is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1877, no 8, 1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER WETENSCHAPPELUKEN LANDBOUW.

glas opstijgt, maar nimmer den bodem van bet glas bereikt. Er blijft steeds eene schijnbaar ledige, maar werkelijk met ineen geperste lucht gevulde ruimte over, waar het water niet in opstijgen kan. Dit wordt vooral gemakkelijk zichtbaar, indien men onder het glas een klein stukje hout of kurk geplaatst heeft, hetwelk dan duidelijk de hoogte aan wijst, tot welke het water in het glas iugedrongen is. Men kan dit ook nog op andere wijze duidelijk maken. In plaats van het bierglas neme men een aan weerszijde opene tamelijk wijde glazen buis, binde die aan het eene einde met een vooraf natgemaakt stukje varkensblaas luchtdicht toe en ga nu op dezelfde wijze als met het bierglas te werk. Ook nu zal men hetzelfde verschijnsel waarnemen. Het water zal inden eylinder een eindwegs beneden den waterspiegel er buiten blijven staan* Maakt men nu echter met eene fijne naald een klein gaatje in de blaas, dan dringt oogenblikkelijk de ineen geperste lucht naar buiten en het water stijgt terstond tot dezelfde hoogte als buiten het glas daarin op. Hieruit blijkt derhalve ten duidelijkste, dat de lucht ruimte inneemt, dat zij derhalve uit stof bestaat. § 12- De bestanddeelen der volkomen zuivere dampakringslucht, die trouwens inde nabijheid der aarde nimmer voorkomt, waar zij steeds met vreemde van de aarde opstijgende gassen, dampen en stofdeeltjes (zoogenaamd dapmkringsstof) verontreinigd is, zijn zuurstofgas en stikstofgas. Deze vormen een overal gelijksoortig mengsel, bestaande vrij nauwkeurig uit 21 deelen zuurstofgas, en 79 deelen stikstofgas. De zuurstof, ofschoon ongeveer viermaal in hoeveelheid door de stikstof der lucht overtroffen, is in zoover het belangrijkst bestanddeel daarvan, dat zij eene zeer krachtig werkende stof is, geneigd om zich met alle overige enkelvoudige stoffen scheikundig te verbinden, en daarmede ligchamenmet zeer verschillende eigenschappen te vormen, waarin men haar niet dan door scheikundige middelen ontdekken kan. Men moet daarom ook de hoeveelheid der op aarde aanwezige zuurstof geenzins beoordeelen naar de hoeveelheid vrije zuurstof des dampkrings, aangezien, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, de onmetelijke hoeveelheid water, die op en in en boven de aarde aanwezig is, naar de maat uit 1 deel zuurstof en 2 deelen waterstof, en naar het gewigt uit 8 deelen zuurstof en 1 deel waterstof bestaat. Daar er voorts echter slechts betrekkelijk weinige ligchamen op aarde voorkomen,' waarvan de zuurstof niet eender bestanddeelen uitmaakt, zoo meent men te mogen aannemen, dat de zuurstof ongeveer de helft van de gezamenlijke bestanddeelen der aarde uitmaakt. De zuurstof is vooral ook eene aller belangrijkste stof voor het

121