is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 3, 1933-1934, no 10, 01-02-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SECRETARIAAT f

A. J. BROER, BOSLAND 20 c

3e Jaarg. N.2 10 FEBR. 1934

fÏREFORMEERD

"2 VREDE IORGA4N

MA4NDBLAD VAN DE GEREF. VEPEEN

VOOR DAADWERKELIJKE VREDEfACTI

(GROEP VAN INTERKERKELIJK-GEREFORMEERDE ANTI-MILITARISTEN)

Adres van de Commissie van Redactie: H. L. van Bruggen, Waterweg 173, De Bilt; Adres voor abonnementen, tevens adres van den penningmeester: D. Fokkema Sr., Heeckerenlaan 66, Zutphen, Girorekening 7940ó! Abonnementsprijs f 1,— per jaar. Vereenigingsadres: O. W. de Graaf, Stationsplein G 18, Heerenveen, secretaris. Voor advertenties wende men zich tot Schermers Drukkerij en Uitgeverij, Bolsward, Telefoon 40.

Goed zien

Menigeen, die 't vrijwel met ons eens is, wordt nog afgeschrikt door de overweging, wat er dreigt te gebeuren. Als vele Christenen zich gaan onttrekken aan het oorlogsbedrijf, zullen we dan niet onder den voet worden geloopen? Stort de staat dan niet ineen? Gaan we dan niet naar den chaos toe?

Dat alles zal nog de vraag zijn. Wij gelooven, dat de wereldoorlog niet mogelijk zou zijn geweest, indien de Kerken allerwege hunne leden hadden opgeroepen geen deel te nemen aan het oorlogsbedrijf. Wij, gelooven, dat de Kerken dat nu nog kunnen. Of ze 't nog zullen kunnen, wanneer met die roeping al te lang wordt geaarzeld, is een andere vraag. Als dus chaos zou dreigen, dan rust de schuld daarvan voor een belangrijk deel op de Kerken, die zich telaat hun roeping bewust worden.

Maar stel, dat al die vragen recht van bestaan hadden. Laten we dan vooral goed zien, goed onderscheiden.

Niet als Nederlanders, doch als Christenen komen we in verzet tegen den oorlog. Br is een crisis bereikt. We voelen: verder mogen we in deze wereld niet meegaan, 't Uiterste van 't compromis waarin we allen dag leven, is hier bereikt. Dat beteekent, dat we de Overheden aanzeggen, dat ze dingen doen die ze als Gods dienaressen niet mógen doen. Het is niet onze taak de Overheden voor te schrijven hoe ze dan wèl moeten doen, hoewel we zeer zeker ook in dat opzicht als Christenheid een weg kunnen wijzen. Maar onze feitelijke taak is 't niet. De Overheden regeeren; de Overheden hebben te zamen maatregelen te beraden om den oorlogsgruwel uit te bannen. De volkeren hebben hunne regeeringen in die richting te stuwen. Daarnaast zeggen wij als Christenen onvoorwaardelijk, dat wij niet meer mogen en dus niet meer zullen meedoen. De Overheden zullen, indien zij de gelegenheid verzuimen om 't oorlogsgeweld uit te bannen, voor God de verantwoordelijkheid dragen voor den chaos die dan kan ontstaan.

Het zij ons genoeg, dat we als Christenen gewaarschuwd hebben en den wortel van het kwaad, dat den chaos voortbrengt, hebben bloot gelegd.

We moeten de zaken goed zien. We zijn Nederlander en we zijn Christen. Er is een dualisme in den Christen-mensch, dat zich vooral openbaart wanneer de

omstandigheden zich toespitsen. Er jaagt een storm door ons leven, een storm van materialisme, van zucht naar geweld. Op straffe van mede te worden gesleurd door, en onder te gaan in dien storm van plat-menschelij ke hartstochten, zullen we ons hebben vast te klemmen aan de Rots in de branding. Dat is het gebod, waar ons levensbehoud aan hangt. Ziende op 't gebod, zullen we, blind in de toekomst, ons getuigenis laten hooren.

Dat vraagt God van ons.

En in Zijn Hand rust de toekomst.

We weten, dat de Overheden voor God rekenschap zullen hebben te geven van de wijze waarop zij geregeerd hebben en op den chaos hebben aangestuurd. We weten óók, dat wij eenmaal voor God rekenschap zullen hebben te geven van de wijze waarop wij gehoorzaamd hebben. En de hoedanigheid van onze gehoorzaamheid wordt en zal worden beoordeeld naar de kracht waarmede wij Gods Woord en Gods eisch voor dezen tijd hebben beleden.

H. L. v. BR.

Het oorlogsvraagstuk

(Een woord aan Ds. H. J. Heida.)

In het „Geref. Kerkblad" van Maassluis en omstreken heb ik met Ds. H. J. Heida, Geref. Predikant te Vlaardingen, mogen polemiseeren over het oorlogsvraagstuk. Gaarne betuig ik ook van deze plaats mijn dank aan Ds. Heida voor de gastvrijheid mij verleend en voor de werkelijk zeer broederlijke wijze waarop Z.Ew. mij heeft te woord gestaan. Het één zoowel als het ander is in de Geref. kerkelijke pers ten aanzien van onze Vereeniging een groote uitzondering; des te meer waardeert men 't, wanneer een enkelen keer de gastvrijheid jegens ons wèl wordt hoog gehouden en de ontvangst hartelijk is.

Dat neemt niet weg dat Ds. H. heeft laten voelen, dat 't met dien eenen keer ook afgeloopen moest zijn. Ongetwijfeld niet, omdat de gastvrijheid niet verder ging, maar omdat de gasten talrijk zijn en ieder zijn beurt moet hebben.

Toch moet ik, en dan nu wel in ons eigen orgaan, op het antwoord van Ds. H. even terugkomen. Het belangrijkste deel van onze polemiek betreft de vraag wanneer „een oorlog geoorloofd kan heeten".

tflüH