is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 9, 1895, no 442, 21-07-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer K. Kater merkt op, dat hetwensche- i lijk is, dat het voorstel-Langhout worde aange- j nomen, en de te benoemen Commissie snel en l goed werke, opdat de bestaande ongerustheid j verdwijne en het vertrouwen weerkeere. Zooals $ de zaken nu staan, kan het niet langer blijven. J De verklaring zegt, dat „van nu voortaan" het j onderwijs aan de beginselen zal worden getoetst; j waaruit blijkt, dat er tot heden veel ongetoetst j is gebleven.

De heer Hovy komt tegen deze uitlegging der 5 verklaring op en betreurt het, dat zij bij de ver- $ gadering eenige instemming scheen te vinden. J Wat de heer Kater zei was volkomen onjuist; j Hoogleeraren deelen in de verklaring meê, dat i ze nu voortaan gemeenschappelijk zullen onder- i zoeken. Dat is heel iets anders dan de heer { Kater er uit las.

Prof. Dr F. L. Rutgers zal in dit debat na- t tuurlijk niet medespreken. Als hij het woord | vraagt, dan zal het alleen zijn om een misver- ! stand weg ts nemen. Dit misverstand schijnt j te bestaan over de bedoeling van art. XI van ! het Reglement. Dit artikel, door spreker zeiven geredigeerd, bedoelt volstrekt niet om, zooals de heer Hovy scheen te onderstellen, het werk aan Directeuren en Curatoren uit de handen te nemen; maar wel om het Directorium en het Curatorium in lastige gevallen, zooals dit is, ter zijde te staan. Dit blijkt overduidelijk uit den inhoud van art. XI. Daarin wordt toch uitdrukkelijk omschreven, dat zulk ern Commissie van enquête bestaan ! moet uit 9 leden, van welke er 4 moeten wor- ) den aangewezen door Directeuren en Curatoren, j Ware het de bedoeling van het artikel dus, om J deze beide lichamen in gegeven gevallen op zijde ! te zetten, dan zou men aan Curatoren en Di- 1 recteuren toch niet bijna de helft van de leden | der Commissie ter benoeming hebben overge- | laten.

De bedoeling van het artikel is eene kalmeerende. i Wanneer zaken als deze eenmaal in handen van | een enquête-commissie komen, komt de kalmte j en de rust weêr, die, zoolang de zaak niet bij ! zulk eene commissie is, worden gemist.

De Voorzitter vraagt, met het oog op den | reeds ver verstreken tijd, of de vergadering deze j discussie rustig wil voortzetten, dan wel haar nu sluiten, teneinde aan de overige punten van de agenda toe te komen.

De vergadering blijkt voor voortzetting der discussie te wezen.

De Voorzitter vraagt, of er nog iemand het woord verlangt.

Prof. Jhr Mr A. F. de Savornin Lohman vraagt het woord. Hij verklaart dat hij, nu hij openlijk onder verdenking gebracht is, zonder dat hij zich kan verdedigen, geen deel zal nemen aan deze discussie, waar zijn persoon niet buiten staat en twijfel geopperd werd jegens de trouw aan zijne vroeger beleden beginselen. Evenwel staat hij er nu op, dat het voorstel worde aangenomen, en de verlangde commissie worde benoemd, terwijl hij o. a. een tweetal opmerkingen in de vergadering wenscht neêr te leggen, om in het eerstvolgende jaarverslag te worden afgedrukt; weshalve hij ze op schrift had gesteld.

De eerste betrof eene historische herinnering omtrent het aanzoek, dat tot hem in 1884 gekomen was (nadat hij in 1880 had meêgewerkt aan de oprichting der Vrije Universiteit), om zich beschikbaar te stellen om als hoogleeraar aan deze school op te treden, waartoe hij zijn ambtelijke loopbaan heeft moeten vaarwel zeggen.

Bij zijne benoeming tot Minister van Binnenlandsche Zaken was, op verzoek van Directeuren, zijn aanzoek om ontslag veranderd geworden in non-activiteit, terwijl hij na zijn aftreden als Minister, toen hij zich beschikbaar stelde, weer terstond was aangesteld geworden.

