is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 614, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dacht besteed te worden aan die cultuurmaatregelen, die den diktegroei bevorderen: a. er dient plantmateriaal gebruikt te worden, dat behalve een groote productie ook een snellen groei bezit; b. er dient vroeg te worden, hetgeen met geoculeerde stumps alleen dan mogelijk is, als vóór den oostmoesson wordt geoculeerd; c. het planten met gestumpte oculaties kan de tapbaarheid met een half jaar vervroegen; d. de bemestingsproeven hebben nog niet als vaststaand aangetoond, dat met bemesting een vervroeging van de tapbaarheid met één jaar kan worden verkregen (er zal gezocht moeten worden naar een meer efficiënte wijze van bemesting) ; e. van belang is het na te gaan den invloed van de verwijdering van den ondergroei op de groeitoename van de rubber. A. M. CACAO, 26. ASTENDORF, F. W. en ROELOFSEN, P. A. Selectie van cacao op kwaliteit. De Bergcultures jg. 12, no. 15, bis. 440—44ó ('3B). In 1931 meende Wellensiek, dat de kwaliteit van het product nauw verbonden was 'met de kleur der zaadlobben, waardoor men bij de selectie kon volstaan met op deze kleur te letten en op de kwantiteit. Echter, aan de kwaliteitsselectie zit veel meer vast dan alleen deze kleurfactor. Immers behalve op de hoeveelheid kleurstof inde boonen, let de fabrikant ook nog op het goed doorgefermenteerd zijn, op de losse structuur der boonen, op een ronden vorm zonder rimpels of barsten inde schil, op een goeden smaak en aroma bij verdere verwerking. De handel verlangt een mooi uiterlijk van de schil, terwijl groote boonen hooger gewaardeerd worden dan kleine. Bij selectie op kwaliteit moet derhalve gestreefd worden naar: lichte zaadlobkleur, groote boonen, typen die bij de bereiding gemakkelijk een hoog % volboon met losse structuur en goede aroma opleveren en een niet te zwakke zaadhuid van aangenaam uiterlijk. De eerstgenoemde twee eigenschappen zijn reeds aan het ongefermenteerde product na te gaan, de andere zijn alleen aan het marktproduct zelf goed te beoordeelen. Het product van het selectiemateriaal moet dus tot marktcacao bereid worden. Hiervoor werden twee methoden (gazen zakjes en electrisch verwarmde houten bakjes) bedacht. . . Het onderzoek van de Djatiroenggocloonen bepaalde zich tot een elftal nummers (tabel 1) : t.a.v. de uitlevering aan marktproduct blinkt vooral de cloon DR 1 uit, terwijl DR 2, 38 en 41 ook goed zijn. Het gem. gewicht per cloon loopt hiermede parallel; het % rimpelboon vertoont groote verschillen tusschen de cloonen. Ook in dit opzicht blinkt DR 1 weer uit. Deze cloon staat ook bovenaan wat betreft de breuk, gevolgd door DR 38, terwijl DR 7, in dit opzicht het slechtst was. Uit dit onderzoek blijkt, dat de kwaliteit van het product bij deze cloonen sterk uiteenloopt, niettegenstaande zij, behalve DR 7, tot de beste nummers uit de DR-serie behooren en de moederboomen van DR 1,2, 7, 10, 18 en 20 indertijd reeds op kwaliteit van het product waren gekeurd. Men mag echter het oordeel over de cloonen niet alleen baseeren op de resultaten van dit onderzoek, doch men dient ook op andere factoren te letten, zooals productiviteit, – gevoeligheid voor ziekten en plagen en zaadlobkleur. Bij het kwaliteitsonderzoek van het type Assiman-angoleta bleek, dat de onderlinge verschillen veel kleiner zijn dan bij de D R-cloonen. Over het algemeen zijn deze cloonen niet erg groot-boonig, terwijl zij een betrekkelijk groot % rimpelboonen opleveren.' Ook is de zaadhuid veelal dun en zwak, hetgeen aanleiding geeft tot breuk van de droge schil. De kwaliteit van dit type is dus vrij matig. . Bij onderzoek voor het Getas-forastero type bleek, dat dit voor productietuin ongeschikt moet worden geacht. Alle onderzochte boomen leverden donkerpaarse zaden, terwijl het % rimpel- en platboon hoog was. Bovendien was de boon tamelijk klein en veelal abnormaal van vorm. Bij het voortgezet selectieonderzoek zal al het materiaal behalve op kwantitatieve eigenschappen en op zaadlobkleur, tevens op de kwaliteit van het marktproduct beoordeeld worden. A. M. RIJST. 27. DONATH, W. F. De voedingswaarde van Rijst. Landbouw. 11 jg., no. 12, bis. 587—-595 (’37). Volgens S. wordt door meer dan de helft van alle bewoners op aarde rijst als hoofdvoedingsmiddel geconsu.- meerd. Als zoodanig is rijst niet als minderwaardig te beschouwen, mits tevens gezorgd wordt voor een doelmatige bijvoeding. Aan de hand van de gemiddelde chemische samenstelling van eenige hoofdvoedingsmiddelen (o.a. verschillende broodsoorten, aardappelen, maïs, cassave, sago) komt S. tot de conclusie, dat rijst daarbij geen slecht figuur slaat, tevens dat zilvervliesrijst een beter voedingsmiddel is dan witte afgeslepen tafelrijst.

659