is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 8, 1938-1939, no 10, 01-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van een vrede, die zonde is.

Onze vereniging getuigt, ook In deze critleke dagen, die vol zijn van oorlogsgerucht, dat oorlog zonde is.

Dat oorlog en evangelie een onverzoenlijke tegenstelling vormen.

Dat, wie de naam van Christus noemt, van deze zonde heeft af te staan.

Maar, er is ook een vrede, die zonde is.

Hoe staan wij daar tegenover?

Zien we die waarheid voorbij?

Of achten we ze van minder importantie dan het kwaad van de oorlog?

In genen dele!

De laatste maanden hoort men veel spreken over die zondige vrede.

Er zijn er, ook onder ons, die door de monsterachtigheid van deze vrede zozeer worden aangegrepen, dat ze alle zekerheid verliezen.

Eigenlijk niet meer weten, hoe ze zich houden moeten in een wereld waar een zondige vrede of een zondige oorlog het alternatief schijnt te zijn.

Wat zullen wij tot deze dingen zeggen?

Allereerst dit, dat wie nü van deze zondige vrede spreekt wèl moet bedenken, dat die niet is aangevangen in Maart 1938, toen Oostenrijk door Hitier werd geannexeerd.

De toestand van z.g. vrede, die we thans doormaken, en die voor den Christen, ja voor elk redelijk mens zo buitengewoon moeilijk te aanvaarden is, omdat aan alle zijden het onrecht ons tegen grijnst, is niet van vandaag ot gisteren.

Op de oorlog van 1914—'18, die naar de schijn om verheven zaken, doch in werkelijkheid om grof eigenbelang is gestreden ten koste van millioenen mensen, die op deze aarde als Gods beelddragers tot aanschijn waren geroepen, is een vrede gevolgd, die geen vrede was, maar de dictatuur van de haat!

De „grote" staatslieden der wereld, verblind door de zwaar bevochten zege, hebben in felle afkeer en grenzenloze haat jegens Duitsland en zijn bondgenoten, een volk van tien- en tientallen millioenen voor de duur van enkele geslachten willen knechten, willen ketenen in slavernij, men heeft gezocht naar de grievendste manieren om de „overwonnenen" te vernederen.

Van dit ogenblik dateert de zondige vrede, die een gedurige oorlogsdreiging betekent; de zondige vrede, welke velen nü pas zijn gaan ontwaren, en die nu door dat gezicht geschokt worden tot in de fundamenten van hun eens onwankelbare overtuiging!

Van deze goddeloze vrede hebben wij steeds getuigd. O, als de staatslieden van 1918 eens de haat uit hun hart hadden kunnen bannen, en als echte vredestichters getracht hadden de oorlog en zijn nasleep te liquideren . . .! Het is niet te doordenken, hoe geheel anders onze samenleving er dan zou hebben uitgezien!

Het heeft niet mogen zijn.

Op de gruwel van 1914—1918 volgde geen verootmoediging.

Wèl: verhovaardiging!

Wèl: haat, en de lust om te trappen en te vernederen, om harten te krenken en volken te ketenen voor meer dan één mensenleeftijd . . .

Deze zonde — want dit is even waarachtig: zonde! — heeft ons de dood gebaard, een dood die thans de wereld doortrekt, terwijl de mensheid bouwt aan het lijkenhuis waartoe ons werelddeel schijnt te moeten vervallen.

Deze zondige vrede heeft ons het fascisme en het nationaal socialisme, de totalitaire staat, de dictatuur, de ver¬

overing van Abessynië, Oostenrijk, China, Tschechoslowakije, Albanië gebracht, en zal nog een ontzettende nasleep hebben. We zijn er nog lang niet!

Tegen deze zondige vrede gaat ons christelijk getuigenis! Niet alleen tegen de jongste uitingen van deze zondige vrede! 't Is waarlijk niet in 1938 begonnen, maar in 1918!

In Versailles is de grondslag gelegd van het Europa van nü. De bewapeningswaanzin is de uitkomst van het werk der knappe koppen, die in naam der Democratie de dictatuur van de haat hebben uitgedacht.

Tegen heel deze zonde ga in Gods naam ons getuigenis op.

Wij mogen niet zwijgen.

De kerken mogen niet zwijgen.

Tegenover al deze machtswellust van de haat moet het Evangelie van Jezus Christus uitgeroepen worden.

Bij dat alles zij men zelf wei-verzekerd!

Men hoede zich voor de ontzettende waan, dat de oorlog, de moderne oorlog, die we als zonde hebben leren kennen, lichter zou zijn te verdragen dan de vrede van thans.

En tegen deze oorlog, maar ook tegen deze zondige vrede, ga ons christelijk getuigenis steeds luider klinken!

God geve ons moed om niet te versagen.

Deze wereld gaat te gronde aan de waanzin en de vernietiging van een oorlog en van een vrede, die beide niet te verenigen zijn met het Evangelie van Jezus Christus.

Eén ding zie men bij dit alles wèl heel goed!

Van 1914—1918 hebben de volken, de legers de soldaten gebloed en hun leven geofferd om de oorlog te winnen. Dat was het werk der volken, der mensenmassa's, die bij honderdduizenden en millioenen zijn opgeofferd voor het „slagen" van de strategie der grote legerleiders.

Tegen deze grenzenloze verkwisting van mensenlevens hebben wij ons getuigenis laten horen. Wij hebben gezegd dat deze verkwisting van leven en bloed van millioenen, zonde was en een krenking van God almachtig, die in de vernietiging van Zijn beelddragers Zelf wordt aangetast.

Toen de „vrede" begon, was het woord niet meer aan de volken, aan de legers, doch aan de „kopstukken" in civiel en in uniform.

Die hebben de „vrede" van 1918 „gemaakt".

En sindsdien wordt in kabinetten en door diplomaten aan deze „vrede" gewerkt. De één gebruikt een parapluie en de ander een zweep; — zij allen werken een „vrede" uit, die geen vrede kan worden, omdat wat men voor „vrede" aanziet, een product is van de oorlogshaat.

Dit werk doen de staatslieden, de leiders, de diplomaten. Wij kunnen slechts getuigen van de zonde die deze vrede is.

Maar: als die vrede tenslotte — wat ze noodzakelijkerwijze moet! — weer omslaat in oorlog, dan zijn het niet de kopstukken, de leiders, de diplomaten, maar dan zijn 't de volken, die tegen elkaar in 't krijt moeten treden en die zullen moeten bloeden en verbloeden op het slagveld der wereld, in de schaduw van het grote lijkenhuis.

Dit mag niet voorbijgezien worden bij het vraagstuk van een zondige oorlog en een zondige vrede.

God make ons tot getrouwe getuigen nü, tegen een vrede, die uit den duivel is, maar ook en vooral straks tegen een oorlog, die de strijd is van het rijk der duisternis tegen de Gemeente van Jezus Christus!

Als we zien hoe de leiders der volken een „vrede" najagen, die door-en-door onwaarachtig is, dan zeggen wij: Gij moogt niet! Gij moogt zó niet! Maar onverzwakt blijve ons getuigenis weerklinken, dwars tegen de waanzin van de oorlog in: die de naam van Jezus Chrhtus noemt, sta af van de zonde die oorlog is! Dan geve God ons