De tweede betrof de herinnering, dat aan de Curatoren opgedragen is zorg te dragen voor de naleving van art. 2 der statuten, voor zooverre het onderwijs der Hoogleeraren betreft; en dat hij van dat College geen aanmerkingen had vernomen op het door hem gegeven onderwijs.

Voor de juiste bewoordingen en verderen inhoud moeten wij naar het a. s. jaarverslag verwijzen.

De Voorzitter doet opmerken, dat het voorstel Langhout c. s. niet kan beschouwd worden als een votum van wantrouwen jegens Curatoren en Directeuren. Hij vraagt of nog iemand het woord verlangt en wijst er op, dat, na de verklaring van den heer Lohman, dat hij zelf thans de benoeming van een Commissie van enquête wenscht, niemand tegen het voorstel der heeren Langhout c. s eenig bezwaar kan hebben:

Het voorstel wordt daarop met algemeene stemmen aangenomen.

Kind en Dienstknecht.

• !

Zoolang de erfgenaam een kind is, verschilt j hij in niets van een dienstknecht: Galat. 4:1. j

Het kind blijft van vader en moeder even af- j hankelijk in het dagelijksch leven als de keuken- J meid. Vaders en moeders wil is de eenvoudige j band ook voor het kind des huizes. Zoo behoort j het. Zoo geschiedt het ook, waar men Gods j ordinantiën in eere houdt en ouders en kinderen j en dienstboden, door de genade Gods, beven voor j het Woord.

Maar ach, in hoevele huisgezinnen, waar kin- ! deren zijn en waar dienstboden zijn, en waar \ ouders en kinderen en dienstboden Christenen I heeten, is het hooge en levendige besef van het | plichtmatige om ook deze ordeningen Gods in ! eere te houden, ik zeg nog niet uitgesleten, maar | toch voor een goed deel veronachtzaamd! Men erkent dan wel, dat het zoo moet zijn, als wij hier aan de hand van Paulus' vermaan herinnerden, doch de praktijk van het huiselijke leven dekt de theorie niet. Er zijn ouders, ook nog wel Christelijke ouders, die hun kinderen letterlijk over het dienstpersoneel laten heerschen, alsof dit zich tot speelbal van de nukken en booze plagerij van een hoep ondeugende kinderen verhuurd had. Vooral aankomende knapen en meisjes doen het dienstpersoneel ontzettend veel kwaad en zijn dus handelend onder het oog of althans met toelating der ouders, in vele gevallen de oorzaak, dat meid of knecht hun ondergeschikte positie jegens hun meerderen vergeten. Vooral in dezen tijd van bandeloosheid onder het opkomend geslacht, behooren alle vaders en moeders, die tot een aanzienlijken stand in de maatschappij kwamen, nauwkeurig te letten ook op het gedrag hunner kinderen jegens inwonende dienstboden. De Heilige Schrift leert toch, dat geen verschil j mag geduld worden tusschen een kind-erfgenaam j en een loontrekkend inwoner ten opzichte van de ! gehoorzaamheid, die beiden, het kind zoowel en ! in denzelfden zin als knecht of meid, aan de I ouders behooren te bewijzen. De staat van on! derdanigheid onzer kinderen brengt mee, dat zij ! moeten weten, dat het bestuur des huizes bij vader ! en moeder zetelt. Een kind heeft niets te comi mandeeren, noch op het land noch in de keuken. ! Gelijk gezegd is, onze losbandige tijdgeest scheurt i deze ordinantie Gods schrikkelijk uiteen. Zoo komt ! het, dat reeds in vele gezinnen de kinderen niet

> alleen de dienstboden gebieden en plagen, maar ! vele ouders zelfs loopen aan de leiband van een | korzeligen, koppigen jongen of preutsche dochter

> van veertien jaar of' nog veel jonger.

