is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1877, no 8, 1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MET WEINIG VEEL TE DOEN, DAT IS DE KUNST.

dient, want met betrekkelijk weinig veel te doen, dat is waarlijk knnst. En dat is eene kunst, die zeer algemeen te pas komt, ja, die zelfs in menigte wan gevallen onmisbaar beeten mag. Trouwens zijn er waarlijk streken genoeg, ook in ons Vaderland, zijn er zelfs halve Provinciën, waar wij bij ons werken wel verplicht zijn voortdurend van het beginsel uitte gaan, om toch vooral met weinig veel te doen; streken, waar de grond over groote uitgestrektheden van dien aard is, dat het maken van grootere kosten ten eenemale geldverspilling zou mogen heeten; streken, waar de toestanden van dien aard zijn, dat de wegen, die elders voor ons openstaan, ten eenemale voor ons afgesloten zijn; waar wij te strijden hebben met al de belemmeringen en hinderpalen, die een dorre en uit zijnen aard onvruchtbare bodem ons kan inden weg leggen en terzelfder tijd moeten kampen met al de moeielijkheden en bezwaren, die aan eene afgelegene en verre verwijderde ligging verbonden zijn. Hier inderdaad is het er dan toch wel verre af, dat wij alles zouden kunnen, wat wij eigenlijk zouden willen; hier zijn volharding en geduld noodig bij den onverpoosden strijd, dien men te voeren heeft; hier dient men de kunst te verstaan, om van alles, wat daartoe maar eenigzins dienen kan, partij te trekken, en daar de handen ons van alle zijden gebonden zijn en het ons dus onmogelijk is veel te doen, het daarheen te richten, dat wij ten slotte toch nog met betrekkelijk weinig veel doen, en met geringe middelen genoegzaam bevredigende uitkomsten verkrijgen. Zooals wij reeds opmerkten is het dan ook een voordurende en rustelooze strijd tegen velerlei belemmeringen en moeielijkheden, zonder tal, die de mensch hier te strijden heeft, hier op deze gronden , zooals zij in onze landprovinciën ér ook, ofschoon zij daar van anderen oorsprong zijn, langs den kustenzoom onzer zeeprovinciën te voeren heeft. Wanneer en hoe die gronden, die daar nog zoo groote onafzienbare uitgestrektheden innemen, nog eens vruchtdragende zullen worden gemaakt, hoe zij nog eens in voorkomen en aard dermate veranderen zullen, dat niet langer het vale heidekleed, het spichtige helmgras, het verblindende witte en stuivende zand ons tegenblikkeu, maar ons oog allerwegen op eene groenende oppervlakte rusten zal? Wanneer dit gebeuren zal, inderdaad dat laat zich niet met juistheid zeggen, ofschoon dit toch wel vast staat, dat het allengs en van lieverlede zal geschieden, zooals dit nog nader blijken zal, wanneer wij het antwoord vernemen op de vraag, hoe die verandering zal plaats hebben. Dat antwoord klinkt ons trouwens reeds uit Gelderland en van elders uit de landprovinciën tegen en luidt inde eerste plaats door de houtcultnur, die cultuur, die daar aan zoovele oorden telkens zich verder uitbreidt, telkens

116