is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 42, 1929-1930, no 2182, 31-07-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt in Buddenbrooks geen propaganda voor 't materialisme! Hij komt ook niet, zooals heden ten dage nogal gebeurt, met de heerenmoraal van Nietzsche, meer of minder verdund, aandragen. Hij zegt zelfs

zeer gewenschte en gezegende dingen. Prachtige dingen. We kunnen ze voor de praktijk van ons eigen leven en van onze omgeving best gebruiken. Bijv. difc. Wanneer oom Christiaan, een schipbreukeling op de levenszee, een doordraaier zouden wij zeggen, zijn neefje opgetogen over een voorstelling in den schouwburg hoort vertellen, zegt hij: „Heeft dat zoo'n indruk op je gemaakt 1.... Hoor es, kind, laat ik je toch raden, hang niet teveel aan die dingen.... Schouwburg.... en dat gedoe.... Dat deugt niet, geloof je oom. Ik heb me in mijn leven voor die dingen maar al te veel geinteresseerd en daarom is er niet veel van mij terecht gekomen. Ik heb leelijke mispassen gemaakt, weet dat wel...."

Maar Protestantsche religie en Protestantsche voorgangers krijgen in Buddenbrooks een leelijke veeg uit de pan. Dat

stcicti. vx ij wei geiijK met letterknechterij, huichelarij en dweeperij. Onder al de vertegenwoordigers van den Protestantschen godsdienst (de Roomsche religie wordt ongemoeid gelaten; op een enkele bladzij in den persoon van een liefdezuster gecomplimenteerd), hetzij gemeenteleden, hetzij predikanten, is er nu niet één, ja ook niet één, die in staat is onze sympathie te verwerven. In het Amsterdamsche Kerkbeurtenblad (22 Maart j.1.) schreef ik daarover in eenartikel: „ThomasMann en, de dominé's" o.a.: „De een is een volmaakt weltmensch (Wunderlich) en 't best te spreken aan een fijne tafel, bij een goed glas wijn. De ander is een onbeschaafd, ruw type (Kölling), die altijd weer te ver gaat in zijn predikaties. Een derde danig op de dubbeltjes (Tibustius). Een vierde hoog, koud en liefdeloos (Pringsheim). Een vijfde heet in de wandeling Thranen-Trieschke (d.i. TranenTrieschke), „omdat hij iederen Zondag eenmaal midden in zijn preek begon te huilen."

Thomas Mann geeft van het Christendom en zijn vertegenwoordigers een voorstelling, die den vreemdeling in dit Jeruzalem doet zeggen: dank je wel voor zóó'n godsdienst; en hem drijft op den weg van .... den bond der god-loozen, al zou hij er ook in de verste verte niet aan denken, ooit van zoo'n bond lid te worden.

Wat deze schrijver van leven en sterven zegt, is door en door heidensch; al is het waar, dat hij gewoonlijk de Buddenbrooks in hun tamelijk verwereldlijkt Christendom spreken laat en eigen opinie achterwege houdt. Maar een enkele keer komt deze toch om den hoek kijken en leeren wij de wereldbeschouwing van dezen beroemden mensch kennen. Wij koman bijv. bij 't sterfbed van den ouden heer Buddenbrooks te staan. Van zijn zoon en kleinzonen neemt hij afscheid. Tot den eerste zegt hij: „Wees gelukkig, Jean! En altijd courage!" Tot Thomas: „Help je vader!" En tot Christiaan: „Word wat goeds." Dan zwijgt hij, ziet allen nog eens aan en keert zich naar den wand met een laatste: „curieus"! Wat anders. Thomas Buddenbrook, de Senator in Lübeck, voelt zich in de nachtelijke stilte van zijn slaapvertrek ellendig en niet ver meer van zijn einde af; nu houdt hij bespiegelingen over leven en dood, tijd en eeuwigheid. Dan laat de schrijver hem o.a. zeggen: „Ik zal leven! Ja, dat is het, ik zal leven! Hét zal leven .... en dat niet ik, die het ben, dat is maar een waan; dat is een dwaling, waarover de dood wel gericht zal houden." En de schrijver gaat daarna voort. „Einde en oplossing? Driewerf ellendig die deze nietige begrippen als een verschrikking doorvoelt! Wat zou ooit eindigen en wat zich oplossen? Dit zijn lichaam.. .. Deze zijn persoonlijkheid en individualiteit, deze gebrekkige, lastige en hatelijke hinderpaal om wat anders en beters te worden ?.. .. Ik draag den kiem, de mogelijkheid, den aandrang tot alle bekwaamheden, tot alle werkelijkheden der wereld in mij .... Waar ik zijn zal, wanneer ik dood ben ? Maar dat is zóó klaar als de dag, zóó overweldigend eenvoudig! In al diegenen zal ik zijn, die door alle tijden heen Ik gezegd hebben, zeggen en zeggen zullen: maar vooral in degenen, die het voller, sterker, vroolijker zeggen."

