is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 8, 01-04-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aan het reglement verschuldigde vóór-vacantiale corps- E

vergadering vond plaats onder droeve teekenen van „Schwindsucht." =

Of was het niet tragisch, dat er eerst met spanning gewacht moest E

worden op een voltalligheids-mensch, en toen dit eindelijk kwam, E

er door „vooruit verlaten der vergadering" een permanente, bij H tijden afgeloste wacht bij de voltalligheid werd betrokken.

Enfin, „onze reglementen zijn af:" I

Je hoeft niet te vragen hoe het er in de college-zalen E

uitziet. Om er door te schieten, mijne heeren! Wie houdt den 0

trekvogel in het barre Noorden als het zoele Zuid hem lokt en E

wenkt? Toch zullen wij met moed doorzetten tot Witte Donderdag. E

Het zal daar wel zijn : „Le combat cessa, faute de combattans." E

JTa nog iets! Binnen- en Buitenland! Waar is de eenheid? I Het blijft N. C. S. V. in de lucht, en dat is goed. De Minerva- E weekverslaggever uit Amsterdam, vermeldt, hoe de „orthodoxen" E eene vereeniging aan de S. U. hebben opgericht, om ook „in de § studentenwereld te getuigen van hun geloof." 1 Met die afdeelkig hoopt de zusterafdeeling bij ons weldra firn zeer nauw rapport te staan. 5 En binnen de grenzen? O, men hoort het N. C. S. V. 1 gezoem rondom zich als het gegons van bijen over zonnig be- E lichte bloemen. Nu het oorlogsveld schoongeveegd en afgerasterd ; is, schijnen voor- eli tegenstanders te wachten op het N. -C. S. V. | orgaan, om de Wapens weer te kruisen; mondeling schijnt deze E kwestie niet behandeld te kunnen worden. Ook heb ik niets ver- S nomen van een reformatorisch colloquium in de vacantie. Het zou E anders een prettig dagje kunnen worden, zoo in het paviljoen of I te Sloterdijk .... hé?

G.

Studentenpers. s

„Propria Cures" van 22 Maart j.1. bevat een mededeeling §

van den Hoogleeraar van Hamel aan de juridische studenten der E

Universiteit van Amsterdam. Zijn Hooggeleerde maakt bekend, I

dat op zijn verzoek de beroemde Belgische advocaat Mr. Le Jerme E

Vrijdag 25 April e.k. 's avonds 8V2 uur in de Aula een voordracht E zal houden over „lAvocat."

Missehien zal de „Propria" dan ook wel een verslag, door I

een van de studenten gegeven, opnemen. De rede van Prof Rud. I

Eucken is weergegeven door het overnemen. van 't verslag uit de E

N. Rott. Crt. Dit is zeer gemakkelijk en getuigt van groote be- I

scheidenheid, tenzij soms een kwaadaardig mensch mocht denken 0

aan een testimonium paupertatis, door de heeren zich zeli uitge- | reikt. De professor sprak niet bijster duidelijk.

Wij zouden ons corps misschien nog wel van grooter nut |

kunnen doen zijn voor de studentenwereld, 't Is daarom niet I

kwaad eens te zien wat onze buren doen tot grooteren roem van I

hun corps. De knagende worm schijnt daar ook al te zijn geldge- l

brek. Nu komt in de „Propria" van 15 Maart j.1. iemand op I

den lumineuzen inval den Senaat der Universiteit, anders gezegd ï

de belastingbetalende burgers van Amsterdam te laten bijspringen. É

Dan hoefde er minder entrée geheven te worden van hen, die 1

zich toch zoo verdienstelijk maakten docr corpslid te worden. Een S

krachtig corps is immers de glorie der academie. — Als nu maar 1

een andig spreker naar den gemeenteraad wordt gezonden, wie E

weet ol de bijdrage niet zoo groot wordt, dat bij toetreden tot het I corps zelfs een gratificatie kan worden toegebeurd.

Een andeie kwaal, waardoor het corps vegeteert is deze: f

velen worden geen lid, omdat zij vreezen niet in een club gevraagd I

te zullen worden. De medicus is niet verlegen, 't Advies luidt • f

Richt een corpsclub op, waarin broederlijk al de gepasseerden I

zich samenvoegen! In zekere academiestad bestaat nog de midden- =

eeuwsche onderscheiding van eerste, tweede en derde club. Maar i

welke plaats zou deze club innemen. Ik wil voorloopig er nog aan 1

twijfelen, dat ook maar iemand een plaatsje in die°prullemand = voor lief zou nemen.

De „Minerva" van 20 Maart j.1. heeft naar aanleiding van I

't geschrijf over „de dubbele moraal" in haar kolommen° een i

zeer lezenswaardig stuk van Dr. Alletta H. Jacobs „over het ge- |

slachtsleven." Verder vinden we een stuk getiteld „Een nieuwe g

uitvinding." Als zoodanig wordt genoemd 't plaats maken van |

drinken voor (vr) eten. De schrijver is een Leidenaar, wat niet \

belet, dat in Amsterdam ook wel een enkel symptoom van die Ê

wijziging in den smaak is waar te nemen. Dan deelt de heer van I

der Mey nog mede, dat hij op al de zotte vragen hem gesteld ;

geen antwoord meer wenscht te geven, ja „geen greintje notitie" 1

er van zal nemen, wat vrij vertaald, wil zeggen dat mijnheer j

boos wegloopt en Minerva in 't vervolg van zijn geschrijf ver- 0

schoond zal blijven. De heer A. de Kleyn, dien hij in 't vorig |

nummer beloofde nog eens duchtig onder handen te zullen nemen, I komt er dus ook met den schrik af.

