is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1877, no 11, 1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROEVEN MET DENNEN OP HET DUIN.

dat het ook ligt inde geringe zwaarte der planten, waarvan velen aanvankelijk wel degelijk lot maakten, maar later allengs toch te niet gingen, omdat zij blijkbaar niet krachtig genoeg waren, om aan de uitwendige, invloeden, waaraan zij aan hunne nieuwe standplaats waren blootgesteld, weerstand te bieden , zoodat ten slotte de uitkomst dan ook deze blijft, dat de bovengemelde proeven niet pleiten zouden voor het gebruik maken van te licht plantsoen. En hiermede zou ik thans kunnen eindigen, ware het niet dat ik hier nog eene enkele opmerking wilde bijvoegen betreffende de beplanting van het duin en er nogmaals op wilde wijzen van hoe groot belang het toch is, daarbij niet stuksgewijze, maar bij groote blokken en met aanzienlijke massa’s te werken. Dat dit inde duinen, bij het veel meer afgebroken terrein, dat men daar vindt, vrij wat meer bezwaar heeft, dan op den diluvialen zandgrond onzer landprovinciën, staat vast. Toch is het, om den verderflijken invloed van den zeewind te temperen, het beste middel. Dien invloed nader te doen kennen behoeven wij overigens wel nauwelijks. Trouwens brengt de eerste de beste wandeling inde duinen ons daaromtrent op de hoogte, want overal vertoont hij hetzelfde karakter, zelfs bij het lage struikgewas. De top wil namelijk niet omhoog, maar versterft, terwijl verder ook de naar de zeezijde gerichte zijtakken zich niet kunnen ontwikkelen, zoodat alleen die, naar de landzijde gekeerd, ten hunnen koste zich voedende, krachtiger groeien. Overal is het dan ook dezelfde vorm, dien men terug vindt, de vorm, zooals die in het figuur, aan het hoofd van dit opstel, is weergegeven. Slechts door beschutting kan een betere groei in het leven worden geroepen en die is alleen verkrijgbaar door de massa’s vaneen gesloten, samenhaugend bosch. 11. W. BOER.- OYEE WETENSCHAPPELIJKER LANDBOUW. (Vervolg van bladz. 138.) § 21. De meerdere of mindere zamenhang van den grond hangt over ’t algemeen af van de verhouding, waarin zand en klei met elkander gemengd zijn. Deze beide aardsoorten toch staan in deze gelijk in alle andere eigenschappen lijnrecht tegen elkander over. De zuivere klei (kaoliën of porseleinaarde) is in vochtigen

167