Inderdaad. Socrates stond tegenover het sterven en wat er daarna komt, positiever dan Thomas Mann. Socrates geloofde aan een persoonlijke onsterfelijkheid. En wat -Thomas Mann met zijn „ik zal leven!" wil, is zoo helder als de mist. Noemt men dit psychisch monisme ? Of neigt het naar collectieve re-incarnatie ?

Even negatief verhoudt deze schrijver zich tegenover den invloed van het Christelijk geloof in het praktische leven.

t Is dom gedweep of gehuichel. 't Schijnt altijd te gaan om den broode of om een vet baantje of om den gloriekrans om eigen slapen. Hoogere of diepere motieven in het Christelijk geloof zijn dezen schrijver, die

toch'waarlijk wel met zijn blik door den mensch weet heen te boren, helaasl t.ATÏ

eenenmale vreemd. Bijv. „Bovendien namen de bezoeken van predikanten en zendelingen van iaar tot iaar toe: want, Imt,

indrukwekkende patriciërshuis in de Mengstrasze, waar men, dit tusschen twee haakjes, zóó copieus dineerde, was in de wereld van de Luthersche en Gereformeerde

geestelijkheid en van de in- en uitwendige zending sinds lang bekend als een gastvrije haven en uit alle deelen van het vaderland arriveerden bij gelegenheid zwartsrekleede.

langharige lieeren om hier een paar dagen te vertoeven.... zeker van godvruchtig discours, eenige degelijke maaltijden en

KimKenae steun voor de (Jhristelnke doel¬

einden."

Nog bonter maakt Thomas Mann 't, wanneer hij schildert: „Tranen-Trieschke, die zich door een bleek gezicht, roode oogen en een echt paarde kinnebakken onder¬

scheidde en gedurende acht of tien dagen afwisselend met de arme Clothilde om strijd at en „andachten" hield, raakte bij deze gelegenheid verliefd op Tony.... en dat niet op hare onsterfelijke ziel, o neen! maar op haar bovenlip, haar dikke haar, haar lieve oogen en haar bloeiende gestalte! En deze godsman, die te Berlijn een vrouw en vele kinderen bezat, ontzag zich niet, door Anton, den bediende, in Mevrouw Griinlichs (d.i. Tony, die van Grünlich gescheiden was) slaapkamer op de tweede verdieping een brief te doen neerleggen, die uit Schriftgedeelten en een zonderlinge, kruiperige teederheid was aangemengd.... Zij vond hem bij 't naar bed gaan, zij las hem en ging vastberaden de trap af naar de eerste étage, naar de slaapkamer van de „Ronsulin", waar zij haar moeder bij kaarslicht het schrijven van den zielzorger, heel ongegeneerd en met luide stem voorlas, zoodat Tranen-Trieschke voortaan in de Mengstrasze onmogelijk was."

Och ja, zóó zijn er! En nog wel erger. Maar zijn ze zóó allen? Dien indruk wekt Ihomas Mann. Dat is het fatale van zijn boek. Maar ook het groote gevaar. Hier wordt de Sovjet in de hand gewerkt met valsche voorstellingen. Op een elegante wijze; met lichten spot. Maar 't gaat mis. En de man in de straat briescht straks tegen.. .. de fijnen. Koren op de molen van de Volkscommissarissen in Rusland. Ruimt allen godsdienst op! Opium! Comedie! Priesterbedrog en niets dan dat!