„Eltheto" van 20 Maart dankt zijn belangrijkheid voor E

een aanmerkelijk deel aan het verslag van de lezing „Christelijke |

wetenschap" door Prof. H. Bavinck te Leiden (later ook te | Amsterdam) gehouden.

' J. P. I

CORRESPONDENTIE H. DE COCK.

Christelijke Wetenschap.

Donderdag 13 Maart hield prof. Bavinck eene lezing over bovengenoemd onderwerp voor de Unie H. d. C. Nadat spr. in zijne inleiding er op had gewezen, hoe, vooral in de laatste 25 jaar een Ohiistelijke wetenschap was onstaan uit de actie op philantropisch en politiek gebied, verklaarde hij, dat hij achtereenvolgens zou handelen over de noodzakelijkheid, het wezen en de waarde dier Christelijke wetenschap.

1. De noodzakelijkheid. De oude cultuur der Grieken en Romeinen was bij de komst van Christus ontaard en verbasterd. Door het Christendom ontstond echter nieuw leven en globaal genomen heeft dat tot in 't begin der 18e eeuw voortgeduurd. Toen echter het Christendom verbasterde, en verdeeld werd, kregen de beschouwingen van mannen als Cartesius grooten invloed. Zoo onstond eene rationalistisch-dogmatische wetenschap, die deductief uit a priori aangenomen rede-waarheden een verklaring trachtte te geven van de wereldorde. Deze richting heeft haar triomf gevierd in 't idealisme van de Fransche Revolutie.

Kant heeft dit rationalistisch-dogmatisch gebouw onder handen genomen. Hij, de groote wijsgeer van het criticisme, stelde eerst de vraag: Hoe kan ik tot waarheid komen; hoe ver reikt het menschelijk kenvermogen. Hij leerde, dat de onzienlijke dingen niet door den menschelijken geest kunnen worden doordrongen. Hegel e. a. grepen eerst nog wel weer terug naar het rationalisme, maar na hen ontstond, vooral met Auguste Comte de positivistische wetenschap, die ook thans nog bestaat. Zij wil God geheel wegredeneeren uit de wetenschap. Het doel van de wetenschap is niet welterklarung maar alleen bestudeering van de verschijnselen en hun verband, de wetten van oorzaak en gevolg.

Spr. voert hier tegen aan de volgende bezwaren:

a. Deze beschouwing is subjectief onhoudbaar. Het is onmogelijk wat Jacobi in de 18e eeuw beweerde, dat men met het hoofd heiden en met het hart christen kan wezen. Hoofd en hart zijn wel ow^scheiden, maar niet ^scheiden. De invloeden van het hart kunnen en mogen niet worden buitengesloten. Wel is het waar, dat men licht vooroordeelen laat gelden, maar daarvoor moet men zich wachten. Men moet een hart meebrengen bij het béschönwen der wetenschap, maar dan ook een goed hart.

b. Zij is objectief onhoudbaar. De zienlijke en de onzienlijke dingen zijn niet te scheiden.

Niet alle natuurvorschers zijn dan ook niet atheist.

Reeds Paulus zeide, dat de tioumena liggen in de phaenomena en ook in de woorden van Johannes, dat alle dingen zijn door het Woord, ligt opgesloten, dat alles eerst gedacht en daarna gerealiseerd ia.

Alleen in dit verband neemt spreker over wat Hegel zegt: dat alle dingen berusten in de gedachte; dat al het werkelijke redelijk is

c. Door deze beschouwing worden alle geesteswetenschappen als litterarische, juridische, psychologische enz. gedood. Deze toch berusten op zielsbeseffen, en hebben hun object alleen in en niet buiten ons. Indien wij niet a priori onderscheid maken tusschen goed en kwaad, vermoorden wij het object der ethiek. Zoo ook eischt de juridische wetenschap een aprioristische aanname van onderscheid tnsschen recht en onrecht. Vandaar dat tegenwoordig ook alles wordt teruggebracht tot de natuurwetenschappen.

d. Deze opvatting is iederen mensch, die nog gelooft aan een ideaal, onwaardig.

Het geloof aan het goede, ware, schoone gaat boven alles.

Als dit geloof aan het ideaal ons ernst is, zullen wij ons daar ook niet voor schamen. Vele geleerden, vooral in Duitschland, op den man af gevraagd of zij nog daaraan geloofden, erkenden dat dit wel het geval was. Maar waarom spreken zij dit dan niet uit op wetenschappelijk terrein? Door dat zwijgen brengt men het volk in den waan, dat dat geloof niet kan bestaan, en geeft men het prijs aan allerlei bijgeloof. Theosophie, occultisme enz. worden daardoor in de hand gewerkt.

Op grond van al deze bezwaren moeten wij ijveren voor een Christelijke wetenschap. Zoo komt Spreker op zijn tweede gedeelte:

2. Het karakter, het wezen van de Christelijke wetenschap.

De echte wetenschap is welterklarung, de globus intellectualis, Zij moet dus einheitlich zijn. Zij kan dan haar orondprincipe ontleenen alleen aan de twee univeisal wissenschaften, de philosophie of de theologie. De eerste zoekt en kan langs dien weg ook soms tot vinden geraken, de tweede gaat uit van God. En zoo neemt nu de Christelijke wetenschap als uitgangspunt de de openbaring van Christus. Men zou kunnen tegenwerpen wat is dan het Christendom. In de werkelijkheid zien wij allerlei scheuring en verschil. Toch al neemt men de vaagste uitdrukking, neem b. v. alleen dat God onze Vader is en wij Zijne kinderen, zooals Christus dit heeft verklaard en verkondigd, dan zijn door dit geloof reeds alle materialistische en positivistische opvattingen afgesneden. Reeds uit dit geloof vloeit voort een beschouwing van God, van het menschelijk geslacht, zijn doel en wezen;