is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 8, 01-04-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitnoodiging der Theologische Studenten-vereenigingen te Utrecht, Leiden en Amsterdam hield Z.Hooggeleerde in die 3 plaatsen een reeks lezingen. Den 18e Maart werd behandeld: Christentum und moderne Cultur.

Een verslag van deze voordracht geven we niet, omdat bij de verschijning van dit blad het feit al weer een veertiental dagen achter ons ligt en de pers verscheidene goede compte's-rendu reeds bood. (In 't bijzonder Nieuwe Rotterdammer Morgenblad 19 Mrt.) Een woord van hulde echter vloeit ons als vanzelf uit de pen — van hulde voor de Theol. Stud. Vereeniging voor de uiterst royale wijze, waarop zij aan belangstellenden gelegenheid gaf de lezing bij te wonen.

Onnoodig te zeggen dat de beroemde naam van dezen professor, onder ons vooral bekend door zijn: „Gründbegriffe der Gegenwart," ook velen onzer Corpsleden naar de Aula had getrokken.

We spreken den wensch uit, dat het niet de laatste maal zal zijn, dat op dezelfde wijze door een zeer verstandige samenwerking der faculteitsvereenigingen aan verschillende Hoögescholen geheel de Nederlandsche studentenwereld zich zal zien in staat gesteld ook de mannen van internationale vermaardheid eens te zien en te hooren. v. S.

Waarschuwing.

Laat ik al terstond beginnen met de dringende doch vriendelijke waarschuwing deze regelen wel ter harte te hemen. Berg ze op in de binnenste kameren uws harten of in de bovenste vertrekken van uw verstand en verzegel de sluiting met den onverbreekbaren band van het geheugen. — — — —

Ja dat geheugen, wat zou daar veel van te zeggen zijn. Welk een machtige conceptie kan het bevatten en tegelijk (maar niet uit 't zelfde opzicht!!!) hoe doet het dikwijls denken aan rook, die ras verdwijnt of om plotseling een greep te doen uit het classiek verleden, hoe vindt men dikwijls z'n analogon in het vat der ' Danaïden. Hier zou ik weer kunnen spreken over analogie, hoe voorzichtig daarmee te handelen valt, .... dat 't geheugen weer een ander gevoel vertoond dan een vat zonder bodem.

Laat ik hierover echter zwijgen.

Laat ik er niet verder over spreken „ofschoon ik het zoude kunnen!"

* *

*

Veel wordt er door den mensch gedaan.

Maar ook: veel wordt er door den mensch niet gedaan.

Mijn plan is over het eerste alleen te spreken, verval ik soms in beschouwende mijmeringen over 't tweede punt, dan heeft alleenlijk mij hiertoe geleid de onbedwingbare lust, om van mijn plan af te wijken.

Vooral in deze dagen een overstelpende opeenvolging van groote feiten; de Kroniek gewaagt van interessante club-vergaderingen ..... groote en kleine lezingen.... een toegestroomde menigte, nieuwsgierig wat zij: Christelijke wetenschap. Men hoort van een philosooph uit Jena. met niet onbelangrijk audicorium aan zijne wijsgeerige lippen. Sociale ideeën worden ons voorgelegd .... litterarische grootheden reiken mildelijk aalmoezen uit aan de „overgroote kleinheid".

Io moi mei, we verzinken in de overvloeiende geestes-productie .... je valt over „geesteskindjes."

Waarheen met al dat kleine grut?

* *

*

„ Waarschuwing" leest ge hier boven.

't Is waar ook! Ja, daar wou ik op wijzen. Misschien was het beter geweest als ik gezet had: „iets over een waarschuwing," want daarover wou ik 't toch maar eigenlijk hebben.

Reeds eenigen tijd geleden prijkte er „in de kooi" een geel boekje met „witen omslag".

Ik hoor reeds van alle kanten grauw-wijsneuzige vragen : „van wie?" „Voor wie"?

Bij de eerste vraag word ik tot mijn genoegen in de gelegenheid gesteld den uitgever Leonard Schetzer uit Veen endaal aan de lezers voor te stellen. Bij hem verscheen: „Toespraken en Geschriften van Dr. De Witt Talmage."

De 7e Jaargang is 't thans reeds, dien hij ter recentie aanbiedt, of liever no. 1 van dien jaargang.

Het beantwoorden van de 2e vraag valt mij moeilijker; is het niet dat ze zoovele gemengde aandoeningen bij me opwekt? Het was n.1. bestemd voor de Redactie van het Geref. Studentenblad-zaliger. Och, die goeie Redactie, dat had ze nu nog eens

moeten weten Maar, Leonard Schetzer! Die Redactie ze

is niet meer! .... dat blad het is niet meer .... O spreek er niet meer van

Tempora mutantur et nos cum illis!

* *

*

Thans kwam het in handen van deze Redactie, die dit boeksken, naar ik hoop, in haar kolommen zal vereeuwigen.