Nog verschillende staaltjes zou ik uit Mann's boek willen geven. Want soms weet hij het piëtistische, Duitsche Christendom zóó raak te typeeren. Bijv. Hij heeft 't over het lezen van stichtelijke lectuur: „Ook kwam vaak voor den Bijbel in de plaats een van die stichtelijke boeken in zwarten band, verguld op snee, die Schatkamers, Harpen, Wij dingsstonden, Morgenklanken en Pelgrimsstaven, wier voortdurende teederheid voor het zoete, aanminnige Jezuskindje een beetje misselijk aandeed en waarvan er in huis al te veel voorhanden was."

Doch ik eindig.

E venwel, niet voordat ik de vraag heb gesteld, die ik, ook in het Kerkbeurtenblad deed, hoe 't komt dat een schrijver met zulk een scherpen blik op de menschelijke ziel, haar deugden en ondeugden, nergens het j echte goud des Christelijken geloofs heeft ontdekt, noch bij gemeenteleden, noch bij hun voorgangers. Is hij dan in zijn Protestantsche vaderstad, Lübeck, nooit met dat ware, Christelijke geloof in aanraking gekomen ?

Ik wil er mij niet afmaken met te besluiten, dat Thomas Mann van den tijdgeest overdropen is en dus vijandschap tegen Christus en Zijne kerk dezen schrijver dwars gezeten heeft bij de samenstelling van Buddenbrooks. Neen, ik vrees, dat Thomas Mann in vroeger jaren pijnlijke ervaringen heeft opgedaan met menschen, die zeiden te gelooven; maar 't ook alleen zeiden. De „wortel der godzaligheid" ontbrak hun. Misschien is hij in aanraking geweest met geloovigen, die zich als een luierik of een dommerik, misschien wel als een vuilik openbaarden. En dat werkt na!

Al is dan Buddenbrooks niet vleiend voor den geloovige, hij zal goed doen dit boek te lezen en zich daarin te spiegelen. De kerk van Jezus Christus had door alle tijden henen „levende brieven van Christus" van noode. Toegewijde dienaren en oprecht geloovigen. Maar in dezen tijd, nu er zóó dichte rijen staan tegenover de phalanx van Gods kerk, heeft zij dat dubbel noodig. De naam des Heeren wordt maar al te veel gesmaad om zijn eigen discipelen.

Buddenbrooks vleit niet. Het hekelt en het spot; zij 't op magistrale wijze. Waakt dan en bidt opdat gij niet in verzoeking komt, geloovigen; en allereerst gij, die herders en leeraars zijt. Ziet daar een stukje van het kruis, dat wij den grooten kruisdrager na te dragen hebben. Goddank! wanneer Zijn oordeel over ons niet vernietigend zij zooals dat van de menschen. Amsterdam. H. Bakker.

ONZE JEUGD EN DE DOOP.

Die den goddelooze rechtvaardigt.

Rom. 4 : 5.

Er is nog een belangrijke zaak, waarop Thurneysen in het reeds meermalen aangehaalde artikel in Zwischen den Zeiten heeft gewezen, waarop we nog de aandacht willen vestigen. Hij beschrijft daar op aangrijpende wijze de moeilijke worstelingen, die de jeugd thans heeft door te maken van wege de zeer bijzondere gecompliceerdheid

onzer hedendaagsche toestanden en dat

alles temidden van haar eigen overgangsleeftijd. Men komt niet in het reine met z'n eigen leven. Men zoekt een weg, maar

vindt nem met. Men komt door de crisis niet heen, valt en voelt zich schuldig. Minderwaardigheidsgevoel en depressies doen zich gelden.

