is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1880, no 11, 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mij. VAN L., T. EN V. IN HET ARROND. BREDA EN O.

ras en zeer tenger (dun) ópschieten en ontneemt alzoo aan de hoornen alle middelen van ontwikkeling; van daar dat men eene reeks van bosschen op den ouderdom van 15 a 35 jaren ziet verkwijnen en wegsterven. Eene tweede oorzaak van mislukking is ook hel stilstaand water in den grond, hetgeen spoedig de toppen der wortelen doet rotten, waarop onmiddellijk het sterven of verkwijnen van geheel de plant volgt. Eene zorg, onmisbaar voor het wel gelukken der mastbosschen, is tijdens hunnen wasdom 2 a 3 maal de greppen en slooten te diepen ; zoodoende verzekert men de goede uitwatering en tevens worden door het oversohieten de spelden en kruid bedekt en de verrotting er van bevorderd. Al te dikke lagen spelden, gras, enz. inde jonge bosschen is nadeelig omdat zulks den invloed der lucht en van het regenwater op het vruchtbaar maken van den grond belet. In sommige gevallen is het dienstig een deel van het strooisel inde jeugd uit de bosschen te nemen; doch dit werk behoort met zorg en niet overdreven te geschieden, want een algemeenen speldenroof heeft voor noodzake-Hjk gevolg den grond steeds armer te maken. Na de ongemeene droogte van den zomer van 1874 heb ik bevonden over eene massa van ruim 2000 hectaren bosschen van 5 a 20 jaren oud, zoo inde provincie Antwerpen als Noord-Brabant, dat, waar de grond algemeen droog is, de mast wel en schoon groen was opgeschoten; kortom een wasdom had naar wensch. Op de zware gronden, waar toen de grond ook droog was, schoonen wasdom, donker blauw groen, 1/3 meer dan bij gewone jaren geschoten, en op de boorden der grachten, waar de grond zeer droog was, nog beteren wasdom. Inde laagten, waar de afwatering te wenschen overliet, was er meer dan op gewone jaren gegroeid, doch daar hadden de boomen nog steeds eene bleek geel-groene kleur. Er is dus geen twijfel of het inden grond stil staand water is een hoogst schadelijk element, de oorzaak van zoo menige mislukking, dat met kracht moet bestreden worden; zonder dien vijand te overmeesteren is geen welgelukken van ontginning of boschaanleg mogelijk. Stellig zijn er uitzonderingen; ik ken in deze streek rijke boschgronden waar het ’s winters zoo vol water staat, dat de grond op vele plaatsen bedekt is en waar evenwel de mast groeit. Naar zulke uitzonderingen mag men zich echter niet schikken. Ik heb ook de ondervinding dat men op soortgelijke gronden, mits goede bewerking, een dubbelen wasdom bekomt en dat de kosten van afwatering tien dubbel beloond worden. Ik herhaal het: van de goede afwatering is het gelukken of niet gelukken van elke ontginning van land- en boschbouw ten eeneraale afhankelijk; dit moet dan ook boven alles de grondslag van eiken aanleg zijn. Ik neem deze gelegenheid te baat om de bijzondere aandacht der gemeentebesturen en der eigenaars en gebruikers van gronden op dit punt in te roepen, ten einde veel mislukking, schade en tegenspoed te voorkomen. Minderhout, 3 Mei 1880. DE SMEDT.

170