zou ontspinnen, moet voor de vrijzinnigen wel aanlokkelijk hebben geschenen. Als één man hebben zij voor onmiddellijke behandeling gestemd.

Dat de orthodoxe fractie hiertegenover voor uitstel was, is even begrijpelijk. Er zullen ondei de synodale rechterzijde slechts weinigen zijn, die in hun hart voor deze verandering gevoelen. De meesten zullen bezwaren hebben en hun best willen doen, deze aldus te formuleeren, dat ze het pijnlijke verwijt kunnen ontgaan, dat na de verwerping de teorganisatie-mannen wederom zullen richten tegen een toch in naam overwegend orthodoxe synode.

Want dat dit reglement zal worden verworpen, staat vast. Reeds in eerste instantie staan 8 vrijzinnige tegenstemmers tegen 11 orthodoxen.

Hoeveel van dit elftal zal in dezen zin ,,orthodox" blijken, dat het de reorganisatie-gedachte aanvaardt ? Er behoeven slechts twee afvalligen zich bij de „modernen" te scharen, of het voorstel is van de baan. Is iemand als Ds. van Paassen voor het voorstel te vinden ? Of de president, Ds. Weyland ? We noemen slechts voor de hand weg een paar voor het reorganisatie-plan al dadelijk vrij omineuze namen.

Gesteld echter, dat er onder het orthodoxe elftal tien voorstanders zich openbaren en dat ook in tweede instantie de synode des volgenden jaars het georganiseerde reglement met meerderheid van stemmen aanneemt, dan blijft toch reeds bij voorbaat de mogelijkheid uitgesloten, dat twee derden der leden van de Provinciale Kerkbesturen er hun goedkeuring aan zullen hechten.

Daarom spraken wij van een acaderrasch debat. Al zal zoo'n bespreking, gelijk wij opmerkten, voor de vrijzinnigen aanlokkelijk zijn, om het ietwat ondeugend pleizier, dat de verlegenheid van sommigen hunner medeleden hun bij dit orthodoxe démasqué zal verschaffen, deze vreugde zal toch slechts betrekkelijk zijn. Want voortvarende mannen, die hun tijd in welk college dan ook liever aan werken dan aan praten willen besteden, zullen kregel worden onder een vruchteloos geredekavel over een onderwerp, dat hun slechts zeer matige belangstelling inboezemt en dat zij reeds uit den treure hebben hooren uiteenzetten.

De reorganisatie-gedachte en haar motiveering is gaandeweg al zoo oud en er komt nooit ook maar eenige afwisseling in de wijze van pleitvoeren. Men weet het nu wel. Men gelooft het nu wel( ?)

Als men er dan tóch niet aan kan ontkomen, dan het liefst dadelijk maar. Hoe eer we er aan beginnen, te eer zijn we er af. Aldus ongeveer zal de redeneering van Dr. Niemeyer geweest zijn. (?)

En ofschoon ongetwijfeld er onder de orthodoxe fractie meer dan één is geweest, die moeite gehad heeft om niet voor dit verleidelijk voorstel 'e bezwijken, heeft men zich schrap gezet om althans den schijn te redden. De beleefdheid eischt, dat men aan een pompeus verschijnsel als de reorganisatie een plechtige begrafenis toestaat. Met de kosten en den tijd van een buitengewone vergadering komt men dan toch iets tegemoet aan de uiterste rechterzijde, die men liefst niet al te onvriendelijk van zich stoot. Aldus zal men bij de uitvaart in Januari a.s. de reorganisatie de noodige „eerebieding" betuigen.

Een dergelijk motief voor uitstel van executie is beter te begrijpen dan hetgeen men thans met synodale hoffelijkheid aanvoert: dat de stof van deze belangrijke aangelegenheid zoo ingewikkeld en veelomvattend zou zijn. Op den keper beschouwd, is de zaak vrij eenvoudig. En nieuw is zij allerminst! Hier van onvoldoende voorbereiding, laat staan van een overrompeling te spreken, zou waarlijk al te zeer met de werkelijkheid strijden.

Er verandert in de praktijk niet eens bijster veel volgens dit reorganisatie-reglement. De verandering zit meer in de nomenclatuur dan in de feiten. Maar in de benamingen openbaart zich dan ook het zoo vurig bepleite beginsel.

De reorganisatoren hebben zich steeds verzet tegen het ,,bestuurs"-karakter der kerk. Maar hun ontwerp wordt nog „bestuurlijker" dan de thans vigeerende organisatie. Zij spreken zelfs van „regeering". (!).

In hun benaming nemen zij de wereldlijke monarchie tot voorbeeld. „De regeering der kerk op grond van het Koningschap van Christus" is hun uitgangspunt. Maar zooals ook het wereldlijk hoofd van den staat op den achtergrond blijft, laat de Koning der Kerk de uitoefening van het gezag en de verantwoording daarvoor verder over aan de in Zijn naam optredende regeering.

De algemeene synode, thans rechtstreeks door de classicale vergaderingen verkozen, blijft wat zij is en evenzoo blijft de algemeene synodale commissie. Het provinciaal kerkbestuur, dat zijn recht van veto verliest, maar overigens vrijwel gelijk blijft, heet nu provinciale synode en het classicaal bestuur krijgt den naam van algemeene classicale commissie.

Het classicale punt is de leertucht. Waarom „openbare" strijd met de belijdenis in „ernstige" strijd is veranderd, is ons niet duidelijk. Of kan men onder vigueur van de reorganisatie ook vervolgd worden wegens niet-openbare onrechtleerschheid ? Dit zou het onderzoek naar verborgen ketterij beteekenen. „Krypto"-Pelagianisme kan ernstiger zijn dan openbaar Pelagianisme.

Er zou nog wel een en ander op te merken zijn over de norm van de belijdenis, waarnaar de „geestelijke politie" „deze ware kerk" zal komen te „regeeren" en ook over de „medische" wijze, waarop zij in het overgangstijdperk de verbasterde kerk van ketters en ketterijen wil zuiveren. Maar laat ons niet vooruit loopen op hetgeen de tweede week van Januari ons te hooren zal geven. Voorloopigis het woord aan de „officieuze" uitspraak der kerk. Dat deze het zich met dit onderwerp al te druk zal maken, gelooven wij niet.

Hier wordt dus de reorganisatie bestreden door de poging om de voorstelling ingang te doen vinden, dat 't hier slechts geldt een oude zaak, die verveelt door eindelooze herhaling van aan allen bekende zinledige redeneeringen en door de tijdverspilling van een nutteloos debat; een minderwaardige zaak, waarmee een vrijzinnige en eeneenigszins verlicht orthodoxe het niet ernstig neemt, wijl die geenerlei ernst verdient, 't Lijkt misschien twijfelachtig of het den voorstellers zelf er wel ernst mee is. In ieder geval is het alles slechts een schijnvertooning, die gelijk alle schijn noodwendig op niets uitloopt en straks haar „waardig" einde vindt in den schijnernst eener „plechtige begrafenis."

De wijze, waarop de organisatie vrienden de reorganisatiemannen bestrijden is blijkbaar sinds de bestrijding van Hoedemaker