„In zulk een toestand kan slechts één ding helpen, nl. een onbepaald vertrouwen ten opzichte van z'n eigen leven. Maar — waaraan zal men dat vertrouwen ontleenen ? " Roept nu niet heel deze toestand naar zulk een woord, dat de Kerk haar medegeeft op haar weg ? Dat is het woord der vergeving, het woord van het bedekken en niet toerekenen van onze schuld en onmacht. Is er wel een ander woord, dat ons zóó aantreft daar, waar we werkelijk zijn, midden in onze ellende en schuld, en dat ons juist daar vrijspreekt van ellende en schuld. Ik denk eraan, hoe de Kerk in den Doop reeds dit woord over het pas ontwakende leven heeft uitgesproken. Zou het niet eenvoudig hierop aankomen om dit woord van onherroepelijke genade,'dat alleen den grond kan vormen voor een onbepaald vertrouwen ten opzichte van z'n eigen leven, weer zóó uit te spreken, dat het den jongen mmsch van heden weer bereikt, zoodat hij het kan verstaan en opnf mm als een tot hem persoonlijk gesproken woord ? God staat aan uwe zijde. God kiest voor u partij. Hij verwerpt u niet, daarom moogt gij uzelven ook niet opgeven en wegwerpen, daarom hebt gij het leven en de toekomst vóór u, daarom alleen, maar daarom ook gewis! Is het niet dit eenvoudigste woord, dat de jonge mensch weer vernemen moet om door de worstelingen en stormen zijner ontwikkelingsjaren heen te komen?" A. P. J. Kromsigt.

BLAD EN BIJBLADEN.

Met groote dankbaarheid denken we nog terug aan onze mooie jaarvergadering, die ons door het uitnemend verslag van onzen Secretaris weer zoo levendig voor den geest werd gesteld. Niet mooi was dat de opkomst niet grooter was. De thuisblijvers hebben veel gemist.

Om nu hen die „wettiglijk verhinderd" waren schadeloos te stellen, bij de anderen kwaad met goed te vergelden en aan allen een blijvende gedachtenis te geven, zijnde gehouden referaten in twee bijbladen in brochure-formaat verschenen. We twijfelen er niet aan of onze lezers zullen dit op prijs stellen. Met het oog op de bijbladen zijn er wat meer exemplaren van deze laatste nummers gedrukt. De twee nummers met de twee bijbladen zijn voor 35 cent verkrijgbaar bij de Fa. H. Veenntan & Zonen, Wageningen. Allen, die ons blad met anderen lezen zijn dus in de gelegenheid om ze zich aan te schaffen. Zeer hoop ik, dat ze ook onder niet-lezers in grooten getale verspreid zullen worden. Dat beteekent propaganda voor onze beginselen. En ook voor ons blad.

Gaarne geven we onzen lezers zooveel mogelijk. We hopen, dat zij ons te meer zullen helpen in het winnen van abonné's. Ook (mede met het oog op bijzondere onkosten door deze uitgave) met finantieelen steun, bijdragen te zenden aan Ds. Groot Enzerink. Giro 45132.

In het referaat van Dr. P. J. Kromsigt wordt gewag gemaakt van nieuwe plannen voor ons blad.

Spoedig hopen we daaromtrent meer mee te deelen.

J. Ch. K.

Verbetering. In het art. Kerk en Christendom in de partijpolitiek, moet ,,Gezagsgeloof" worden gelezen inplaats van „Goragsgeloof;" — „zal het gezag van den Christus worden geëerbiedigd o/" inpl. van: „op." — „Die te spreken staatssteun",— moet zijn: „die verkregen staatssteun".

BRIEF UIT DE SYNODE.

Amice,

Al weer een week van vergaderen achter den rug. Dat wil niet zeggen, dat elke dag een zitting gehouden wordt van des morgens 10 uur tot des middags 4 uur. Meer dan eens moet er des middags vrij worden gegeven voor het houden van een synodus

contracta of voor een commissie-vergadering. Maar deze laatste duurt soms veel langer dan een middagvergadering van de Synode. En daarna moet dan door een der leden het rapport nog worden opgesteld. Dikwijls geen kleinigheid. Maar telkens weer komt in de zittingen uit, dat hoe beter de voorbereiding is, hoe beter het rapport is

gesteld, hoe eerder de behandeling in de Synode afloopt.

Veel tijd hebben ditmaal twee dingen gevraagd. Allereerst de persoonlijke Kerkvisitatie. Het verslag daarvan komt niet in de Handelingen. Natuurlijk niet. Zulk een verslag is een soort familie-archief. Niet ieders oog heeft daarin een blik te slaan. Bovendien vallen bij het lezen vaak veel meer de wonde plekken in het kerkeliik

leven op dan de goede dingen. Opmerkin¬

gen worden meestal gemaakt, wanneer er iets niet in orde is, terwijl al datgene wat geregeld verloopt, slechts wordt aangestipt. Maar wie een beeld wil hebben van het kerkelijk leven van onze dagen in onze Kerk, zal toch wel kennis moeten nemen van déze archiefstukken.