De eerste bloem uit deze bloemlezing is getiteld ... .: De gevaren van het kinderleven! . . . . naar 't Engelsch-Amerikaansch bewerkt door H. J. Hana (vertaler van „Talmage's preeken voor onzen tijd". Talmage zal u allen wel bekend zijn. Den geest waarin hij werkt, veronderstel ik evenmin onbekend. Daarover dus niet meer

1itltlKliililMIHIIi«KlflliillllHllllKMIIIIIillililllilillillllllilfflillilli(lfllKlillillllllllllIillilll!llillfllllllllinitMl]|'l|1ltllllllllll)lllli:ll

Ü s

Het is een preek door Talmage gehouden tot ouders, die | geen raad met hun kinderen weten. Eenerzijds een „Pa" die | „zoon" volgepropt met catechismus en Bijbelteksten, andererzijds 1 een jongeheer, die door zijne ouders geheel wordt vrijgelaten. | Afschrikwekkend wordt beider levensloop geteekend en uit dit | gewirwar van zondige levenspaden treedt „de aurea mediveritas" E tusschen te groote strengheid en te groote toegevendheid. Terecht = schetst de schrijvers hoe de „schandjongens" zich niet alleen verE toonen in schamele kleedij, maat dat er ook schurken zijn „met I „fijne glacé-handschoenen, bruinlederen wandellaarsjes, met gouden | „horlogeketting en gracieuse manieren, maar met melaatsch hart!"

De inhoud kan niet anders dan „degelijk" genoemd worden. E Gij, die er belang bij hebt, leest en herleest het; gij studentj ouders en ouders-studenten put wijsheid uit deze woorden. Niet | zonder bedoeling (?) werden de gevaren van het kinderleven aan | studenten gezonden. Kunt ge beter lectuur bedenken voor a. s. E theoloog of jurist?

Kinderen beneden 4 jaar zou ik het nog niet te lezen geven. Vooral die eerste-jaarslui moeten dit, ik zou bijna zeggen | uit 't hoofd leeren. Wie weet tot welke een stapel pennevrucht

= dit werkske hen drijft

Het oordeel over een pseudo-Homerische (?) vergelijking, | die mij trof, laat ik aan den bescheiden lezer over.

Een zekere „Meheer" had zelf een boom geplant. Zijn | arbeid riep hem ergens elders en na eenige jaren kwam | hij terug en bemerkte „dat men door nalatigheid iets tegen den 3 „boom had laten staan en dientengevolg had hij (die boom n. l.j | een leelijke bocht.

„En zoo is het ook", zegt de schrijver, met den invloed | „op onze kinderen. Als gij met of zonder opzet op den weg aan E „den zedelijken invloed naar een kind aan deze of gene zijde iets | „tegen hem aan laat staan, zal hij tot den laatsten dag van zijn | „leven hier op aarde en door de gansche eeuwigheid de gevolgen

i „dier drukking vertoonen (???)

üj * * I *

En jaargang bestaat uit 52 wekelijksche afleveringen a 5 z cents per aflevering, MAAR, men verbindt zich voor den geheelen z jaargang. O, die bindende banden!!

Men teekent in:

ie bij alle Boekhandelaren.

2e bij den uitgever Leonard Schetzer.

1 3e bij alle Postdirecteuren !

Het boekje bevat 16 bladzijden 't geen overgezet zijnde in | den tegenwoordigen stijl, aldus luidt: 51 decimeter lengte.

T.

Kroni«l(.

I 9—23 Maaffc.

Zoo eene kroniek nieuws kon bevatten, zou ik dat nieuws nu | grootsch willen indeelen in buitenlandsch en binnenlandsch. Versta | mij niet mis; ik mag ex officio niet uit een wachttoren „de markt E des levens" gansch overzien en nieuwtjes sleuren in de kolommen

i van dit blad; slechts sub specie Universitatis Liberae mag ik de

4 dingen waarnemen en boekstaven. Daar echter heb ik het recht

| te onderscheiden tusschen den kring van onze eigen souvereiniteit;

ï het binnenland, intra muros, en onze invloedsfeer, ons flinterland

| extra muros.

Als goed Nederlander vang ik aan met aandacht te wijden aan

| het buitenland. Tweemaal in deze „korte spanne tijds" maakten

| wij met dankbaarheid gebruik van de gelegenheid tot luisteren

1 ons aangeboden door sprekers uitnoodigende studenten combinaties

| aan de V. U.

De eerste maal was het de bevriende Unie Hendrik de Cock

| (geen theologenvereeniging, hooggeachte weekverslaggever in„Miner-

1 va") wier gasten wij waren en de vriendelijke gastvrouw onthaalde ons

| op eene keurige lezing van Prof. Bavinck. (altijd vooreen kwartje.; Een

j gevoel van gezellige intimiteit, van prettig „onder ons zijn" maakte

| zich van u meester in dat Nuts-zaaltje. De tweede en laatste maal.

j Prof. Eucken zou spreken in de Aula der S. U. Kaarten werden

t bereidwillig verstrekt en dankbaar veroverd. Dat was iets, Prof.

1 Eucken uit Jena! Daar 's avonds komen zij aan in dichte ge| lederen, onze studenten. En toen het begon, had men het beï hagelijk gevoel, niet alleen in den vreemde te zijn, maar als in | eene vaderlandsche volksplanting Wat eene schare „der onzen"

2 in den ruimsten zin van het woord. En dan, bij het uitgaan; nu E hier, dan daar blitsten zij op de biezen der rouwbanden. „Jij ook E hier! Hé, jij ook hier!" Jammer dat zoo weinigen Prof. Eucken | hadden kunnen verstaan. Zijne stem in de accoustiek der zaal I beletten zijner gulden woorden het doordringen tot ieder oor, dat I niet door eene ononderbroken baan lucht met zijn wijzen mond in

i contact was.

In het binnenland heerscht op het oogenblik de toestand | van een vergadering, die verloopt, en waar de sprekers hun uiter| sten best doen de menschen nog wat bijeen te houden, nog i zaken af te doen en zoo mogelijk besluiten te nemen.

De verschillende clubs vergaderen avond aan avond met ■ gedecimeerd ledental, om de periode goed te krijgen.