is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 2, 1903, no 29, 01-05-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zeer zeker kan en moet er zelfs, volgens onze algemeene formuleering, plaats overblijven voor zaken van het Corps en der studentenkring zelve. Want ons blad is en moet zijn orgaan van het Corps, van het Studentencorps. Er zullen zich dan ook nu en dan wel genoegzaam gewichtige en interessante quaesties voordoen, zooals bijv. laatstelijk die van de leeszaal of van het semi-candidaats voor de theologen.

Maar daarbij mag het niet blijven. Dat is niet genoeg en geeft niet genoeg. De studentenwereld is veel rijker, ook onze studentenwereld.

Allereerst valt er te onderscheiden tusschen 't algemeene en bijzondere, tusschen 't obiectieve en subiectieve, 't abstracte en persoonlijke. Immers ook het indidueele moet tot zijn recht komen, zich kunnen uiten. Ieder persoonlijk moet kunnen meededen, wat hij van zijn gedachtenwereld wil meedeelen, van onder zijn eigen gezichtskring wil beschouwen, ook ontboezemingen van schoone gedachten in schoonen vorm.

Dan valt verschil te maken tusschen een christelijke en niet-christelijke studentenwereld, die bij veel gemeenschappelijks ook veel radicale tegenstellingen hebben. In verband met en tegenover die niet christelijke studentenwereld moet ook onze eigen studenwereld zich zelfstandig openbaren, waardeerend en bestrijdend, naar noodig is, der anderen uiting in woord en daad.

En bovenal de Geref. Studentenwereld moet zich vereenigen, en haar verschil met wat tegenover haar staat door de kracht van woord en daad toonen, toonen ook als beter en beter makend. Niet zelfstandig en geïsoleerd als los van alles, in zichzelven gekeerd, maar als onafhankelijk, vereeniging zoekend bij alle christelijke elementen, met waardeering van het goede, met samenwerking tegenover een in ons aller oog gemeenschappelijk boos beginsel.

Ziet dan uwe roeping broeders! of mogen wij zoo niet spreken ? Wij zijn, Gode zij dank, één aan onze Universiteit. Maar nu dan ook gezamenlijk voorwaarts, en ons (wat we juist allereerst door ons blad doen kunnen) uiten naar buiten. Reeds te lang verspilden we krachten tegen elkaar. Thans in onze eenheid geen laksheid. Opgetreden, allereerst als christenstudent; wat we evenmin vergeten mogen te zijn als Gereformeerd of Calvinist. En ons herinnerd dat velen met ons christen-studenten zijn. Als de tegenstelling die zich tusschen geloof en ongeloof, steeds meer verscherpt, op alle terrein het geloof doet aaneensluiten, waarom dan ook niet in de studentenwereld ? Allereerst alle geref. in actie één. En daarom zal ik ten zeerste het plan verdedigen en steunen, dat wij als Geref. studenten aan alle inrichtingen in ons land, één gemeenschappelijk blad oprichten. In 't algemeen ben ik het volkomen eens met den heer j. uit het vorig Nilnummer en ik juich de idee van den heer W. zeer toe. Maar ook als er niet van komt of niet allen tot meewerking te bewegen zijn, moeten wij nochtans met ons blad heel de studentenwereld meer omvatten.

Wel mogen we nimmer vergeten, dat we maar studenten zijn, en inzooverre is volkomen waar 't geen de heer C. schrijft (in 't slot van zijn stuk No. 27 van dit blad) over wetenschappelijke kwesties. Ook mogen we nooit dit bezwaar tegemoet willen komen door, zooals Eltheto aan gepromoveerden en geleerden heeren den inhoud over te laten en er een voorlichtend orgaan voor studenten van te maken. Neen, 't moet een blad ook van en door studenten zijn.

Maar evenzoomin als overdrijving en pretentieus optreden met wetenschappelijk air door nog-maar-studenten goed is, evenzoo verkeerd is een eenzijdige onbeduidendheidsmeening van zichzelf te hebben. Laten we ons niet te buiten gaan, niet onze krachten te boven, maar ze ook niet geheel of deels ongebruikt laten En ik vraag u, gij studenten, die over een of twee jaar midden in het leven geplaatst zult worden : Hebt ge waarlijk niets te zeggen of te schrijven als ge de bladen der studenten uit Amsterdam of Delft, als ge de »Minerva« of de » Vox«leest ? Als daar geschreven wordt over socialisme en politiek, over materialisme en philosophie, over kunst en litteratuur, over staking, vaderlandsliefde en militairen dienst en zooveel meer, gelooft ge niet met mij dat eenerzijds de brutaliteit van het ongeloof en de overmoed der jeugd er wel eens onder blaast ? En moet dan geen woord van protest gehoord ? En als daar anderzijds ook veel goeds en waars gezegd wordt, en de bezadigder student, die denkt en weet, aan het woord is, zijn er onder ons niet, die ook wel iets degelijks kunnen voortbrengen?

Ik geloof, dat een reactie tot nog toe ons vedeid heeft te veel onze horens in te trekken, te veel ons te beperken, maar tevens ook, dat die eenzijdigheid zich thans aan het herstellen is, dat er een zwenking is in de meening. Ik weet, dat velen ontevreden waren over den inhoud van het blad, ook dat door sommigen te hard is geoordeeld en veroordeeld, die vergaten behalve critiek ook zelve verbetering aan te brengen. Maar ik meen, dat we billijk oordeelend een »zoo niet langer» moeten uitspreken en hoop en verwacht, dat er velen zijn, die ook met kracht zich zullen willen verbinden, uit drang der overtuiging, om tot degelijken, heel de studentenwereld omvattenden inhoud mede te werken. Een commissie van vijf redactieleden kan zulks alleen niet doen. Als ieder naar zijn gaven en krachten steunt, zullen er altijd wel genoegzaam talenten, zal er altijd stof te over voor ons blad blijken te zijn. H.