In de tweede plaats heeft de zaak van Oude- en Nijehorne heel wat bespreking gekost. Er waren een paar stukken, die niet ontvankelijk waren. Er was ook een brief van lidmaten van die gemeente. Na heel wat overleggen werd eindelijk een meerderheid gevonden voor het besluit om aan het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland te schrijven aan het Classicaal Bestuur in overweging te geven of het ook moet doen wat des Kerkeraads is.

Ditmaal moet ik ook eens wijzen op de Bijlagen. Die moet gij beslist eens inkijken. Er zijn verslagen en rapporten in, welke op belangrijke onderwerpen betrekking hebben. Lees b.v. eens het verslag der Hervormde Legerpredikanten. Het spreekt van hun arbeid, die nu reeds tien jaren aan den gang is. Het spreekt van een wensch, die in de kringen der Geref. Kerken opkomt om zelf de verzorging der militairen'* ter hand te nemen. De Hervormde Legerpredikanten waarschuwen daartegen met kracht. Zoo wordt de kazerne een jachtterrein voor de kerken.

Ook moet gij eens rustig bekijken het rapport in zake de commissie welke ingesteld zal worden tot onderzoek van de vragen, die het groote stadsprobleem vormen. Niet geheel duidelijk was, wat het rapport bedoelde. Een commissie, die blijvend zou zijn en met de verschillende kerkeraden uit de steden zou overleggen of een commissie ad hoe. De Synode heeft tot het laatste besloten. Meer dan een uiting was er, die de vrees uitsprak dat deze commissie wel niet buiten het richtingsvraagstuk zou kunnen blijven. Ook waren er nog al leden, die ietwat sceptisch stonden tegenover de resultaten van zulk een commissie. Maar die zaak is te ernstig dan dat de Synode eenvoudigweg niets zou doen. De commissie zal dan ook worden benoemd door de Alg. Synodale Commissie.

Van de nieuwe wetsvoorstellen, welke I aan het oordeel der Kerk zullen worden onderworpen, is zeker tot op dit oogenblik het voornaamste dat voorstel, hetwelk bedoelt een kas te vormen, waaruit de rijksemeritaats-pensioenen kunnen worden aangevuld tot f 1500,—. Er zijn maar een paar honderd gemeenten, die daar boven uitgaan. Maar de overige hebben allen minder. Allerlei berekeningen zijn gemaakt. Er zal jaarlijks f CO.000 voor noodig zijn. Maar de som kan er komen als alle predikantsplaatsen, die er voor in aanmerking komen 10 % betalen van het bedrag dat zij minder dan f 1500,— hebben. Bij vacature int de ring de benoodigde 10 %. En degenen, die bij de inwerkingtreding van het tegenwoordige pensioenfonds 55 jaar waren of 30 dienstjaren hadden en dus geen premie betalen voor dit fonds, zullen een dubbele premie moeten storten. Heel billijk, want zij zullen na hun emeritaatsaanvrage onmiddellijk zeer bijzondere voorrechten hebben in het ontvangen van den bijslag. Heel de regeling is eenvoudig. Natuurlijk zal echter tegelijk met de consideratiën van de Kerk het oordeel van den pensioenraad worden gevraagd. Een dergelijke regeling moet van alle kanten wordfen bekeken en door meer dan één wiskundige en financier worden beoordeeld.

Ook is de vraag gesteld of de jongeren wel mede zouden doen. Maar indien zij dat niet deden, zouden zij buitengewoon dwaas handelen. In de eerste plaats komen zij nergens goedkooper terecht. Dan wordt ook bij invaliditeit nog een uitkeering gegeven, een even groot gedeelte als in een dergelijk geval bij het rijksemeritaat wordt uitgekeerd. In de derde plaats zijn de jongeren juist in staat om de premie over te hevelen naar de gemeente, waar zij feitelijk thuis hoort. Immers bij een beroeping kunnen zij de; voorwaarde stellen dat althans deze premie door de Kerkvoogdij betaald worde. En tegen dit kleine bedrag, hoogstens een f 70,—, zal geen ge-