Arme gezinnen waar het zoo toegaat! zegt ge. | Eilieve kent gij er ook niet zoo ? Hoe komen ! wij anders aan die ongelukkige huwelijken, die ; heden hand over hand toenemen ? Waarom missen

> een aantal heeren en dames hun dienstpersoneel ! soms viermaal in 't jaar? Ligt het dan altijd ! aan de meid of den knecht? Men weet beter. I De oorzaak van menig geval ten deze moet worden | gezocht in de averechtsche opvoedingsmethode, $ waardoor jongeheertjes en dametjes, bij pa en moe 5 van de prilste jeugd af verwend, de slachtoffers ^ zijn, en waarvan hun eigen dienstvolk straks $ weer het slachtoffer wordt?

j Zeker ook de werkman, die het dienstpersoneel 5 levert, heeft op zijn jong volkie nauwkeurig toe 5 te zien, geen dames te maken van zijn meisjes, S die reeds vroeg naar een eerbare betrekking

moeten omzien tot steun van het gezin. Gehoorzaamheid en liefde moeten onze mindere standen aan hun kinderen jegens de sociaal hooger geplaatsten trouwelijk inscherpen. Maar daarom ook heeft de hoogere stand te zorgen, dat wie hij in de keuken of in 't koetshuis ontvangt, door een goede, Christelijke behandeling althans eenigszins zich schadeloos gesteld voele voor het gemis aa den ouderlijken omgang, de vaderlijke zorge, de moederlijke teederheid, die het kind van minderen huize soms reeds zoo vroeg ontbeert.

Wij herhalen: in elk heusch Christelijk gezin van onze hoogere standen worden deze dingen niet uit het oog verloren. Maar hoe velen zijn niet heusch Christelijk ? Niemand althans zal ons kunnen tegenspreken, dat ook hier veel schijn en schaduwen zijn. Van zulk een schijngodsdienstigheid nu worden niet alleen jeugdige dienstboden de dupen, maar dit kwaad wreekt zich straks onder het opkomend geslacht van de aanzienlijken zeiven, wijl hun kinderen, tot een eigen positie in de maatschappij gekomen, allen tact menigmaal missen om met dienstboden om te gaan.

[Patrimonium). D. H.

De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Beroepen; te

Aalden, J. van Mantgem, te Harderwijk A. Axel B, D. Bakker, te Broek op Langendijk (Noord-Holland) B.

Groningen B, J. Langhout, te Haarlem.

Bedankt: voor

Broek op Langendijk (N. H.J A, W. H. Oosten, te Middelburg B.

Gouda, A. H. Gezelle Meerburg, te Delft. Siddeburen (Gron.), J. Fokkinga, te Houwerzijl (Gron.).

* # * Kampen. Het Theol. examen B werd afgenomen aan 23 oandidaten. Toegelaten de heeren G. J. D. Aalders, C. J. Bos, W. Bouwmau, W. A. Dekker, F Diemer, A. M. Diermanse, K. Doornbos, G. Elshove, C. Goote, H P. F. C. Graefe, G. Keizer, J H. Koers, R. J. Lammers, C.Lindeboom, G.Meijer, D. Prins, A. S. Schaafsma, S. Veltman, J. Vesseur, J. Visser en J C. C. Voigt, die dus beroepbaar zijn gesteld bij de Gereformeerde kerken. Afgewezen 2.

* « * Leeuwarden. Zondagavond nam Ds. Impeta afscheid van de Geref. kerk alhier, naar aanleiding van Hand. 2: 42 en 47b. Een groote schare belangstellenden vulde het kerkgebouw

* * * Zierikzee. Onze naar de Geref. kerk van Schoonhoven Bberoepen leeraar, ds. M. Keulemans, hoopt Zondag, 4 Augustus a. s., afscheid te nemen van zijne gemeente alhier en den daarop volgenden Zondag intrede te doen in zijne nieuwe gemeente.

VOOR KINDEB.EN.

Nu of nooit.

I.

En de zaligheid is in geenen anderen, want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. (Hand. 4 : 12).

Wanneer allen die dit lezen het recht ter harte namen, hoe heerlijk zou dat zijn. Dat leert ons de geschiedenis van een heiden, die dat woord recht goed verstond, en het wel degelijk in beoefening bracht ook, en die menig naamchristen beschaamt.

„Fschatr Dhari Singh — thans Johannes verhaalt een zendeling uit Oost-Indië, „ was vroeger een Bramin, en de zoon van een rijken grondbezitter. Zijne bekeeringsgeschiedenis levert een voorbeeld van den in- en uitwendigen strijd,