is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 7, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE REGENWORMEN EN HAAR INYLOED OP DE VRUCHTBAARHEID YAN DEN GROND.

Wij zijn nagenoeg overtuigd, dat de natuur niets nutteloos daargesteld heeft, maar toch staan wij meermalen verlegen om de nuttigheid van vele zaken te ontdekken, die zich op do eene of andere wijze als schadelijk doen kennen. Indien men alleen acht sloeg op de klachten der hoveniers, dan zouden de regenwormen tot dit getal hehooren, en toch mag men zich afvragen, of zij, ofschoon ineen gegeven geval nadeel aanbrengende, in eenig ander geval niet onmiskenbare diensten zouden bewijzen. Yolgens een Duitsch natuurkundige, de Hr. Hensen, zouden de regenwormen belasterde dieren zijn. Haar onbevallig uiterlijk, haar vuilroode kleur, de walgelijke slijmerigheid, die zij aan de vingers achterlaten dergenen die ze aanpakken en eindelijk hare misdaden die zij inde tuinen bedrijven, zijn zoovele kwade aanteekeningen, die op hare rekening gesteld worden. Beschouwen wijde zaak echter van naderbij, dan zien wij hoedanigheden aan den dag komen, die ons onmiddelijk raken, en die van deze verachte dieren nuttige helpers voor den landbouw maken. Men weet algemeen, dat de regenwormen op den bodem van onderaardsche gangen huizen, die bijna loodrecht een tot twee meters diep inden grond indringen. Men weet evenzoo, dat zij bij vochtig weer tot de oppervlakte der aarde naderen en ’s nachts uit hare gaten kruipen. Indien men dit tijdstip waarneemt om ze te beloeren, dan vindt men ze druk bezig om haar voedsel op te sporen. Om dit te doen blijft het achterste derde of vierde deel van haar ligchaam inde pijp, die haar ter woonplaats dient, steken, terwijl zij het overige daarvan links en rechts heen bewegen, om plantaardige overblijfselen, op den grond gevallen takjes en bladen die onder haar bereik komen, te verzamelen en die zij door kruipende bewegingen op de plaats in haar gat doen indringen, maar altijd slechts tot zeer geringe diepte. Niets komt inderdaad menigvuldiger voor in gronden, waar vele regenwormen huizen, dan over dag gedeelten van planten, vooral van bladeren, in den grond getrokken en slechts een weinig daarboven uitstekende aan te treffen. Al deze half inden grond getrokken overblijfselen zullen voedsel voor de regenwormen worden, wanneer zij door de vochtigheid en andere invloeden der lucht ontleed zijn. Nooit, ten ware bij toeval, worden zij tot op den bodem der gangen getrokken. Deze gangen verdienen allezins een naauwgezet onderzoek.

109