Club en Coterie.

't Studentenleven is mooi, is machtig mooi. Terwijl de gymnasiast aan zijn werk, afgepast en voorgeschreven, gebonden

is, zooveel en zooveel af moet hebben en zij, die in de maatschappij zijn en daar hun betrekking hebben, telkens bemerken, dat zij geen meester over hun tijd zijn, zijn wij vrij, hebben te beschikken over onze uren, kunnen er uit, als wij willen; niemand belet het ons.

We zijn vrij ; we behoeven niet angstvallig op onze woorden te letten, bang te zijn, dat we iemand te hard aanpakken, we kunnen ronduit onze meening tegen elkaar zeggen, en als er een kerel is, die nu reeds neigingen vertoont om later in 't leven een draaibord te worden en met alle winden mee te zeilen, dan hebben we over 't geheel aan zulk een naar wezen een hekel; je laat hem links liggen als een vuile modderstraat, of als je hem tegen 't lijf moet loopen, dan poneer je met opzet allerlei contradictoire stellingen om hem toch ook eens een keer neen te laten zeggen.

We zijn vrij. Wie ons niet aanstaat, nemen we niet tot bijzondere amici en waar we mee over weg kunnen, daar sluiten we ons bij aan ; dat worden je vrienden en daar tusschen begint dan dat fijne, teere plantje der amicitia op te schieten, dat groeit en wast tot een stevige, taaie boom, die teg-:n een storm kan.

En in dien boom is het heerlijk nestelen. Als amici stort je je hart uit voor elkaar, bespreekt zaken met elkaar, die je alleen maar met elkaar bespreken kunt; je leert elkaar waardeeren en verstaan. Schoone geurige bloemen worden er in dien tuin geplukt.

't Studentenleven is mooi, maar 't studentenleven zonder clubje van intieme amici is als een lentedag zonder zon.

Vloek echter over zulk een clubje, dat zich hooghartig van de anderen gaat afsluiten.

Bij hen, die niet tot hun kringetje behooren, niets goeds of flinks ziet.

Die gaan hun studentzijn als het alleen echte beschouwen ; al, wie van hun gevoelen verschilt, die zijn geen student, die tellen niet mee ; al, wie niet naar hun patroon geknipt is, die is niet van het echte merk. Zij, alleen kunnen feitelijk leiding geven aan de studentenwereld en daarom moet dan ook zooveel mogelijk aan hun clubje de macht komen.

Een valsch solidairiteitsbeginsel gaat heerschen; het is dan geen. kwestie meer van geschiktheid of bekwaamheid, maar van lid zijn van het clubje.

Dat beslist.

Het wordt een intrigeeren, in eiken kring af te keuren, maar vooral in de studentenwereld heelemaal niet op zijn plaats.

Het is het zaad der verdeeldheid zaaien in de studentenwereld. Want tegenover een clubje, dat op die wijze handelt, komt uit reactie weer een ander clubje op, dat dezelfde tactiek gaat toepassen.

En zoodoende wordt er een partijstrijd geboren, die te hatelijker is, omdat het niet een strijd is om beginselen, maar een, die louter loopt over personen. Men gaat zich warm maken voor of tegen personen en men oordeelt over hen zonder ze te kennen

Het mooie van het studentenleven gaat er af. Want juist in de studentenwereld moet men zooveel mogelijk trachten elkaar te leeren kennen en werkelijk, als men elkaar nauwkeuriger leert kennen, komt de waardeering gewoonlijk wel van zelf.

Dat alles wordt omvergesmeten door het hatelijke clubsysteem, dat zich afsluit en voor niets anders oog heeft dan voor het mooie in zich zelf.

En de lui in het clubje, die wel een anderen kant uit willen, worden overschreeuwd met het roepen van aansluiting en clubbelang en ze moeten volgen als schapen. Dat zijn dan vrije studenten.

Weg met zulk een clubsysteem, met zulk een coterie

Kan het langer.

Waartoe dient ons Studentenblad ?

i°. Om uiting te kunnen geven aan wat er in ons omgaat.

2 . om door de verschillende .studentenuitingen ons aller leven te verrijken, en zoo noodig droorners en slapers wakker te maken.

en 30. om ons te oefenen in het juist uitdrukken van onze gedachten, in polemiek en meer dergelijke fraaie zaken.

Dat hebben mij ten minste de menschen altijd wijsgemaakt.

Maar wat zien we nu al zoo lang ?

i°. dat er blijkbaar, naar den inhoud van ons blad en naar het geringe aantal schrijvers te oordeelen, zoo wat heelemaal niets in ons omgaat.

2°. dat iemand, die flink wakker is, onder 't lezen van Nil veel kans heeft in slaap te vallen.

en 3°. dat door voortdurende oefening het er nog niemand toe gebracht heeft om één stap vooruit te komen. Tenminste niet zóó, dat ik 't met het bloote oog zien kan in ons blad. Wel merk ik van nummer tot nummer meer achteruitgang op.

Daarom zou ik den dag goed prijzen, waarop het Corps er toe besluiten kon ons de weelde van een blad te ontzeggen. Waarvoor is het noodig onze lamlendigheid, kunsteloosheid, taaiheid en zich voorbij pratende dwaasheid nog langer op straat te brengen 1

We kunnen onze tachtig gulden (is het zoo niet, meneer Rutgers ?) die we elk jaar, behalve het abonnementsgeld, op ons