is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 607, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitspraak dan ook zeker onjuist. Wel is juist, dat wijde waarde van organische meststoffen, nadat wij sedert ongeveer 1931 het profielonderzoek zijn gaan toepassen, veel beter zijn gaan begrijpen en daardoor uit den aard der zaak deze meststoffen veel meer zijn gaan waardeeren.

Daarbij is ons zoowel de bijzondere waarde van stalmest en compost, als die van verschen organischen mest, zooals groenbemesting, opgehelderd. Het zou te ver voeren hier op hun afzonderlijke waarde in te gaan. Wij willen daarom volstaan met even in het kort te schetsen, hoe ons inzicht inzake het gebruik van organischen mest is geëvolueerd. Toen wij in 1922 met Hudig onze eerste kalktoestandspr oef velden aanlegden, bestond bij ons nog niet het bewuste inzicht, dat de organische voorziening van den grond een onvervangbare basis voor de cultuur is. Wij dachten toen evenals de meeste deskundigen ook heden nog doen, chemisch en colloid-chemisch, maar weinig biologisch. De hoofdopzet van de proeven berustte dan ook op het maken van kalktrappen en het vergelijken van z.g.n. zure en alcalische meststoffen, vooral chilisalpeter tegenover zwavelzure ammoniak, bij verschillende kalktoestanden. Zoo zijn ook de eerste twee oriënteerende proefvelden aangelegd. Ze stonden op zuiver chemischen en niet op biologischen grondslag. _ doen echter na deze geslaagde oriënteering in 1923 verschillende nieuwe proefvelden zouden worden aangelegd, hebben wij langdurig overwogen, hoe wijden stalmest hierbij zouden inschakelen. Wij stelden hierop nadrukkelijk prijs om het contact met de werkwijze van de praktijk te behouden. Hoewel ook wij toen de noodzaak van het gebruik van den organischen mest niet konden doorzien, opgevoed als wij waren inde leer van den alles zaligmakenden kunstmest, voelden wij toch intuïtief als landbouwkundige, dat de stalmest bij deze proeven niet buitengesloten mocht worden. Was het technisch mogelijk geweest, dan waren op deze nieuwe proefvelden een even groot aantal ’kalktoestandstrappen met stalmest aangelegd als met kunstmest. Het toch reeds groote aantal perceelen moest dan echter verdubbeld worden en dit was technisch en financiëel onuitvoerbaar. Wij hebben ons daarom beperkt tot 2 kalktoestandstrappen met 1 parallel met stalmest en dus per proefveld met 4 stalmestperceelen. De groote moeilijkheid bleef echter, dat het niet mogelijk scheen een vergelijking te maken tusschen de met „enkelvoudige kunstmeststoffen behandelde perceelen en die met organische bemesting, door welke laatste zoowel in mineraal, als in velerlei ander opzicht zooveel gelijktijdige en oncontroleerbare invloeden werden verwekt. Hoewel de wettelijke controle op den kunstmest natuurlijk ook zeer gebrekkig kon worden genoemd, hadden wij toch het gevoel, dat deze bij den stalmest volstrekt onmogelijk was. Hierin is eerst verandering gekomen vanaf 1931 door het profielonderzoek, toen direct de groote structuurverschillen tusschen mineraal en organisch behandelde perceelen aan het licht kwamen. Zoodra wij het structuurverschil als een maat voor vergelijking hadden leeren gebruiken, was er een brug geslagen tusschen de beoordeeling

48