is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 607, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4i. GUILBERT & HART. Minimum Vitamin A requirement with particular reference to cattle. Journal of Nutrition. 10. 409. ("36). Op grond van niet erg nauwkeurige bepalingen en berekeningen van het carotine en Vitamin A-gehalte van lever en Hchaamsvet komen de S. tot de conclusie, dat jong rundvee van ongeveer 2 jaar 600—700 mg carotine -f- Vitamin A in reserve heeft, waarvan het nog ongeveer 500 mg' kan afstaan onder Vitamin A arme omstandigheden. Oudere dieren hebben, wanneer ze onder dezelfde omstandigheden worden gehouden (n.l. onbeperkt groenvoer kunnen opnemen) eën veel grootere reserve n.l. 3600 mg. Hiervan komt het grootste deel (75 %) inde lever voor. Bovendien is de lever het reservoir voor Vitamin A en het lichaamsvet voor carotine. In korte tijd kan bij een ruime carotine-toevoer eenige reserve aangelegd worden. Uit proeven bleek, dat van 15 gr carotine opgenomen in 13 dagen 400 mg of 2.7 % werd opgeslagen. Indien de reserve echter een zekere grootte bereikt heeft, gaat het opslaan veel langzamer. Voor een dier van 500 kg is per dag ongeveer 15 mg carotine of Vitamin A noodig. Bij een tekort openbaart zich het eerst een ooggebrek, de z.g. nachtblindheid. P. S.

Zuivelbereiding – Melkkunde. 42, KALKSCHMIDT, J. Untersuchungen über den Einfluss der Schwer-Kraft und Zentrifugalkraft auf die Zahl und Verteïlwng der verschiedenen Keimgruppen in der Milch. (Der Einfluss der Bewegung auf die Zahl und Verteilung der Keimgruppen in der Milch). Milchw. Forsch. Bd. ig, Heft 2, bis. ipg—isg; C 37). Bij het oproomen van melk constateert S., dat inde ontstane lagen afwijkende hoeveelheden bacteriën worden gevonden. Dit geldt niet alleen voor het totaal aantal bacteriën, maar ook voor de aantallen van enkele groepen bacteriën, zooals de zuurvormende, de vetsplitsende, de eiwitsplitsende bacteriën, de bacteriën van de coli-aerogenusgroep, de gisten en de schimmels. Deze scheiding inde groepen is daarom van beteekenis, omdat men de melk dan kan beoordeelen uiteen hygiënisch oogpunt, naar de kwaliteit en naar de ouderdom. Bij de oproomproeven vindt S. inde bovenste lagen een vermeerdering van het totaal aantal bacteriën, van de zuurvormende, de eiwit- en vetsplitsende bacteriën. Voor de gisten en schimmels en de coli-aerogenusgroep komen geen belangrijke verschillen inde lagen voor. Bij langdurige oprooming zijnde meeste vetbolletjes uit de melk opgeroomd en daarmede ook de meeste bacteriën. Dit geldt echter niet in dergelijke mate voor de coliaerogenusgroep, omdat deze bacteriën een eigen beweging bezitten. De gisten en schimmels ballen tezamen, zinken voor een deel en vormen voor een ander deel locale vlokken inde melk. De invloed van 'het centrifugeeren op de verdeeling van de bacteriën is meer uitgesproken. Door het centrifugeeren ontstaat centrifugeslib, room en ondermelk. De bacteriën zullen door ’t centrifugeeren in deze verschillende deelen terecht komen, afhankelijk van hun soortelijk gewicht. Daarnaast heeft men dan nog de werking van de absorptie aan de vetbolletjes en het aanwezige vuil. Na het centrifugeeren bevindt zich quantitatief een groot deel van de bacteriën inden room. Slechts weinig bevindt zich inde ondermelk en een zeer groot aantal in het slib. Voor de zuurvormende bacteriëën, de eiwitsplitsende en de vetsplitsende geldt ongeveer hetzelfde. De gisten en schimmels komen voornamelijk in het slib terecht. De coli-aerogenusgroep eveneens. Een deel van de laatste echter ook inden room. Wanneer men er rekening mede houdt, hoe de verschillende lagen: room, ondermelk en slib zich verhouden, dan volgt daaruit, dat bij de ontrooming door centrifugeeren het grootste deel van de bacteriën inden room en de ondermelk blijven. De schadelijke sporevormers komen echter in hoofdzaak in het slib terecht. Aan een reinigingscentrifuge kan evenmin als aan een ontroomings-centrifuge een bacterieverminderende werking toegeschreven worden, omdat vooral inden room hooge bacteriecijfers worden gevonden. De centrifuge is dus niet in staat de melk in biologische of hygiënische zin te reinigen. C. K. 43. TROY, H. C. and SHARP, P. F. Quantitative Determination of Lactic Acid in Butler. Memoir 202. Corn. Univ. Agr. Exp. St. Ithaca, New-York, 17 bis.; C 37). De quantitatieve bepaling van melkzuur in boter is de aangewezen methode om de graad van verzuring van den oorspronkelijken room na te gaan. Bepaalt men de pH van het boterplasma, dan is

78