is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 9, 1939-1940, no 7, 01-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen God en tegen wat 20 eeuwen Christendom ons hebben geleerd".

U kunt het mij niet euvel duiden, in het licht van het zoeven genoemde, dat ik als dienaar van het Evangelie de oorlog niet in bescherming neem of tracht te vergoelijken, doch de dingen bij de naam noem, gelijk ik deed."

De oorlog 1939.

Enkele maanden zijn verstreken sinds het uitbreken van de oorlog en we zullen 't er wel allen over eens zijn, dat het verloop van weinige maanden oorlog heel anders is geweest, dan men zich had voorgesteld.

Enkele jaren geleden — ik weet niet waar ik die uitspraak heb gelezen — heeft eens een Engels generaal gezegd, dat in de oorlog der toekomst de veiligste plaats aan het front zou zijn. Deze man heeft 't goed gezien. En heel goed ook.

Ik werd aan deze uitspraak herinnerd, toen ik dezer dagen in het „Handelsblad" las, dat ons neutrale land in deze oorlog al méér menschen heeft verloren als er aan het Westfront zijn gevallen.

Ik weet niet of dit overdreven is. Het „Handelsblad" gaat in dit opzicht zich niet spoedig aan overdrijving te buiten.

Al houdt men er rekening mede dat deze opmerking van het „Handelsblad" ietwat te bout gesproken is, feit is toch, dat ze een fel licht werpt op de huidige oorlogsmethode.

Datzelfde blad bracht een photo van het uitreiken van lectuur tot in de voorste stellingen. De soldaat die de boekenlast torst, lacht als een Sinterklaas op 5 Dec. Stel daar tegenover de slachtoffers van de „Simon Bolivar". Zie ze in gedachten daar wanhopig ronddrijven in de smerige lobberige stookolie. Zet Uw oren open voor de noodkreten van de kindertjes, die drijven en stikken in deze viezigheid !....

De soldaten aan het front krijgen hun lectuur en brengen de tijd door met dienst en lezen en vermaken zich met revue-girls en Josephine Baker, terwijl de mensheid zich verbaast over het uitblijven van elke actie van betekenis van beide zijden. Onze kinderen daarentegen komen op ellendige wijze om het leven, doordat zij het slachtoffer worden van de lagen, die de oorlogvoerenden elkander leggen; ziedaar de belevenissen van een neutraal land in oorlogstijd.

Dit feit staat niet op zichzelf. De oorlog wordt gevoerd tegen vrouwen en kinderen. Een beslissing wordt geforceerd, door grote steden plat te schieten en de onbeschermden te doden. Ziet naar Polen. Den tegenstander zal men op de knieën dwingen door de vrouwen en kinderen uit te hongeren. Ziet naar wat Frankrijk en Engeland op hun beurt beogen met Duitsland.

In deze oorlog tegen de ongewapenden volgt de ene troef de andere op. Steeds knellender wordt de greep om de keel dergenen, in wier dood men het land hoopt ten onder te brengen. En in steeds erger mate worden de neutralen het slachtoffer.

Onze mannen zijn gemobiliseerd met de gedachte in 't hart, dat zó voorkomen wordt dat de oorlog in ons land wordt uitgevochten. Maar onderwijl wordt de economische oorlog op onze grond, op onze rug, op onze lichamen gestreden.

Dit is de oorlog van 1939.

Drie maanden oorlog hebben ons niet kunnen overtuigen dat ons standpunt onjuist zou zijn. Al zijn buiten Polen vreselijke „wapenfeiten" tot nog toe uitgebleven, wat we in deze drie maanden hebben meegemaakt, wordt volkomen gedekt door ons getuigenis, dat oorlog zonde is.

Is deze oorlog geen zonde?

Ik ken geen daad ter wereld die zó volstrekt en zó volkomen valt onder het oordeel van zonde, als het misdrijf van de oorlog.

Om God noch gebod bekommert men zich in deze felle krijg. Al Zijn geboden worden in de oorlog krachteloos gemaakt. En de inzet is niet eens (stel, dat 't mogelijk ware) het hoogste goed: de eer van God!

Integendeel, het gaat alleen om de eer van mensen, om de eer van staten, om de vrijheid, om het menswaardig bestaan, om de democratie.

En aan beide zijden trekken Gods kinderen de uniform aan, met vreugde of met hartzeer (God geve dat het laatste 't geval is, maar men dóét 't toch!) en men laat zich als een verscheurend dier tegen den mede-Christen ophitsen.

Op de meest gewetenloze manier worden soldaten en burgers, grijsaards en kinderen afgeslacht of weloverwogen aan een langzame uithongering prijs gegeven.

Hoe ter wereld kan men menen dat God achter dit alles staat? Satan is van dit alles de grote regisseur!

Al degenen die meedoen, zijn spelers en figuranten in het theater van den duivel!

Ik heb een buitenlander horen zeggen dat al deze ellende onvermijdelijk was. Wèl was het tragisch dat we onze kinderen deze vreselijkheden niet konden besparen, maar het was tot hun bestwil, zou voor onze kinderen weer eens een rustig Europa de poorten tot het geluk openzetten.

Ach, wat drogredenen!

Mogelijk dat na bloedige en hardnekkige kamp één der grootmachten de nederlaag lijdt. Wanneer men echter meent die grootmacht van de kaart van Europa te kunnen wegvagen, dan is men toch wel zeer naief. Na 25 jaar zal opnieuw dezelfde spanning ontstaan die nu onze wereld jaren achtereen heeft geknauwd, en het eind zal opnieuw een grote oorlog zijn.

Zo komen onze kinderen nooit tot rust.

Voor de gevolgen van de oorlogszonde kunnen we onze kinderen slechts behoeden, wanneer de ouderen van nü de oorlog als zonde pertinent afwijzen. Niet aan de beleving van het christelijk beginsel gaat onze wereld te gronde» maar aan de keuze van de dienst van Satan.

Is het niet tragisch, dat de tegenwoordige MinisterPresident Jhr. de Geer, — de man die eens het woord heeft gesproken, toen hij herinnerde aan de bewapeningswaanzin die de wereld had bevangen, dat de volkeren bezig waren aan de bouw van een groot lijkenhuis met een enthousiasme als gold 't een feestgebouw — is het niet tragisch dat juist deze Christen, nu Minister-President, dagelijks 1,7 millioen moet voteren voor de mobilisatie?

Tegenover alle drogredenen, die proberen de taak van den Christen in de oorlog aannemelijk te maken, stellen wij het woord van Jhr. de Geer, geschreven in het jaar 1935, het woord waaraan Ds. Hugenholtz in zijn pleidooi voor de R'damse rechtbank herinnerde: de oorlog eert hemeltergende gruwel, een zonde tegen God en tegen wat 20 eeuwen Christendom ons hebben geleerd. Voor dergelijke getuigenissen zijn we dankbaar.

Het is ons alleen maar een raadsel dat er altijd weer Christenen gevonden worden, die deze oorlog aanvaarden als middel om de vrede te herstellen.

Zij willen Satan uitwerpen met behulp van Satan zelf!

Wij zullen ons getuigenis blijven zeggen, dat oorlog zonde is.

Dat het beter is onrecht te lijden dan onrecht te doen.

Dat het beter is met God en met Christen-ere onder te gaan, dan met Satan en met behulp van hemeltergende gruwelen staande te blijven.

Wie de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

Waar is de Kerk, die deze oorlog zonder voorbehoud (naar het woord van oud-minister Slotemaker) verdoemt?

H. L. v. Br.